Pionier van de sportjournalistiek

Achter zijn bureau, met de pen in zijn hand, werd hij ongemeen fel. Joris van den Bergh (1882-1953) was geen sportbestuurder die schoolmeesterachtige stukjes schreef, maar hij nam de lezer mee naar de wondertent van VUC in Den Haag of naar de Olympische Spelen in Berlijn....

'De renner die alleen maar fysiek traint, is als de kunstschilder die alleen maar verft. Zoals je schildert met je brein, met je gemoed, met je gedachten en met je sentiment, zo kan je sport beoefenen, met je brein, met je gemoed'.

Eind jaren twintig tekende sportjournalist Joris van den Bergh deze ietwat omtrekkende beweringen op uit de mond van de wielrenner Piet Moeskops, na Jaap Eden de tweede Nederlandse profsporter die grootverdiener kon worden genoemd, maar dan eentje die zijn geld veel verstandiger belegde

Nog een citaat: 'Maar ik zeg je, wanneer je een spier hebt versterkt door er aan te denken, door er met je hersens bij te zijn, dan is dat een heel ander ding dan die andere sterke spier, die 'domme' spier. Dan is dat een levendige, gevoelige, snel reagerende spier, dan is dat een spier met gevoel en begrip.'

De passages zijn te vinden in Van den Berghs klassieke sportboek over het leven van wielrenner Piet Moeskops Te midden der kampioenen, waarvan de eerste versie in 1929 verscheen. Het boek kreeg in de Tweede Wereldoorlog een uitgebreide nieuwe uitgave en wordt nog steeds herdrukt.

De beide passages zijn ook te vinden in het andere sportboek van Van den Bergh, Mysterieuze krachten in de sport uit 1941. Dat boek is iets minder klassiek, maar klassiek genoeg om het 25ste deel te worden van de Nederlandse Sportbibliotheek van uitgeverij Thomas Rap, dat volgende week verschijnt.

Vreemd is het niet dat Van den Bergh zichzelf herhaalde, want in feite is heel zijn boek 'Mysterieuze krachten' een nadere toelichting op de theorie die hij in Te midden der kampioenen had ontwikkeld. Namelijk dat voor het bedrijven van topsport talent en trainen alleen niet voldoende zijn. De geestelijke gesteldheid van een sporter speelt een minstens zo belangrijke rol. Dat gold in de tijd van Piet Moeskops, van de legendarische Finse hardloper Paavo Nurmi, van biljarter Piet van de Pol.

In feite geldt dat nu nog. Hoe kon Carl Lewis deze zomer opeens ver genoeg springen om Olympisch kampioen te worden, terwijl hij zich ternauwernood voor de Spelen en de finales had kunnen kwalificeren? Of hoe kon een veredelde knecht plots de Tour de France winnen en, omgekeerd, hoe kon Miguel Indurain een naamloze meerijder worden?

Over dergelijke gevallen schreef Van den Bergh in 'Mysterieuze krachten' op de hem kenmerkende 'gezellige' toon. Van den Bergh was geen sportbestuurder die schoolmeesterachtige stukjes schreef, zoals toen nog veel gebeurde, maar nam de lezer mee naar de wondertent van VUC in Den Haag. Daar waar de spelers van het Nederlands Eltal eens per week tezamen kwamen, een beetje om te trainen, maar nog meer om zich geestelijk te laten oppeppen.

Of naar de Olympische Spelen in Berlijn 1936. Daarin plaatsten, dankzij de 'mental training' van chef de mission Karel Lotsy, zich voor de finales onverwacht twee Nederlanders. Niet alleen Tinus Osendarp, die achter Jesse Owens 'de snelste blanke ter wereld' (citaat Van den Bergh) zou worden, maar ook de brave Wil van Beveren.

Met zijn voorbeelden wilde Van den Bergh 'mysterieuze krachten in de sport' aantonen. Aan het bestaan ervan twijfelt tegenwoordig niemand meer, maar destijds was dat zeer opmerkelijk. Van den Berghs had trouwens nog een stelling: wat goed is, komt snel.

Het zijn bekende statements geworden. Alleen over de man die ze als eerste opschreef, Johannes Antonius Arnoldus van den Bergh, is weinig meer bekend dan dat hij op 17 februari 1882 in Utrecht werd geboren, dat hij tot zijn veertigste commies was bij de Raad van Toezicht van de Spoorwegen en dat hij in zijn vrije tijd sportjournalistiek bedreef.

Pas nadat hij in de beginjaren twintig na een reorganisatie ontslag had gekregen, vestigde hij zich in Den Haag als free-lance sportjournalist voor media als NRC, Sport-Echo, De roze maandagmorgen en Sportief. Dat bleef hij tot zijn dood als gevolg van een hartaanval op 1 juli 1953.

Joris van den Bergh was een begrip. Toch is, ondanks alle naoorlogse nieuwbouw zijn naam door slechts een enkele straatnamencommissie opgepikt. Hoe dat mogelijk is? Aan zijn twee klassieke boeken kan het niet liggen. Die worden ruim vijftig jaar na verschijnen nog steeds herdrukt.

Joris van den Bergh mag dan als sportjournalist een naam hebben gehad, vaststaat dat zijn twee boeken onder het grote publiek pas echt bekend werden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat heeft zijn reden. Van den Bergh was niet 'fout' te noemen, maar bepaald heldhaftig is zijn optreden in de Tweede Wereldoorlog niet geweest.

Terwijl fatsoenlijke kranten ophielden te verschijnen, schreef de zestiger, die hij inmiddels was, gewoon door. In gesprekken met collega's liet hij ook weten dat hij een Europa onder Duitse leiding zo'n slecht idee nog niet vond. De Britten waren in zijn ogen hypocriet, de Fransen chauvinistisch en de Italianen waren au fond laf te noemen.

Dat zette bij veel (gedwongen ex-)collega's kwaad bloed, te meer daar het met de eigenwijze Van den Bergh lastig discussiëren was. In de omgang vrij zwijgzaam, maar achter zijn bureau, met de pen in zijn hand, werd hij fel als geen ander. Eigenlijk zoals veel huidige sportjournalisten nog steeds zijn.

Tegelijkertijd was Van den Bergh echter een begrip als pionier van de sportjournalistiek. Een veelschrijver vanuit zijn gevoel en zijn hart, iemand die de lezer meenam in de denkwereld van de sporters, liefst topsporters, want aan halfslachtige amateurs had hij een broertje dood.

Die omstandigheden maakten dat na de oorlog zwijgen over zijn optreden de voorkeur kreeg. Zoals er trouwens over meer bekende mensen in de eerste jaren na de oorlog werd gezwegen. En toen het taboe eenmaal was verdwenen, was Van den Bergh al weer jaren dood en was zijn specialisme, dat hem beroemd maakte, het wielrennen op de baan, verdrongen door het wielrennen op de weg.

Juist het wielrennen op de weg was een tak van wielersport waar Van den Bergh weinig affiniteit mee had. In tegenstelling tot de beschaafde baanrenners, behoorden wegrenners eigenlijk tot het slag onverstaanbare rauwdouwers. In elk geval geen mensen met wie je een boom over tactiek en emoties kon opzetten. Dar komt bij dat Van den Bergh weinig wielrennen op de weg kón zien, eenvudigweg omdat die tak van sport in het vooroorlogse Nederland officieel verboden was.

Toch had hij op dat terrein ook historie geschreven door het in 1936 bij de Tourdirectie voor elkaar te krijgen dat er een Nederlandse ploeg aan het vertrek mocht verschijnen. Veel stelde het niet voor en dat maakte ook dat Van den Bergh in die Tour zelfs ploegleider heette te zijn. Al viel er niet veel te ploegleiden aan de vier deelnemende Nederlandse profrenners.

De gebroeders Albert en Toon van Schendel woonden in Zuid-Frankrijk, de Zeeuws-Vlaming Theo Middelkamp was een halve Belg en de West-Brabander Albert Gijzen viel al snel uit. De werkelijke leiding, zo daarvan sprake was, lag dan ook bij de vloeiend Frans sprekende chauffeur, Piet Moeskops.

Uit die tijd stamt ook de anekdote dat Van den Bergh liet weten dat de Tourrenners het weliswaar zwaar hadden, maar dat zij, volgers in de karavaan, het feitelijk nóg moeilijker hadden. Zij moesten immers in hete auto's zitten en konden niet van de verfrissende wind genieten die langs de hoofden van de renners glijdt.

Volgens thans bejaarde ingewijden, die zelfs nu nog liever niet worden geciteerd, had Van den Bergh ook niet veel kijk op het wegrennen. Zo zag hij, die in 1946 en '47 nog tweemaal 'ploegleider' in de Tour zou zijn, weinig in Fausto Coppi. Hij beschouwde de Italiaan niet meer dan als een mannetje met een kippenborst, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Bossche reus Gerrit Schulte, een prachtatleet, die klasiekers kon winnen, als hij er maar aan wilde deelnemen.

Zoals veel sportjournalisten kon Van den Bergh geen afscheid nemen van het vak. Waarom zou hij ook? Het directe, jachtige wedstrijdverslag was toch al nooit zijn sterkste punt geweest. Daarvoor was hij te veel een theoreticus, die het liefst eerst in de redactielokalen ijsbeerde om 'de machine aan de gang te krijgen', zoals hij dat zelf noemde. Maar dan, als die machine eenmaal liep, was er geen houden meer aan.

Dan raakte hij in een roes en schreef hij met zijn fijne regelmatige handschrift de vellen vol, die vervolgens door een redactie-assistent, soms een voor een, naar de zetterij werden gebracht. Het maakte zijn verhalen niet puntig, en zeker niet kort. Maar dat hoefde ook nog niet in een tijd dat topsport nog op twee manieren passief kon worden beleefd: of je ging zelf kijken, of je las er over in de krant of een tijdschrift.

Joris van den Bergh: Mysterieuze krachten in de sport.

Thomas Rap; ¿ 25,-, of ¿ 5,- bij aanschaf van een ander deel van de Nederlandse Sportbibliotheek.

ISBN 90 6005 890 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.