PLATEN: KLASSIEK

Rattle zoekt..

de finesses

van Schönberg

Arnold Schönberg: Kammersymphonie op. 9, Erwartung op. 17 en Variationen op. 31. City of Birmingham Symphony Orchestra en Birmingham Contemporary Music Group o.l.v. Simon Rattle. EMI Classics.

Schönberg heeft er tot zijn eigen verbazing nog een in Wenen ontmoet: zo'n dirigent die de componist uitlegde dat hij diens Kammersymphonie uit 1906 niet kon dirigeren omdat hij het werk niet begreep. Maar stel nou dat Schönberg niet in Wenen was geweest, maar - anno 1993 - in Birmingham, bij de opnamen van datzelfde opus 9 door Simon Rattle. Zou Schönberg zich daar een beetje begrepen hebben gevoeld? Vast wel. Het is immers ook verbazingwekkend wat er in krap een eeuw aan begrip kan groeien.

De Schönberg/Rattle-cd die net bij EMI Classics is uitgebracht, laat aan helderheid niets te wensen over en de selectie van werken is een uitgebalanceerde dwarsdoorsnede van Schönbergs ontwikkeling: van de verwijd-tonale Kammersymphonie via het expressionistische, vrij-atonale monodrama Erwartung uit 1909 naar de op twaalftoonsprincipes gebaseerde Variationen für Orchester op. 31 uit 1928.

Een vergelijkbare opzet is terug te vinden in de opname-reeks die Pierre Boulez eind jaren zeventig en begin jaren tachtig dirigeerde en die in 1993 door Sony op cd is heruitgegeven. Dezelfde Boulez overigens die in de jaren vijftig Schönberg verweet niet radicaal genoeg te zijn en daarmee waarschijnlijk een uitzonderlijk begrip toonde voor de 'revolutionair tegen wil en dank' die Schönberg was. Ook Boulez combineerde per cd werken uit verschillende fasen in Schönbergs oeuvre, in plaats van zich steeds te concentreren op een periode.

Het aardige is dat Rattle er toch wat andere opvattingen op nahoudt dan Boulez, zodat zijn cd geen simpele herhalingsoefening is. Het duidelijkst komen de verschillen tot uiting in de Kammersymphonie, waarvoor Boulez nog geen twintig minuten nodig heeft en Rattle maar liefst een tijd van 26:45 laat noteren. De uitvoering van Boulez heeft door de hogere tempi op sommige momenten zeker iets onstuimigs, wat voor spanning zorgt.

Rattle zoekt het meer in de finesses. En wat minstens zo spannend is in een werk dat voor vijftien solo-instrumenten is geschreven: hij geeft de musici meer ruimte, waardoor de afzonderlijke stemmen en tegenstemmen een persoonlijker indruk maken dan de vlakkere en soms afgeraffelde soli bij Boulez. Niet echt een makkelijke keuze, maar misschien is de fraaie digitale opname bij Rattle een doorslaggevende factor.

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 10 en Moesorgski: Liederen en dansen van de dood. The Philadelphia Orchestra o.l.v. Mariss Jansons, Robert Lloyd, bas. EMI Classics.

Ondanks strikte toepassing van de twaalftoonsprincipes, zag Schönberg toch kans om via de noten BACH (bes, a, c, b) in zijn opus 31 een hommage te brengen aan een van zijn lichtende voorbeelden. Een bezoek aan Leipzig in het kader van een Bach-herdenkingsjaar bracht Dmitri Sjostakovitsj op hetzelfde idee, maar dan met de letters van zijn eigen naam. Vanaf het scherzo uit zijn Tiende symfonie uit 1953 is het thema DSCH (d,es,c,b) een markant terugkerend signalement in de muziek van Sjostakovitsj.

In de opname van het Philadelphia Orchestra onder leiding van Mariss Jansons, die eveneens door EMI is uitgebracht, klinkt het thema aanvankelijk vrolijk en spits aangezet in de houtblazers, om daarna in verschillende stemmingen en gedaanten te verschijnen en via een enorme orkestexpansie weer bij de fluiten terug te keren. Een dergelijke opbouw is Jansons toevertrouwd: bevlogen, explosief (hier en daar hoorbaar meetellend) en met een stevige greep op het grote geheel is zijn lezing beslist de moeite waard. Hetzelfde geldt voor Moesorgski's Liederen en dansen van de dood (in orkestratie van Sjostakovitsj), waarin bas Robert Lloyd excelleert in Russisch leed.

Sergej Prokofjev: Symfonieën nr. 6 en 7. The Cleveland Orchestra o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca.

Tussen Prokofjevs Zesde symfonie, gecomponeerd in de eerste jaren na de oorlog, en de Zevende symfonie uit 1952 liggen werelden van verschil. Leidde het onbegrip ten aanzien van Schönberg in een stad als Wenen hooguit tot rumoer en giftige recensies, in de Sovjet-Unie waren de consequenties ingrijpender. Gelijkberechtiging van de twaalf tonen en emancipatie van de dissonant behoorden bepaald niet tot het communistische ideaal.

Na zijn Zesde symfonie kreeg ook Prokofjev zware kritiek te verduren. Het 'vrolijke' karakter van zijn Zevende en laatste symfonie wordt meestal direct in die context geplaatst. De combinatie van de twee symfonieën op de nieuwe Decca-uitgave met het Cleveland Orchestra gedirigeerd door Vladimir Ashkenazy is in historisch verband een logische keuze, maar daarmee niet vanzelfsprekend de meest gelukkige.

Naast de Zesde valt de Zevende symfonie toch wat in het niet, hetgeen versterkt wordt door de afstandelijke opname. Zeker het walsachtige tweede deel huppelt vlotjes voorbij, en bepaalde accentueringen van orkestgroepen komen niet uit de verf. De iets oudere DGG-opname met de Berliner Philharmoniker onder leiding van Seiji Ozawa is in de uitvoering wat trager en logger dan Ashkenazy maar beklijft veel meer door het raffinement in de opname. PH

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.