PLETS KOUD WATER

Hij speelde in de jaren zestig met Art Blakey en Miles Davis en schreef stukken die nog steeds grote invloed hebben op het jazzcomponeren....

Wayne Shorter is de Brando van de jazz. In zijn jonge jaren waren zijn composities en zijn spel op de tenorsaxofoon zo gedurfd anders, dat het publiek en bloc voor hem viel en hij massa's volgelingen kreeg. Maar tot verdriet van zijn bewonderaars hield hij zichzelf decennialang buiten zicht, om nu en dan op te duiken in producties die onder zijn niveau lagen. Brando had Superman, Shorter deed een klusje voor Steely Dan. Gemompel is het handelsmerk van de filmacteur, bondige economie dat van de saxofonist. Zijn solo's lijken op een stapel moeilijk te ontcijferen telegrammen.

Anders dan Brando is Shorter verwikkeld in een serieuze comeback - hij oogt jong en fit op z'n 68ste. Sinds vorig jaar zomer treedt hij op met een kwartet alerte spelers die opgroeiden met zijn muziek: pianist Danilo Pérez, bassist John Patitucci en drummer Brian Blade. Hun repertoire (zie de pas verschenen cd Footprints Live!) zit vol juwelen die hij in de jaren zestig componeerde, voor zijn eigen klassieke Blue Note-platen en voor Miles Davis - stukken die nog steeds grote invloed op het jazzcomponeren hebben.

Shorter-de-componist gaat gelijk op met Shorter-de-saxofonist. Hij brak met een knal door op z'n 26ste, na een voltooide muziekstudie aan de New York University. Op dezelfde dag waarop hij in 1959 z'n eerste lp voltooide, stond hij ook voor het eerst in de studio als lid van Art Blakey's fameuze Jazz Messengers. Introducing Wayne Shorter (op het label Vee Jay) is een van de mooiste debuten uit de jazz - hoezeer die plaat intussen ook vergeten mag zijn. De geverniste klank van zijn tenorsax had wel wat van John Coltrane, maar terwijl Coltrane met een grote gedrevenheid op notenjacht ging, nam Shorter gas terug. Hij was van meet af aan een strenge redacteur van zijn vondsten.

In Harry's Last Stand snoeit hij een heftige solo terug tot een paar kale staccato noten. Terwijl hij minder en minder speelt, neemt de vaart toe: de gaten die hij laat vallen nodigen de drummer uit er in te springen. Dat staccato-motief groeit uit een figuurtje van twee noten dat verweven zit in de melodie. Wie zo speelt en componeert, verstaat de kunst een team player te zijn. Componeren komt volgens Shorter neer op 'vertraagde improvisatie', maar soms is het eerder omgekeerd: in zijn solo's speelt hij als een componist met vormen en contrasten, in plaats van pasklare licks.

Shorter bleef vijf jaar bij Blakey, maakte tegen de 25 platen met hem en hielp de band aan goede stukken. Lester Left Town bijvoorbeeld, waarin trompettist Lee Morgan de zuurzoet afdalende melodie opvreet alsof het een snack is (zijn composities doen het altijd goed op trompet, zoals Miles Davis niet ontgaan zal zijn). Uiteindelijk werd Blakey's rechtdoorzee-formule hem te benauwd en te weinig in overeenstemming met zijn steeds elliptischer stijl.

Dé vergeten Wayne Shorter-plaat van de jaren zestig staat op naam van Gil Evans. Dat de saxofonist maar op een derde van The Individualism of Gil Evans uit 1964 meedoet, maakt niet uit. De diffuse blazersarrangementen van het Evans-orkest bleken de ideale achtergrond waartegen Shorter kon schitteren. In Time of the Barracudas schildert Shorter vette donkere lijnen over Evans' heldere kleurvelden.

Miles Davis had jaren op de kans geloerd Shorter bij Blakey weg te kapen, toen de saxofonist zelf in 1964 overliep. Met zijn ritmesectie (Herbie Hancock, Ron Carter, Tony Williams) had Davis een flexibele manier ontwikkeld om standards te spelen, waarbij ter plekke nieuwe arrangementen werden bedacht. Wat ze nodig hadden, was nieuw materiaal dat de groep nog verder bracht, iets meer space-age dan My Funny Valentine. Shorter wist raad.

Zijn stukken hadden altijd al eigenaardige deuken en uitstulpingen vertoond: in plaats van de gebruikelijke 16 of 32 maten schreef er hij 15 of 21. Zijn eigen opnamen voor Blue Note (die ook in 1964 begonnen) hielpen om harmonische opvattingen in de jazz te veranderen, dankzij stukken met ambigue, raadselachtige relaties tussen verwante akkoorden. Het contrast van een koel hoofd en een verhitte tenorsax leverde aangename sixties-platen op als Speak No Evil, Ju Ju en Schizophrenia.

Miles stimuleerde Shorter verder te gaan. Vergelijk Shorters eigen versie van Footprints op de lp Adam's Apple (een doorsnee-achtige blues) met de befaamde etherische versie op de lp Miles Smiles (beide uit 1966). Het verduidelijkt nog eens hoe rigoureus Davis de stukken redigeerde die zijn bandleden aandroegen, zelfs als ze rekening hielden met zijn voorkeur voor eenvoud. Davis prikkelde ze tot het uiterste - en vice versa.

De trompettist was te trots om zich als hekkesluiter tot de free jazz te bekeren, maar zijn kwintet ging wel beetje bij beetje die kant op: vrijheid met een open einde, met Shorter-stukken die nieuwe manieren vonden om al improviserend vormen te creëren of te omzeilen.

De meeste melodieën, niet alleen in de jazz, zitten vast aan de onderliggende akkoorden. Shorter saboteerde dat hechte huwelijk. Zijn melodieën laten zich in harmonisch opzicht niet kennen. Ze steunen op onuitgesproken, maar ritmisch dwingende intervallen en bieden blazers en ritmesectie een wederzijdse onafhankelijkheid. Trompet en tenor lijken ergens boven het trio te zweven, los van elkaar. In de ballad Iris worden dezelfde akkoorden in wisselende secties in verschillende tempi herhaald, wat enige verwarring over het wie, wat en waar in de band kon creëren.

Muziek als een zen-koan: een plets koud water in je gezicht, die je van oude gewoonten bevrijdt. Zijn Masqualero draait om een streng motief van tien noten, dat naar willekeur herhaald kan worden; een niet verder in te korten epigram. Uiteindelijk componeerde hij nauwelijks nog voor het kwintet: de nieuwe mogelijkheden waren tweede natuur geworden. Zelfs Miles was als hij gaan schrijven.

Nog een jaar na het uiteenvallen van het kwintet bleef Shorter bij Davis, die aan zijn luide, elektrische fase begon. Hij vertrok in 1969. Tegen die tijd had hij de tenor goeddeels verruild voor de sopraansax, een octaaf hoger. Zoals de meeste tenoristen die later op sopraan beginnen, klonk hij minder goed op de kleinere sax, zij het minder dun en zeurderig dan anderen.

Op de platen die hij nadien maakte, hoor je Davis' ritmisch broeierige brouwsels en Shorters liefde voor Braziliaanse muziek. Native Dancer uit 1974 gaf Milton Nascimento voor het eerst de kans buiten Brazilië gehoord te worden. Het zou elf jaar lang Shorters laatste plaat onder eigen naam blijven.

Shorter verschool zich in het volle zicht van zijn bewonderaars: in de formatie Weather Report van de Oostenrijkse toetsenspeler Joe Zawinul. De Shorter-fans snapten er niets van: hij speelde nauwelijks nog - laat staan tenor. Maar de band verkocht goed en er waren critici die ervoor door het vuur gingen. De eerste lp's heetten buitengewoon sfeervol te zijn, de latere een triomf van jazzrock-vitaliteit. Jammer maar helaas: de vroege Weather Report is leeg en onbenullig, de tweede fase biedt opzichtig kabaal, gedomineerd door Zawinuls overgrote ego. Nog een miniem sprankje interesse in deze donkere jaren wekte het VSOP Quintet, een incidentele hereniging van Miles Davis kwintet, met Freddie Hubbard in plaats van Davis, die vanaf 1976 bijeenkwam.

Begin jaren tachtig werd Shorter weer actueel, toen Wynton Marsalis en andere jonge bewonderaars van het Miles Davis-kwintet zich op Shorters componeertechniek stortten. Het deed aan Brando-imitaties denken: louter buitenkant, zonder echt de methode te begrijpen. Shorter zelf bleef intussen unverfroren smakeloze platen met synthesizers maken, zelfs toen Weather Report kreunend aan zijn einde was gekomen.

De fans kregen pas weer een beetje moed door de verschijning van 1 + 1, een akoestische reünie met Herbie Hancock uit 1997. Meteen werden de laatjes met superlatieven opengetrokken, al klonken de solo's (Shorter alleen op sopraan) zo slaperig dat de som nul bleef. Het leek erop dat Shorter net als Sonny Rollins besloot de rest van zijn carrière zijn talent te verknoeien.

Maar nu is hij terug. Hij speelt weer hoofdzakelijk tenor en klinkt weer als zijn oude, glorieuze zelf. In maart hoorde ik hem in Chicago: de sopraansaxofoon kwam er nauwelijks aan te pas. Zijn kwartet speelt intuïtief: zodra het thema is gespeeld, kan de muziek alle kanten op, áls ze het thema al spelen, en het niet tot iets volslagen onherkenbaars verdraaien, zoals in de fraai geproportioneerde Shorter-klassieker Sanctuary.

De in Panama geboren Danilo Pérez is een aanwinst. Hij combineert Herbie Hancocks gespatieerde lyriek met frisse latin licks en weet Shorter te verleiden tot spontane haasje-overfiguren, zoals in Footprints en in Shorters bewerking van Sibelius' Valse Triste. Maar het kwartet heeft ook z'n problemen. Volgens Shorter hebben de bandleden geen tijd om te repeteren, en vertrouwen ze in wat er op het podium in hen opkomt. In Chicago leidde dat tot een hoop prachtige kleine momenten, maar raakte de grote lijn zoek, alsof ze elke dertig seconden opnieuw begonnen.

Aangezien de financiën bepalen dat het kwartet alleen in grote zalen speelt (doorgaans festivals waar vermoeide luisteraars te veel sterren achter elkaar horen), verlagen ze zich af en toe tot ordinaire stijlmiddelen van de arena-rock om de aandacht vast te houden - zie ook het slot van Masqualero op de cd.

Toen Shorter in zijn band zat, deed Miles evenmin aan repetities. Doordat de band zoveel tourde, pakte dat goed uit. Laten we dus maar hopen dat dit kwartet lang genoeg bij elkaar blijft om het echt voor elkaar te krijgen. Shorter eist niet zoveel soloruimte op als je zou willen, maar hij is er toch maar. In vorm. De Brando-fans zouden hun handen dichtknijpen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden