Ploegen tot de grond van Pruisen Hollands wordt

Na de oorlog sloegen Nederlanders massaal aan het emigreren, want het land raakte overvol. Maar eerst was er gedacht aan annexatie van stukken Duitsland....

ROGER VAN BOXTEL, de energieke minister voor Grote Steden en Integratiebeleid, heeft gezegd wat iedereen wist, maar geen minister durfde erkennnen: 'Nederland is een immigratieland geworden.' Dat is wel eens anders geweest. Vijftig jaar geleden was Nederland zo arm dat minister Drees van Sociale Zaken bang was dat 'deviezentekorten de emigratie van Nederlanders zouden stopzetten'. Dat kon, zo stelde Drees in april 1948 vast, 'ernstige gevolgen hebben voor de overbevolking van het land'.

Nederland had toen tien miljoen inwoners, ruim twee maal zoveel als aan het begin van deze eeuw. Het millennium zal Nederland ingaan met zestien miljoen inwoners, minder dan voorspeld.

In 1946 wilde een kwart van de bevolking emigreren. Maar vóór de massale emigratie haar vlucht nam, leefde vanaf de laatste oorlogsjaren de gedachte om een stuk van Duitsland in te lijven. Het verzetsblad De Vrije Kunstenaar schreef in de hongerwinter van 1944: 'Maar als dit volk geen land, geen akkers en geen beemden genoeg heeft voor de nood waarin het werd gestort, dan zal 't voor 't eerst zich recht doen met de grond van vreemden, en ploegen tot de grond van Pruisen Hollands wordt.'

De regering in ballingschap was aanvankelijk niet enthousiast over annexatie. Maar in het najaar van 1944, toen de Duitsers dreigden grote gedeelten van Nederland onder water te zetten - uiteindelijk deden ze het alleen in de Wieringermeerpolder- schreef minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens in het gezaghebbende Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs dat hij voor Nederland een 'daartoe geschikt gedeelte van aangrenzend Pruisisch grondgebied' opeiste. Het gebied moest permanent of tijdelijk bij Nederland worden gevoegd. Het moest, om narigheden te voorkomen, ontvolkt, dus zonder Duitsers, worden opgeleverd.

De regering in Londen verklaarde naar aanleinding van Van Kleffens' artikel geen 'gewelddadige verovering' te overwegen, maar behield zich het recht tot annexatie voor als vorm van compensatie voor de geleden schade.

Maar Drees waarschuwde later: 'Nederland moet niet in permanente tegenstelling komen tot Duitsland, waarmede wij door onze ligging op den duur onvermijdelijk toch weer in intens verkeer zullen komen.' De kwestie lag gevoelig. Besloten werd de publieke opinie te peilen.

De historicus Melchior Boogaarts, auteur van Parlementaire Geschiedenis van na 1945, zegt dat vooral de KVP en bewoners van de grensgebieden geloofden in annexatie. 'Dat is begrijpelijk als je bedenkt dat juist de arme keuterboeren in Brabant, Limburg en het oosten van het land katholiek waren. Zij hadden grote gezinnen. De regering wilde de landbouwsector saneren en dus moest er iets voor die jonge boeren gevonden worden. Annexatie leek een goede oplossing.'

De katholieke oud-minister van Financiën ir. J. van den Broek richtte meteen na de bevrijding het Nederlands Comité voor Gebiedsuitbreiding op en mr. G.B.J. Hiltermann pleitte in zijn brochure Land om Land voor de uitbreiding van het Nederlands grondgebied tot aan de rivier de Wezer met Bremen als grensstad. Het Roergebied mocht van hem Duits blijven. De regering moest er voor waken niet te veel land te eisen, want anders zou Nederland zijn karakter als koloniserende en zeevarende natie verliezen, aldus mr. Hiltermann.

Er brak, aldus Boogaarts, een ware pamflettenoorlog uit met kreten als : 'Voor onze verdronken polders, vernielde havens, spoorwegen en steden verlangt het Nederlandse volk Duits grondgebied zonder Duitsers.' Van ethnic cleansing had toen nooit iemand gehoord.

C.C. van Spreekens van het Comité voor Gebiedsuitbreiding vond dat een 'smalle strook' grond zonder Duitsers de meeste waarde had. Hij dacht aan een oppervlakte van vijftienduizend vierkante kilometer, bijna de helft van Nederland, dat toen zonder Waddenzee en IJsselmeer 33 duizend km2 besloeg.

B IJ DE oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 waren de landsgrenzen bijzonder willekeurig getrokken. Eeuwenoude gemeenschappen en families waren plotseling gescheiden. Dat onrecht kon nu eindelijk worden rechtgezet.

In verscheidene artikelen kwam de Groot-Nederlandse gedachte naar voren en stelden auteurs vast dat bijvoorbeeld in het Duitse Oost-Friesland het Nederlands tot het eind van de vorige eeuw de school- en kanseltaal was gebleven. De Oost-Friezen waren nog niet 'verpruist'. Het was 'op morele gronden' te verdedigen hen niet met de anderen te verjagen van hun erf. Zij zouden mogen blijven.

De 'annexist' prof. dr. J.G. Sleeswijk wilde uitbreiding vanwege de volksgezondeid. Nederland zou de kuuroorden met geneeskrachtige bronnen bij Bentheim en Aken krijgen.

Dr. ir. F. Bakker Schut, de secretaris van het Comité, schreef dat 'de relatieve overbevolking in Nederland het centrale probleem was geworden'. Dit leidde tot structurele werkloosheid en landhonger. De keuze was emigratie of annexatie. Annexatie verdiende bij verre de voorkeur, omdat dan de gehele bevolkingsaanwas tot het jaar 2000 kon worden opgevangen zonder al te grote druk op het welvaartspeil. Annexatie zou het heersende gevoel van benauwenis en ruimtegebrek wegnemen.

De katholieke bisschoppen van Nederland verklaarden in juli 1945 dat er geen moraal-theologisch bezwaar bestond tegen annexatie, ook niet als de inlijving gepaard ging met verwijdering van de plaatselijke bevolking. Veelal werd gedacht aan een half miljoen mensen. Opmerkelijk vindt Boogaarts dat, toen de regering twee jaar later in Nederland wonende Duitsers zonder pardon en zonder geld over de grens zette, de bisschoppen katholieke ambtenaren wilden verbieden mee te werken aan deze uitdrijving. Van de 30 duizend personen met een Duits paspoort zijn er toch nog vierduizend over de grens gezet. Aanvankelijk wilde de regering ook Duitse joden en politieke vluchtelingen terugsturen.

De tegenstanders van annexatie, vooral te vinden onder liberalen, socialisten en communisten, lieten zich ook niet onberoerd. Zij hekelden de irrationele wraakgevoelens. Men mocht de Duitsers niet, zoals na de Eerste Wereldoorlog, te hard straffen. Dat zou tot een nieuwe oorlog leiden. Het latere VVD-kamerlid, C. Berkhouwer, Europeaan van het eerste uur, achtte het fout vast te houden aan starre landsgrenzen. De Duitsers, schreef hij, 'zullen, eerst onder vreemde leiding, tot bruikbare Europeanen worden opgevoed'. Ook in katholieke kring kwam verzet tegen het verdrijven van bewoners. Uit de steden mocht men hen zeker niet wegjagen. Gezocht werd naar dunbevolkte gebieden met verwaarloosde landbouwgronden. Veel mensen waren daar gevlucht, mannen waren niet teruggekeerd uit de oorlog of ze zaten krijgsgevangen.

D E staatscommissie-Vorrink beoordeelde begin 1946 annexatie als 'moreel, internationaal-politiek en nationaal-economisch' verwerpelijk. Eind 1946 besloot de nieuwe regering-Beel met de KVP als grootste partij, na veel geruzie, de 'Grote Vier', Amerika, Sovjet-Unie, Frankrijk en Engeland, niet om annexatie, maar om grenscorrecties te vragen. Dit 'compromis' was toch nog een strook van 1750 km2. Er woonden 190 duizend mensen. Daarbij eiste de Nederlandse regering tijdelijke exploitatie van kolen- en kalimijnen op Duits gebied.

De fractievoorzitter van de KVP en tevens staatkundig hoofdredacteur van de Volkskrant, prof. mr. C.P.M. Romme, zag niets in 'tijdelijke concessies'; hij wenste alsnog het aan Limburg grenzende Duitse mijngebied te annexeren. 'Van deze zaak en Indië hangt onze toekomst af', schreef hij. KVP-senator Wijffels zei dat als het overbevolkt rakende Nederland niet snel met behulp van Duitse kolen kon industrialiseren, 'massale emigratie' de enige uitweg was.

Dat wilde niemand. Het zou droef zijn gesteld als Nederland een deel van zijn bevolking moest afstoten om de welvaart van de achterblijvers 'te handhaven of vergroten'. Bovendien, zo had de vooroorlogse ervaring geleerd, waren veel emigranten geestelijk en lichamelijk ten ondergegaan. Aanvankelijk mochten alleen overbodige boeren en tuinders emigreren, maar met achterlating van alle geld en bezittingen. Vaklieden moesten blijven, zij waren immers nodig voor de wederopbouw van het land. In 1948 mochten 20 duizend Nederlanders van vadertje Drees vertrekken. Men kon, realiseerde men zich, mensen toch niet tegen hun wil in het land houden. Langzaam kwam overheidsbegeleiding op gang.

'Annexatie', zegt Boogaarts, 'is nooit een realistisch alternatief voor emigratie geweest.' Amerika wilde dat het helaas getweedeelde Duitsland zich zo snel mogelijk zou herstellen. De Nederlandse eisen pasten niet in het Amerikaanse beleid. In 1949 kreeg Nederland, als troostprijs, de plaatsjes Elten en Tudderen, die veertien jaar later opgelucht werden teruggegeven aan de Bondsrepubliek. Inmiddels waren uit Nederland-Emigratieland, bijna een half miljoen mensen vertrokken om in Australië, Canada en Zuid-Afrika een beter bestaan te vinden.

Het werd geen onverdeeld succes. Eenderde ging of wilde terug. Misschien lukt het beter met Nederland-Immigratieland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden