Plaats voor iedereen

STUDEREN, DE VERVELING VERDRIJVEN OF LIEFDESBRIEVEN SCHRIJVEN: ALLES KAN IN DE CENTRALE BIBLIOTHEEK IN ROTTERDAM. IEDEREEN IS WELKOM, OOK OM TE WACHTEN TOT HET THUIS WEER STIL WORDT....

Eerst kon niemand zonder meneer Janssen. De mensen van het havenbedrijf stuurden hem steeds met spoed naar het Midden-Oosten of Amerika. Tussendoor reisde hij de Europese hoofdsteden af, op zoek naar handel voor een groot Japans warenhuis. Op een gegeven moment hadden de Japanners iemand anders gevonden en bleek de nieuwe baas van het havenbedrijf een jong ventje dat alles beter wist. Voor z'n vervroegd pensioen deed z'n vrouw hem een abonnement op de openbare bibliotheek cadeau.

De laatste veertien jaar fietst meneer Janssen 's ochtends van Alexanderpolder naar de centrale bibliotheek van Rotterdam. Om elf uur zit hij rechtop aan een tafeltje op de eerste verdieping, met een gestreken overhemd en gelakte gaatjesschoenen. In gedachten kijkt hij uit over een oude haven, zegt meneer Janssen, waar het ouderwets gezellig is. In werkelijkheid staat een grote computer in zijn zicht. Alles over de euro kun je daarin opvragen.

Hier houdt meneer Janssen contact met de wereld. Hij leest de Transportkrant, het tweewekelijkse Friends in Business en bladert in geschiedenisboeken over havens en rederijen. Daarna zijn er de kranten en tijdschriften in het Nieuwscentrum en de kopjes koffie in café Dik.t beneden. Soms kijkt hij even op Teletekst wat Excelsior heeft gedaan en vandaag wierp hij ook een heimelijke blik in Louter lust van Lydia Rood. Meestal blijft hij zitten om voor zich uit te kijken. 'Er is hier veel beweging.'

In de bibliotheek van Rotterdam is altijd wat te doen. Je kunt schaken in de ontvangsthal of uren ernaar kijken, je kunt muziek luisteren, stripboeken lezen, puzzelen en er zijn kranten uit alle landen van de wereld. Je vindt er ook gezelschap, koffie en stilte voor als het thuis zo lawaaiig is dat je er hartklachten van krijgt. Alles is er goedkoop: familierecht studeren als je vrouw er vandoor is, catalogi doorspitten op zoek naar postzegels van een dubbeltje of per brief contact zoeken met een leuke Russische vrouw.

Plek is er altijd - deze bieb is de allergrootste van Europa. Het gebouw heeft zes verdiepingen met samen 14.000 vierkante meter slijtvaste vloerbedekking. Iedereen kan het vinden, het staat tussen Blaak en Hoogstraat op een marktplein in het centrum van de stad. Allerlei beroemde gebouwen staan eromheen: de kubuswoningen, de Sint Laurenskerk en de zeshoekige flat met het puntdak dat ze het potlood noemen. Gemiddeld komen er vijfduizend mensen per dag. Ze doen waarvoor ze gekomen zijn en gaan daarna weer weg.

Er zijn er ook die blijven zitten. Jaren achter elkaar urenlang per dag, op vaste tijden en altijd op dezelfde plek. De keurige meneer achter het scherm met microfiches verzamelt opstellingen van het vooroorlogs amateurvoetbal en de norse man op de tweede met het geheime vluchtverhaal bestudeert al vijf jaar de opkomst van het bolsjewisme. Als Kees een schilderij heeft gekocht of een handvol oude munten, komt ie de volgende dag uitgebreid opzoeken wat het waard is. Hier is het droog, kun je plassen voor een kwartje en laten ze je met rust. Tenzij je mensen uitscheldt op de roltrappen of in slaap valt op de uitleenbalie. Dan duwen bewakers je naar buiten en zeggen ze: 'Morgenvroeg bent u de eerste.'

Straks trekken de gepensioneerden hun dagelijkse sprint naar hun vaste stekken. Nu zijn de deuren nog niet open. Het is kwart voor tien, op het marktplein wachten al zo'n vijftig bezoekers. De gepensioneerden staan met de ruggen tegen de deur, zodat niemand ertussen kan piepen, en bespreken kort het nieuws van deze ochtend. Een man met een linnen tas vindt dat Louis van Gaal te veel krediet heeft verspeeld en zijn vriend is blij dat hij nooit aandelen van Philips heeft gekocht. Dan worden ze onrustig: de bewaker met de sleutel komt eraan.

Traag draaien de elektrische deuren open, maar een gaatje is al genoeg. Daar gaan ze: door de ontvangsthal, langs het grote schaakbord met de bankjes ernaast, door de poortjes, linksaf langs de uitleenbalie naar de roltrappen. Met rechte rug om de boel nog wat waardigheid mee te geven, lijkt het groepje op een haas bij hardloopwedstrijden. Alle bezoekers denken nu dat er haast is en zetten het op een lopen. Twee minuten na openingstijd is de bibliotheek volledig in gebruik.

Ook vandaag hebben ze weer zes ongekreukte lievelingskranten uit de houten bakken gegraaid. Ze zitten aan een vierkante tafel bij het raam, met uitzicht op het plein en de koffieautomaat binnen bereik. Drie stoelen staan eromheen: Fred zit links, Hans rechts en Henk zit aan het hoofd van de tafel. Met de wijsvinger jagen ze door de berichten, zeggen 'tjonge jonge', vervloeken binnensmonds de hoge heren in Den Haag, slaan de pagina's om, klappen de kranten weer dicht en kwartetten ze vervolgens over de gladde tafel naar de volgende: 'Hierzo!'

'We motten toch w t te doen hebben', snauwt Hans. Ook als hij praat blijft zijn vinger langs de regels gaan. 'We kletsen ook wat af', zegt Fred, 'het is het enige vertier dat we hebben.' En de oudste: 'Ik heb Rotterdam nog helpen opbouwen.'

Na anderhalf uur wandelt er eentje terug naar het bejaardentehuis, blijkt de linnen tas te zijn meegenomen voor goedkope groente van de markt en wil de derde weten of er nog iets in het Centraal Weekblad staat of de Waarheidsvriend. 'Tot morgen', zeggen ze, zonder elkaar aan te kijken.

Vanochtend gebeurt er bijna niets. De eerste lichting baliemedewerkers zit op zijn plek en een paar dames zoeken fatsoenlijke romans op de tweede verdieping. Overal staan rekken met boeken. Je moet erachter kijken, langs de ramen en de muren lopen, om wat mensen te vinden. Daar prevelt een Arabische man z'n eerste Nederlandse woorden en doen twee meisjes huiswerk aan een ronde tafel - achter elk hoofddoekje verdwijnt een oordopje van dezelfde walkman.

Straks gaat dit allemaal veranderen en kun je alles zien. Bij de bieb gaan ze denken vanuit de klant, net zoals De Bijenkorf dat doet. Dat betekent: balies weg en pro-actief personeel in herkenbare bedrijfspolo's op de vloer dat weet waarvoor de klant komt. De boekenrekken gaan allemaal aan de kant, zodat er grote open ruimten ontstaan. Als je daarin clustertjes voorgeselecteerde boeken uitstalt, speel je in op het grote vraagpatronenonderzoek - mensen blijken vooral voor vakantieboeken te komen - en zal er meteen minder worden geneukt in de studiecellen.

Ook Hans van der Tholen (43) zal dan uit z'n favoriete donkere hoekje worden gehaald en in een ergonomische zitmeubel verder moeten studeren. Zeven jaar geleden maakte hij een louterende smak op het perron in Leiden. Hij probeerde een trein te halen, struikelde, brak een schouder en kon weer bij z'n ouders in Schiebroek gaan wonen. Herstellend op de tweezitsbank kwam z'n leven hem ineens als doelloos voor, en solitair. Een scheutje 'ongepolijstheid' kon geen kwaad en dus bood Hans zich aan als vrijwilliger in de Pauluskerk en begon hij een studie theologie aan de vu in Amsterdam.

Even de markeringsstift terzijde gelegd. Het kan gemakkelijk - Hans van der Tholen haalt alleen maar achten en negens. Al twintig jaar drie lange dagen per week studeert hij zich hier een ongeluk. In de bieb is het rustig, heb je de beschikking over goede theologische werken en zijn er geen pratende ouders in de buurt. 'Ik weet dat verslaafden alleen naar mij luisteren om ergens binnen te kunnen zitten', zegt hij met beslagen brillenglazen van de hete thee. 'Toch wil ik graag iets op hen overbrengen.'

Als predikant krijg je daartoe de meeste kans. Misschien dat er nog tijd overschiet om een proefschrift te schrijven over de houding van Abraham Kuyper ten op zichte van de moderniteit. Moet hij wel hard blijven werken. De thee is op, met een schuin oog kijkt Hans alweer naar z'n boeken. Het is nog maar zes uur tot het avondeten.

'Mijn leven is van hup en hup', zegt meneer Schuiling. Iedere dag tussen tien en kwart over een zit hij aan dezelfde tafel langs de balustrade van de vijfde verdieping. Voor zijn neus liggen Russisch-Nederlandse woordenboeken, minstens dertig A4-tjes met Russische teksten, enveloppen en brieven. Ertussen zie je ook een foto van een lachende vrouw met een vrolijk hoedje op het achterhoofd. 'Eerst een paar feiten', zegt hij. 'Ik ben ook musicus geweest. Ik kan daarover geen logische dingen zeggen. We beperken we ons tot de taal. Hebt u er last van dat ik scheel kijk?'

Meneer Schuiling heeft een geheim. Me de werkers van de bibliotheek kennen hem als de vertaler die je beter met rust kunt laten. Soms komt er een gevormde volzin uit zijn mond, meestal is het vloeken en schelden wat ie doet. Al twintig jaar gaat hij kromgebogen en zenuwachtig door zijn papieren. Maar het is geen belangrijke literatuur waarmee hij zich bezighoudt. Het zijn liefdesbrieven aan Rus sische vrouwen die hij in contactadvertenties heeft gevonden. Hij lacht gemeen: 'Geniaal, hè?'

Eerst studeerde Rolf Schuiling Russische letterkunde in München. Dat was vlak na de oorlog. Meteen daarna begon hij met zijn brieven. Want wat de Russen wel bezitten en wij in Nederland dus helemaal niet: inlevingsvermogen, de kunst om de ziel bloot te leggen in een handschrift om te zoenen. Daarvan kun je zo in vervoering raken dat je je huis opzegt en schrijft dat je eraan komt, ook al schrijven ze nog zo hard terug dat je niet welkom bent. 'Sinds twee jaar zit ik daarom in een moeilijke periode', zegt hij. 'Nog een geluk dat ik zo sterk ben.'

Het meest succesvolle jaar uit het leven van meneer Schuiling was 1977. Met negen adressen op zak nam hij de trein naar Moskou. Lan ger dan een uur duurden de bezoekjes nooit. Er liep een brutaal kind door de huiskamer, ze probeerden hem een tentoonstelling binnen te lokken of er was iets ondefinieerbaars in de stem dat hem onmiddellijk de keel uithing. Meneer Schuiling nam zijn koffer en stapte naar de volgende mooie vrouw. Na een week zat hij alweer op de vijfde verdieping van de bibliotheek in Rotterdam.

De kunst is: doorgaan, hoop blijven houden. Voorlopig willen ze nog vooral naar Nederland komen, maar ooit zit er eentje tussen met wie hij nog een paar jaar in Rusland kan samenzijn. Eigenlijk is meneer Schuiling al 83, maar als je schrijft dat je 70 bent, reageren alle vrouwen van 50-plus.

Om half twee is het al wat drukker in de bieb. Bij het internetterras op de eerste staat een lange rij jongeren op hun beurt te wachten en op de afdeling klassieke muziek luisteren mannen met puntbaardjes en koptelefoons ingespannen naar een meesterwerk.

Tussen de rekken 'kamermuziek met piano' staan drie vrouwen met leesbrillen. Een vrouw met een broekrok zegt: 'Ik heb wel weer eens trek in iets moeilijks.' Haar vriendin is door de knieën gegaan om de onderste planken te doorzoeken. Vanachter een bultje regenjas komt het: 'Wat dachten jullie van een romanticus?' Mevrouw Van Tongeren is dan al klaar met haar dagelijkse ritueel. Het resultaat daarvan houdt ze stevig in handen: drie geromantiseerde liefdesgeschiedenissen uit het oude Oostenrijk - allemaal juist ingekocht door de bieb.

Mevrouw Van Tongeren leest alleen de allernieuwste boeken. De andere kent ze al van buiten. Haar dag bestaat uit: 's ochtends boeken halen, 's middags boeken lezen op de bank en 's avonds nieuwe boeken lezen in bed. 'Ik heb geen spanning en ik heb geen verdriet', zegt ze. 'Wat is er dan heerlijker dan lezen?'

Liever nog dan over literatuur praat mevrouw Van Tongeren over medische missers in het Dijkzigt-ziekenhuis, die niet alleen haar, maar ook vrienden, familie en kennissen jaren van het leven hebben gekost. Er komt een vloed aan voorbeelden, allemaal even erg, maar daarvan mag niets in de krant. Zichtbaar opgelucht loopt ze anderhalf uur later naar beneden om in café Dik.t de boekbesprekingen in Vrij Nederland door te nemen. Op de roltrap naar beneden kruist ze de tandeloze Zekic Slobodan. Dat is wel even schrikken.

Alle Rotterdammers noemen Zekic 'Witte Jas'. Dat komt: sinds 25 jaar draagt hij dezelfde witgeschilderde leren jas. Het ding is beslagen met goudkleurige kruistekens en punten, die terugkomen op z'n handschoenen en zwartleren puntschoenen. De laatste vijftien jaar kopieert hij iedere middag voor 6 gulden artikelen uit allerlei obscure en paranormale tijdschriften. 's Nachts, tussen twee en zes, wordt er gewerkt: gelezen, nagedacht en analyses gemaakt. 'Ieder jaar gaat het denken soepeler', zegt hij. 'Net als met kung fu.'

De vraag die hem de laatste weken wakker heeft gehouden: 'Hoe komt het dat de bliksem nooit inslaat in een juwelierszaak?' Zelf weet Zekic het antwoord al. Zeggen wil hij het niet. 'Wees een detective', zegt hij. 'Doe navraag bij juwelierszaken en brandweerkazernes. Jij komt iets ongelooflijks te weten.' Hij haalt een joint achter een gouden jasknoop vandaan en kijkt geheimzinnig over de zwarte zonnebril: 'Het antwoord is even overweldigend als de ontdekking dat de aarde rond is.'

Er hangt een felgele jas over een stoel op de derde. Die hangt daar vier uur per middag en behoort Gosse toe; een voorkomende man van 60 met een fijn snorretje langs de bovenlip. Gosse vindt een heleboel gratis dingen leuk om te doen - de natuur bekijken, schelpen zoeken aan het strand van de Noordzee en postzegelcatalogi uitpluizen in de bibliotheek. Dat komt goed uit. Sinds zijn boekwinkel veertien jaar geleden failliet ging, is hij zo arm als de ratten in de kerk.

Honderdduizend goedkope postzegels heeft Gosse in zijn leven bij elkaar gespaard. Ze zitten in albums van verschillend formaat met gomstrookjes tegen een zwartpapieren achtergrond. 'Dat geeft een schitterend effect', zegt hij. Van de twee kamers van zijn flat is er eentje gevuld met zelfgetimmerde boekenkasten. Alle albums staan daarin netjes op een rij. 'Ik woon maar alleen', zegt hij. 'Bij mij klaagt dus niemand over ruimtegebrek.'

Van een postzegel van een dubbeltje heb je veel plezier. Eerst zoek je hem op. Dan koop je hem op de markt of de beurs. Thuis haal je ze uit het zakje, spreidt ze uit over de tafel en bestudeert ze met een loep. Vervolgens gaan ze in stopboekjes. Als die vol zijn, verhuizen ze naar hun definitieve plek in de albums - 'Heb je ze nóg een keer in handen'. Tijdens dat werkje bekijk je de pagina waar de zegel komt opnieuw. 'Mag je ze voor de derde keer bewonderen.'

Vorige week kocht Gosse vier vlinderzegels van de Seychellen. In een catalogus zag hij dat ze deel uitmaken van een serie van acht. Compleet krijgt hij die niet: de andere vier kosten 35 dollar per stuk. Maar wat geeft het - ze hebben ook nog namen waarmee je wat kan. Gosse sorteert op de Latijnse namen. Van de vlinders op de nieuwe Seychellen-zegels kent hij alleen de Engelse. Hij wrijft in zijn handen. Dat wordt lekker de hele middag zoeken en speuren in woordenboeken en encyclopedieën. 'Dat geeft een heel grote sport.'

Andere postzegelliefhebbers komen ook vaak in de bieb. Dan maken ze een praatje met Gosse of ruilen ze de dubbelen. Thuis uitnodigen om over de hobby te praten, doet hij niet. Ze hebben hem zijn boekwinkel al eens afgenomen - bij de postzegels komt niemand in de buurt.

Twee mannen dribbelen door de hal. Tibor Tasnàdi en Johan van der Poel kennen elkaar niet, maar zijn beide knettergek geworden. Tibor van de speelplaats voor z'n huis - tussen twaalf en zeven dreunen de voetballen tegen een houten hek. Johan heeft een borende, bonkende en treiterende psychiatrische patiënt met het borderline-syndroom als bovenbuurvrouw. Om de toezichthouder van de speelplaats niet in brand te steken en om de deur van de buurvrouw niet in te slaan met een bijl, zoeken ze de rust van de bibliotheek. Voort durend kijken ze op de klok - om half acht is het thuis weer stil.

De hele middag keek Tibor naar het schaken in de hal. Althans, hij zat op een bankje bij het bord. Na vijf jaar geluidsoverlast dringt er niets meer tot hem door. Er is niemand die hem helpt de speelplaats dicht te gooien, zelfs de vieze kankerlijers van GroenLinks in de deelraad niet. Uit een binnenzak komt een brief van z'n advocaat, in een envelop met gele randen - het bewijs dat hij nog niet heeft opgegeven. Er moet een proces komen, zegt hij, zijn leven is verwoest. Daar mag best wat geld tegenover staan.

In het leven van Johan van der Poel is ellende een rode draad. Eerst ging zijn verkooporganisatie in manden op de fles. Vanwege drie overvallen per week moest hij daarna z'n winkel in geneeskrachtige stenen sluiten. Vervolgens ging zijn vrouw ervandoor met een dikke, impotente vent, waarvan z'n ex zei dat hij 'zoveel van haar moeder had'. In een zelf opgericht fabriekje kreeg hij vervolgens zoveel verdunningsmiddelen binnen dat z'n beenspieren het niet goed meer doen. Om de borderline-patiënt te kunnen ontvluchten is hij aangewezen op Ver voer op Maat.

Alles over borderline-patiënten verzamelt Johan in de bieb. En alles over de methoden van minister Borst. Die leek het een paar jaar geleden een goed idee om patiënten uit de inrichtingen in de wijk te plaatsen - konden ze mooi integreren en knapten ze misschien wat op. Intussen heeft Johan al gelezen dat borderliners geniepig te werk gaan. Soms komt iemand de boel bij hem thuis inspecteren. Precies dan houdt ze zich stil. Bij de woningbouwvereniging zeggen ze dan ook zalvend: 'Er zijn ook mensen met geluiden in hun hoofd.'

Soms, als de buurvrouw weer een meerdaagse aanval heeft, met meubels gooit en de hond in de nieren trapt, krijgt Johan pijn in zijn borst. 'Als ik nu de pijp uitga, maakt me dat niets uit', denkt hij dan. 'Dit is toch geen leven meer.' Soms ook werkt hij strijdbaar verder aan de nieuw op te richten 'Organisatie tot Bestrijding van Onrecht en Willekeur'. Johan zal daarvan zelf de voorzittershamer hanteren, want 'er zijn ook slachtoffers die zich niet kunnen verweren'.

In studiecel 3.06 pakt meneer Jansen zijn spullen bij elkaar. Eigenlijk is hij van Aziatische afkomst, maar hij zegt: 'Noem mij meneer Jansen. Ik doe toch hetzelfde werk als meneer Jansen?' Dat valt te bezien - zo vreselijk veel werk heeft deze meneer Jansen namelijk niet. Hij is consultant in de petrochemische industrie. Al een paar jaar zit hij tussen twee opdrachten in en houdt hij in de bieb z'n kennis wat op peil. Over een leerboek risicomanagement ligt een Financieel Dagblad opengeslagen. Daarin staat een grote kop: 'Nieuwe bezuinigingen op consultants.'

Eén keer wist hij de productiviteit van een onderneming met 10 procent te verhogen. Dat was van een fabriek die een goedje maakt dat scheepsrompen tegen pokken beschermt. Meneer Jansen kon niet weten dat Zuid-Franse slakken niet tegen dat goedje kunnen - vrouwtjes worden van die soort sindsdien niet meer geboren. Een andere keer explodeerde een fabriek in Uithoorn; onder de slachtoffers bevond zich ook een kennis, een lid van de vrijwillige brandweer. Hij zegt: 'Toen hadden ze mijn advies niet goed opgevolgd.'

Meneer Jansen is een kleine man van tegen de 60 in altijd ditzelfde donkerblauwe pak - je weet nooit wie je tegenkomt. Buiten de bibliotheek belt hij geregeld met directieleden van voormalige opdrachtgevers. Dan informeert hij naar hun kinderen en vraagt terloops wat de ontwikkelingen en nabije projecten zijn. Op golfbanen probeert hij in het weekend contact te krijgen met succesvollere collega's. 'Als er nooit meer werk komt', zegt hij zachtjes, 'is het nog niet erg: aow krijg je altijd.' Dan gaan de leerboeken in het donkerblauwe rugzakje en neemt hij de roltrappen naar beneden. Daar komt het hoofd communicatie juist uit een boeiende discussie over de toekomst van de bieb gelopen. Straatdichter Emile neemt z'n typemachine onder de arm en loopt naar buiten. Een bewaker praat alvast wat flemerige woordjes door een mobiele telefoon en bij de deur van het bibliotheektheater maakt een bejaarde een vrolijke pirouette. Iedereen vindt het geestig als hij ten afscheid met zijn alpinopetje zwaait.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden