PLATEN: JAZZ

Zwoele, vurige funk van Ndegéocello in de geest van Prince..

Me'Shell Ndegéocello: Peace Beyond Passion. Maverick 9362-46033-2.

Ooit bedankte ze voor de eer om bassiste te worden bij de zwarte rockgroep Living Colour. Dat zegt veel over

Me'Shell Ndegéocello. Niet alleen over haar kwaliteiten op de basgitaar, maar ook over haar zelfvertrouwen: toen wist ze al dat ze het op eigen kracht ver kon schoppen.

Een naam om je tong over te breken, maar Me'Shell Ndegéocello is een van de grote nieuwe talenten van de Amerikaanse popmuziek. Haar debuut Plantation Lullabies was een van de bijzonderste platen van 1995: een veelzijdig album waarop de zangeres en multi-instrumentaliste soepel manoeuvreerde tussen hip hop, funk, rhythm 'n' blues en jazzrock, en daar steeds haar eigen stempel op wist te drukken.

Ook Peace Beyond Passion is een aangename verrassing. Ze toont zich opnieuw een uitmuntend componiste, die elementen uit verschillende zwarte stijlen samen laat vloeien. In haar eclecticisme doet ze denken aan Prince, met wie ze veel gemeen heeft: de verwijzingen naar God en de bijbel, haar virtuoze arrangeer-talent, en het feit dat ze een groot aantal instrumenten zelf bespeelt. Voormalig Prince-gitariste Wendy Melvoin is een van de gastmuzikanten op Peace Beyond Passion, een cd die ook in de vocale arrangementen is geïnspireerd door de Prince-traditie.

Toch is Me'Shell een oorspronkelijk talent, voor wie de vorm van haar songs ondergeschikt blijft aan de inhoud: ze zijn afwisselend zwoel en vurig, en tonen een zangeres/componiste die door emotie wordt gedreven.

George Clinton: T.A.P.O.A.F.O.M. Epic 483833 2.

George Clinton was in mei al te zien op het Drum Rhythm-festival in Amsterdam, maar dit weekeinde keert hij terug naar Nederland voor een concert op North Sea. In de periode tussen beide festivals verscheen T.A.P.O.A.F.O.M., een titel die staat voor: The Awesome Power Of A Fully Operational Mothership. Dat de godfather van de p-funk zijn originele groep, waarmee hij in de jaren zeventig zijn beste platen maakte, weer bij elkaar heeft, is goed nieuws.

Desondanks heeft het Clinton niet die extra duw kunnen geven die er, in ieder geval op papier, in zat. De lange tracks swingen en funken zoals je mag verwachten van The Mothership, maar toch bekruipt je het gevoel dat dit moederschip niet helemaal op volle toeren draait.

James Taylor Quartet: Living Underground. Dureco 1162212.

Het James Taylor Quartet (JTQ) is een van de groepen die opkwamen tijdens de Britse acid-jazz golf van de jaren tachtig. Dit jaar viert het gezelschap zijn tienjarige jubileum met Living Underground, waarop Taylor zich opnieuw onderscheidt als een meester op de Hammond.

Living Underground, dat in Nederland eerder wordt uitgebracht dan in de rest van de wereld omdat het JTQ zaterdag op North Sea speelt, grijpt terug op verschillende tradities. Acid-jazz met funky wah wah-gitaren wordt afgewisseld met rock en jazz rock, die verwijst naar de late jaren zestig, toen eerdere sterren op de Hammond (Steve Winwood van Traffic, Gregg Rolie van Santana) hun beste platen maakten.

Het JTQ maakt uitsluitend instrumentale muziek, maar deze beperking wordt handig omzeild in de lang uitgesponnen composities. De diverse solisten (naast Taylors Hammond vooral ook gitaar) weten de nummers steeds een andere kant op te sturen. GvV

George Benson serveert halfvolle funk

George Benson: That's Right. GRP 98242.

Bill Frisell Quartet: idem. Nonesuch 7559-79401-2.

Charlie Hunter Quartet: Ready. . . Set. . . Shango! Blue Note CDP 7243 8 37101 2 6.

Drie gitaristen, drie manieren om de luisteraar te behagen. Wat meteen opvalt is dat techniek weer eens geen garantie biedt voor kwaliteit. George Benson is waarschijnlijk de meest vingervlugge van het drietal, en vlammen kan hij wel degelijk, vooral tijdens concerten. Maar hij heeft al jaren geleden de commercie omarmd, en over zijn nieuwste cd hangt een synthetische studio-sfeer die alle leven smoort onder een laag suikerglazuur.

Er zijn wat puur instrumentale nummers, wat stukken waarop Benson zijn gitaarlijnen dubbelt met scat, en wat liedjes waarop hij zijn Stevie Wonder-achtige zang etaleert. Veel medium-tempo's, met een scheutje halfvolle funk uit de drumcomputer en clichématige wendingen die de bedoeling hebben het publiek te masseren, niet in het nekvel te grijpen. Af en toe, met een zigzaggend loopje in dubbeltempo, laat de gitarist horen wat hij kan. Het leverde hem waarschijnlijk een bestraffende blik op van producer en gladstrijker Tommy LiPuma.

Charlie Hunter pretendeert geen kunst met eeuwigheidswaarde te maken, maar zijn tweede cd voor Blue Note straalt tenminste plezier uit. Hunter is 28, en dus jong genoeg om een en ander te begrijpen van moderne beats, maar hij distantieert zich van de acid jazz door de muziek op te hangen aan een fictieve dans, de shango. Een humoristische presentatie van een serieuzere instelling, want er is meer aan de hand dan dansmuziek gelardeerd met stukjes jazzsolo. Er worden ritmes van Muddy Waters opgevoerd tot stadse grooves, maar ook wat Kind Of Blue-achtige modale jazz. Iedereen is een beetje drummer, ook de gitarist en de twee saxofonisten, en het collectief houdt geen moment op met swingen.

Ook Hunters achtsnarige gitaar, waarmee hij zelf de baspartijen levert, is meer dan een gimmick. Hij vormt de basis van een persoonlijke speelwijze, een funky variant op het flat picking uit de countrymuziek. Het is geen betonnen-heipalen-bas, het geeft de nummers iets lichts en glijdends. De gitaarsolo's zijn een concentraat van leuke ideeën, gebracht met een soms verrassend vervormde toon.

Het werk van Bill Frisell is van een andere orde. Zonder vuur te spuwen met de zes snaren is hij uitgegroeid tot een invloedrijk gitaarstilist, en hij schrijft betoverende stukken.

Toen drummer Joey Baron opstapte, kwam er een eind aan het trio waarmee Frisell jarenlang zijn werk had gepresenteerd. Hij besloot door te gaan zonder bas of slagwerk, met een nieuw groepsgeluid, dat naast zijn gitaar is opgebouwd uit trompet, trombone, viool en een spaarzaam gebruikte tuba.

Geen solo's met ritmesectie dus, maar een orkestrale werkwijze waarin iedere partij meewerkt aan de ritmische en harmonische voortgang. Die worden slechts licht aangestipt, zodat de ruimtelijkheid die we van Frisell kennen nog steeds voelbaar is.

Op het eerste gehoor is de muziek lieflijker dan ooit, en wie op uitbarstingen zit te wachten komt bedrogen uit. Wie zich laat meeslepen ontdekt echter hoe sterk de ritmische onderstroom is en dat zich onder de ravissante melodieën allerlei duisters afspeelt. De melancholieke komedies van Buster Keaton vormden de aanleiding voor wat composities, en vooral de macabare humor van Gary Larson, in diens tekenfilm Tales From The Far Side. Het gelijknamige nummer zwenkt net als de film door een ogenschijnlijk vredig platteland, maar eindigt in de schuur van Boer Frankenstein, waar de gitaar doffe klappen en gesmoorde kreten uit laat opklinken. Egg Radio is een pastiche op rock 'n' roll-ballades, die opklinkt vanuit de auto waarin twee eieren zitten te vrijen. Tot er een vrouw verschijnt met een grote mixer.

Nicholas Payton: Gumbo Nouveau. Verve PolyGram, 531 199-2.

In een van de meest slijmerige teksten ooit in cd-boekjes aangetroffen wordt iedereen weer bedankt, maar Nicholas Payton heeft reden voor dankbaarheid. Hij is 22, bezit een indrukwekkende trompettechniek met een glanzende toon en heeft al een vet platencontract.

Zoals hij al eerder deed met het New Orleans Collective brengt hij een ode aan zijn geboorteplaats, met stukken van Louis Armstrong, Jelly Roll Morton en traditionals als When The Saints. Dat laatste wordt spitsvondig uitgerekt en bewerkt tot een ontspannen rumba, zoals de meeste stukken aanleiding waren voor een zonnig soort post-bop die weinig met de bron te maken heeft, al geeft drummer Adonis Rose het ritme soms een duwtje in de rug met zo'n typische second line backbeat.

Hoewel een groep als het David Murray Octet het karakter van New Orleans veel dichter benadert, met zijn uitbundig doorleefde collectiviteit, blaast Payton veelbelovende dingen op zijn singing horn. FvH

James Carter stoeit met tachtig-plussers

James Carter: Conversing With The Elders. Atlantic 82908-2.

Het leukste stuk op de tweede Atlantic-cd van James Carter is zijn duet met trompettist Lester Bowie: FreeReggaeHiBop. De vrolijk hikkende reggae-pastiche, met smeuiige vegen uit Bowies trompet en watervlugge commentaren van Carters tenor, vat het best samen wat deze jonge virtuoos voor ogen staat: aanstekelijke muziek, waarin bevlogen musiceren samengaat met een volslagen gebrek aan plechtstatigheid.

Atlantic beeldt Carter op het cd-doosje af zoals iedere jonge jazzmuzikant er tegenwoordig uit moet zien: als een dressman in een modeblad. Ook de opzet van de cd - de combinatie van een jong talent met grote namen uit het verleden - past geheel in de marketing-gedachte. Maar Carter is een te vrijgevochten talent om zich door dat soort strategieën te laten inpakken.

Conversing With The Elders biedt onbevangen duetten met gelauwerde solisten, onder wie Bowie, baritonsaxofonist Hamiet Bluiett en de tachtig-plussers Harry Sweets Edison en Buddy Tate. Met zijn geweldig opruiende, vurige spel op alt, tenor en baritonsax houdt Carter zich niet alleen uitstekend staande, de onverminderd fris klinkende tachtigers verleidt hij ook tot muzikale stoeipartijen. Ronduit stemmig is de klarinet-combinatie met Tate, in een nobele, schaduwrijke vertolking van Blue Creek.

Een bewijs van Carters ruimdenkendheid is ten slotte dat hij tussen klassiekers van Lester Young, Parker en Coltrane een stuk van de avantgardist Anthony Braxton vertolkt - die rekent hij terecht ook tot de elders die respect verdienen.

Carnegie Hall Jazz Band. Blue Note 36728.

Naast het Lincoln Center Jazz Orchestra en het American Jazz Orchestra is de Carnegie Hall Jazz Band een nieuw, gesponsord jazzorkest dat de Amerikaanse big band-traditie in stand wil houden. De groep onder directie van trompettist Jon Faddis speelt bekend repertoire in nieuwe arrangementen, en doet dat heel goed. Het gave ensemblewerk is te danken aan de bezetting met namen als trombonist Steve Turre, tenorist Ralp Lalama en drummer Lewis Nash.

De composities zijn nogal uitgekauwd (In The Mood, Shiny Stockings, Sing Sing Sing), maar de arrangementen zitten vol inventieve wendingen en charmeren door een gedoseerde dynamiek, waarin machtig aanzwellend koper in een handomdraai verandert in een weemoedige zucht. Fraai is Slide Hamptons lange Frame For The Blues, dat als een toverbal allerlei zachte tinten blauw vertoont. In de gedetailleerde klankproduktie komen dergelijke nuances fraai tot hun recht.

Myth Science: Love In Outer Space. Knitting Factory KFW 183.

Net als na de dood van Thelonious Monk heeft het overlijden van Sun Ra ruimte geschapen voor andere interpretaties van diens muziek. Het New-Yorkse kwintet Myth Science is een van de groepen die zich sinds kort specialiseren in Sun Ra-repertoire - een terrein waarop pionierswerk valt te verrichten.

Love In Outer Space biedt live opgenomen vertolkingen van zeven Ra-stukken, waarbij de bassist en muzikaal leider Reuben Radding voorbij gaat aan de meest voor de hand liggende composities, zoals het vocale We Travel The Spaceways. Myth Science mist de roekeloze overgave die Sun Ra's Arkestra zo'n krankzinnige punch gaf, maar in altist Briggan Krauss en keyboardspeler Anthony Coleman heeft de groep leuke solisten.

Het luidruchtig suizende, krakende en voluit schmierende orgeltje had Sun Ra ongetwijfeld een goed humeur bezorgd. EvdB

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.