Plasterk denkt niet door

Minister Plasterk wil meer flexibiliteit in het hoger onderwijs. Esther-Mirjam Sent denkt dat dit niet past in de Nederlandse egalitaire en zuinige cultuur....

Esther-Mirjam Sent

Volgens minister Plasterk van Onderwijs zou een onderscheid tussen het hbo en de universiteiten moeten komen te vervallen. Hij vindt dat studenten beter moeten kunnen doorstromen en meer maatwerk aangeboden moeten krijgen. Ik vind dat hij verder door zou moeten denken. Graag help ik hem daarmee.

De flexibilisering van onderwijsprogramma’s lijkt op zichzelf een goed idee. Voor veel leerlingen komt de keuze immers veel te vroeg: met 18 jaar, of eigenlijk al met 12 jaar. En waarom is het hoger onderwijs alleen maar op abstractie gericht? Waar kan een metselaar of elektricien terecht die zich verder in zijn vak wil verdiepen?

Maar er is meer aan de hand. Plasterk noemt het Amerikaans model als belangrijke bron van inspiratie. En daar wringt de schoen. Het grootschalig overnemen van methoden en praktijken van het ene systeem door het andere is immers doordrenkt van gevaar en kan onbedoelde gevolgen meebrengen. De minister gaat voorbij aan de grote verschillen tussen het onderwijssysteem in de Verenigde Staten en dat in Nederland.

Laat ik mij beperken tot de universiteiten. Terwijl in de VS de markt regeert, wordt de Nederlandse wetenschappelijke wereld aangestuurd door de bureaucratie. Waar Amerikaanse studenten aan de poort worden geselecteerd, mogen Nederlandse universiteiten nog steeds niet op kwaliteit selecteren. Waar mijn (voormalige) studenten aan de University of Notre Dame in Indiana 38.000 dollar (bijna 27.000 euro) tuition betalen, zijn mijn studenten aan de Radboud Universiteit Nijmegen 1.620 euro collegegeld kwijt. Waar mijn Amerikaanse studenten 24 uur per dag en 7 dagen per week de bibliotheek bevolken, besteden mijn Nederlandse studenten gemiddeld 32 uur aan hun studie. Terwijl ik in Amerika tot laat in de avond in mijn kantoor was te vinden, word ik er aan de Radboud Universiteit Nijmegen om 22.00 uur uitgeknikkerd.

Als de minister echt flexibiliteit wil, dan moet hij verder gaan dan het afschaffen van het onderscheid tussen hbo en universiteit. Dan moet hij denken aan meer marktwerking, selectie aan de poort, variabele collegegelden en flexibele studie- en werktijden. Hoe past dit binnen het Nederlandse egalitaire denken? En welke onbedoelde gevolgen kan dit hebben? Graag neem ik die met u door.

Plasterk staat een systeem voor waarbij instituten concurreren op kwaliteit. In zo’n scenario is een formeel onderscheid tussen hbo en universiteit inderdaad overbodig. Voordat dergelijke competitie geïmplementeerd kan worden moet echter het hele onderwijssysteem op de schop – de minister denkt niet door. Drastische veranderingen in het hoger onderwijs sijpelen namelijk door naar het middelbaar onderwijs.

Als het hoger onderwijs selecteert aan de poort, worden eindcijfers in het middelbaar onderwijs, en de specifieke school waarop men gezeten heeft, ook belangrijker. We kunnen Amerikaanse toestanden verwachten met ouders die extra lessen kopen voor hun kinderen, speciale examentrainingen, en zelfs commerciële bureaus die toelatingsessays voor de universiteit schrijven, et cetera.

Competitie in het hoger onderwijs bewerkstelligt ook competitie in het middelbaar onderwijs, en wie weet waar nog meer. En hoe zit het met geografische mobiliteit? In Nederland wordt een hoger onderwijsinstelling gedeeltelijk gekozen op nabijheid, en dit beperkt de mogelijkheden van een systeem dat via marktwerking kwaliteit probeert te bewerkstelligen.

Begeeft Plasterk zich op dit pad, dan moet hij ook de controle uit handen geven. En dat terwijl de Nederlandse wetenschappelijke wereld zucht onder een overvloed aan toezicht. Uitgaande van wantrouwen, is er een enorm bureaucratisch circus opgetuigd. Gewend aan vertrouwen in de VS, verzucht ik vaak dat ik in Nederland meer tijd kwijt ben aan het verantwoorden van mijn onderwijs en onderzoek dan aan de uitvoering ervan.

In de rapporten van de ambtenaren van Plasterk valt te lezen over kenniseconomie, internationale positionering, topstudies, studentenportfolio’s, multidisciplinaire kennisstrategieën, onderzoeksscholen, toelatingsrestricties, postdocprogramma’s, de bachelor-masterstructuur, studievouchers, variabele collegegelden, et cetera. Thomas von der Dunk heeft dit terecht als prozac-taal bestempeld.

De pogingen van het ministerie bovengemiddelde universiteiten te creëren als Harvard-aan-de-Maas, Stanford-aan-de-Waal en Princeton-aan-de-Rijn doen me denken aan Lake Wobegon, een fictieve Amerikaanse stad die bedacht is door de humorist Garrison Keillor. Elk verhaal over dit plaatsje in Minnesota begint met: ‘Welkom in Lake Wobegon, waar alle vrouwen sterk zijn, alle mannen aantrekkelijk en alle kinderen bovengemiddeld.’

Ik hoop dat Plasterk beseft dat dit slechts Amerikaanse fictie is. De Nederlandse werkelijkheid is dat onze investeringen in onderzoek en ontwikkeling blijven hangen op het OESO-gemiddelde van 1,5 procent van het bruto binnenlands product. Willen we internationaal kunnen meedraaien als kennisland, dan moet die investering flink omhoog. Helaas botst ook dit met de Nederlandse cultuur, want we zitten graag voor een dubbeltje op de eerste rang.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden