Plezier in hoge cultuur, zorg om platte pulp

In het royale jubileumnummer van Nexus wordt de humanistische cultuur door vele groten geëerd...

Het Nexus-instituut te Tilburg heeft zich in de loop van zijn twintigjarig bestaan ontwikkeld tot een erkend klankbord van het cultuurfilosofisch debat. Het organiseert internationale conferenties en lezingen, en publiceert drie keer per jaar het gelijknamige tijdschrift. Onlangs is onder de titel Europees humanisme in fragmenten – Grammatica van een ongesproken taal het vijftigste nummer van Nexus verschenen en het is dit keer geen ‘bescheiden’ tijdschrift geworden maar een heus boek: 750 bladzijden dundruk, gebonden en met leeslint.

Het bevat meer dan vijftig essays die speciaal voor deze gelegenheid werden geschreven door coryfeeën van de geesteswetenschappen als George Steiner, Francis Fukuyama, Jürgen Habermas, Leszek Kolakowski, Michael Ignatieff, Roger Scruton, Avishai Margalit – om alleen de bekendsten te noemen. Opmerkelijk is dat onder deze intellectuele zwaargewichten maar één Nederlander figureert, Rob Riemen, oprichter en directeur van het Nexus Instituut; maar hij neemt dan ook meteen de eerste twee essays voor zijn rekening, die ook nog eens dubbel zo lang zijn als de overige. Dat is geen erg gelukkige manoeuvre, temeer daar zijn stukken, een al te persoonlijke geschiedenis van het Nexus-instituut en een vrij verzonnen cultuurfilosofische episode van Inspector Morse, wat betreft inhoud en toon nogal afsteken tegen de overige vijftig essays.

Het was chiquer en meer in harmonie met het geheel geweest deze bundel te openen met het essay van George Steiner, de grote voorvechter van het humanistische ideaal. Want het is het humanisme dat in deze bundel centraal staat, of meer specifiek de vraag of en in hoeverre de Europese humanistische traditie nog steeds de grondslag vormt of weer kan vormen voor onze postmoderne samenleving. Ook al wordt deze vraag in geen van de essays met zoveel woorden beantwoord, de grondtoon is duidelijk.

Die is er een van nostalgie. De blik wordt over het algemeen op het verleden gericht en als er al over de toekomst wordt gesproken, dan is dat met bezorgdheid en verontrusting. Vrijwel alle auteurs zijn het erover eens dat de humanistische cultuur en het bijbehorende ‘Bildungsideal’ tegenwoordig steeds meer in de verdrukking komen onder invloed van de grote boosdoeners materialisme, consumentisme, eenzijdige beeldcultuur, falend onderwijs en een door de ‘commercie’ gestuurde en door de massamedia krachtig ondersteunde, massale vervlakking van de smaak – of, om het heel simpel te zeggen: de televisie lijkt het boek definitief te hebben verslagen.

Deze ontwikkeling wordt – het zal de lezer niet verbazen – door alle auteurs ten diepste betreurd. Zoals gezegd wordt bovengenoemde vraag in geen van de essays uitgediept, laat staan expliciet beantwoord. En dat is misschien maar goed ook, want bespiegelingen over dit soort algemene vragen leiden meestal nergens toe, tenzij tot een vaag soort miserabilisme, en daar schiet niemand iets mee op. Er worden in deze essays überhaupt weinig antwoorden gegeven, er wordt eerder iets getoond, namelijk het plezier dat het lezen van literaire of wetenschappelijke teksten, het luisteren naar klassieke muziek en het aanschouwen van andersoortige kunstwerken kan opleveren.

En er is nog iets wat uit deze essays spreekt, en dat is de liefde en de bewondering die de schrijvers voor hun onderwerp koesteren. Wanneer Allan Janik over Wittgenstein schrijft, Edward Timms over Karl Kraus, Lewis Lockwood over Beethoven, Iso Camartin over Nietzsche, Rob Riemen over Thomas Mann, Jonathan Israel over Spinoza, Juan del Campo over Sjostakovitsj, Paul Michael Lützeler over Hermann Broch of Joseph Frank over Dostojevski, dan doen ze dat vanuit een groot enthousiasme en dat enthousiasme werkt aanstekelijk op de lezer.

Maar behalve dat er plezier wordt uitgestraald, wordt er ook scherpzinnigheid gedemonstreerd en dat wekt dan bij de lezer eerder bewondering voor de schrijver dan liefde of interesse voor zijn onderwerp. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer Avishai Margalit het heeft over kitsch en vergoddelijking in de moraal, Roger Scruton over het heilige en het profane, Leszek Kolakowski over ‘de eeuwige stilte van de geloofstaal’, wanneer Adam Michnik de stelling opwerpt dat de taal niet kan liegen en natuurlijk wanneer George Steiner de musicus, de wiskundige en de dichter laat bekvechten over de vraag wat het meest aan de cultuur bijdraagt: de muziek, de wiskunde of de taal.

Kortom, in Nexus 50 wordt een feest gevierd, een feest ter ere van de cultuur, en de lezer wordt van harte uitgenodigd het mee te vieren.

Hans Driessen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden