Pingyao, het laatste reservaat voor Chinese esthetica

De middeleeuwse stad Pingyao is ontsnapt aan de postmodernisering die Peking trof. De stad is nu ontdekt als toeristische attractie....

Honderden kilometers lang houdt het berglandschap het midden tussen grijs en zwart. Even grauw zijn de mensen en de bebouwing. Alles heeft de kleur en de geur van kolengruis. Overal kolenmijnen, overal kolenwagens en kolentreinen. En dan, als een parel in de kolenschuur, ligt daar Pingyao.

Pingyao is een van de laatste middeleeuwse stadjes van China. Zijn stadswallen, zijn smalle straatjes en zijn sfeer zijn intact, moderne hoogbouw is de stad bespaard gebleven en er zijn weinig auto's. De Disneyfiguren op de muur van een kleuterschool zijn de enige vertegenwoordigers van een cultuur die de rest van China stormenderhand verovert.

Pingyao is doortrokken van iets wat in andere Chinese steden is vernietigd of is teruggebracht tot een toeristische attractie: geschiedenis. Haar conservering heeft de stad te danken aan haar achterlijkheid. De tijd van voorspoed en glorie was allang voorbij toen China de 'socialistische markteconomie' omhelsde, met de daarbij horende genadeloze modernisering.

Wel heeft Pingyao zijn portie gekregen van het maoïsme. Veel patriciërshuizen zijn vernietigd en binnen de muren werden fabrieken gebouwd. Maar aan het postmaoïstische proces van destructie en nieuwbouw heeft Pingyao niet meegedaan, want daarvoor was het te onbelangrijk.

De moderne tijd ging aan de stad voorbij. Juist dat maakte haar interessant toen de Chinezen door kregen dat hun verleden toch wel pittoresk was. Zo'n schattig stadje als Pingyao, was dat niet een ideale plek om te laten zien hoe het vroeger overal was in China?

Het binnenlandse toerisme heeft Pingyao ontdekt, de oude herenhuizen en winkels zijn gerestaureerd, Unesco heeft de stad vijf jaar geleden op haar lijst van cultureel werelderfgoed gezet. Maar Pingyao heeft zichzelf niet verraden zoals Dali of Lijiang in de zuidwestelijke provincie Yunnan, die zonder toeristen nergens meer zouden zijn.

De hoofdstraat heet Mingqingstraat, genoemd naar de bloeitijd tijdens de Ming- en de Qing-dynastie (1368-1911). Toen Shanghai nog een nietig visserdorpje was, was Pingyao met zijn 41 banken het financiële hart van China. Hier bracht keizerin-weduwe Cixi in 1900 na de Bokseropstand het leeuwendeel van de schatting bijeen die de buitenlandse mogendheden China hadden opgelegd.

De in 1823 gestichte handelsbank Ri Sheng Chang aan de Weststraat had filialen in 35 Chinese steden en belangen in Zuid-Oost-Azië, Europa en Amerika. Ze is in haar oude staat hersteld: een reeks kamers rond binnenplaatsen, met gastenkamers voor cliënten die van ver waren gekomen.

De Pingyaose toeristenwinkels zitten alleen in een deel van de Mingqingstraat en een stuk van de Weststraat. Verder gaan de Chinese toeristen met hun kleurige groepspetjes niet. De rest van de stad is nog altijd zichzelf: bedrijvig en ondanks de vele openbare en particuliere musea beslist geen openluchtmuseum.

Lang zal dat niet meer duren. Het stadsbestuur heeft beslist dat de komende drie jaar twintigduizend van de 45 duizend inwoners moeten verhuizen naar de nieuwe stad buiten de wallen, omdat ze een gevaar zouden zijn voor het behoud van de stad. Zeven scholen en drie ziekenhuizen moeten dit jaar al weg zijn.

Buitenlandse toeristen hebben nog altijd moeite de weg naar Ping yao te vinden. De noordelijke provincie Shanxi ('ten westen van de bergen'), in lang vervlogen tijden het politieke en culturele centrum van China, is immers niet erg aantrekkelijk. In dit gebied tussen het Taihang-gebergte en de Gele Rivier, dat vier keer zo groot is als Nederland, is bittere armoe troef. Het wemelt er van de mijnen, die China's belangrijkste energiebron leveren: kolen. Shanxi is China's kolenprovincie bij uitstek.

Chinese kolenmijnen zijn de onveiligste van de wereld. Ongelukken gebeuren vrijwel dagelijks, met een jaarlijks dodental van ten minste tienduizend. Mijnen die de regering sluit - pas nog ruim duizend in Shanxi - gaan even later weer open, want ze leveren de lokale overheid geld op. Arbeiders zijn er volop, risico of niet, want er is weinig werk en op het land verdienen ze minder.

In Pingyao zijn geen mijnen, maar de kolengeur is overal. Het is bijna het enige dat herinnert aan de omgeving. Wie door een van de vier smalle poorten het vrijwel vierkante stadje binnenkomt, belandt in een andere wereld, die eens de normale wereld was in elke normale Chinese stad.

Het begint al met de stadsmuren. Ze hebben de vernietigingsdrang overleefd sinds Mao in de jaren vijftig de muren van Peking liet afbreken omdat er zonodig een ringweg moest komen voor het toen nog amper aanwezige autoverkeer. In het centralistische China geeft Peking in alles de toon aan. Daarom zijn ook in de meeste andere Chinese steden de stadsmuren gesloopt.

De belangrijkste uitzonderingen zijn de ommuringen van Xi'an, Nanking en Pingyao. De ruim zes kilometer lange en tien meter hoge muur rond Pingyao is waarschijnlijk de mooiste. In zijn huidige vorm - een kern van aangestampte aarde, geheel bedekt met bakstenen - stamt hij uit 1370. Hier en daar groeit een boompje uit de muur.

Bovenop de muur loopt tussen de kantelen en langs de wachttorens een fietspad. Aan de ene kant biedt het uitzicht op de moderne lelijkheid, aan de andere op de Middeleeuwen: een zee van vleugeldaken met grijze dakpannen en schoorstenen als torentjes, volle binnenplaatsen, onverharde straten, en veel leven.

De muurfietser rijdt voorbij een straatorkestje dat muziek staat te spelen ter ere van een dode die straks begraven wordt. Een achtertuin staat propvol getraliede hokjes, waarin honden worden vetgemest voor de slacht. In een straatje liggen koeien te herkauwen, wat verderop staan opgetooide auto's op een bruidspaar te wachten. Zo waren de Chinese steden vroeger allemaal: stad en dorp tegelijk.

Hoogbouw is er niet, behalve een foeilelijke kerktoren - het christendom is in China toegestaan, mits het wordt beleden onder supervisie van de atheïstische partij die aan de macht is - en de fraaie Markttoren. Dit kleurige houten gebouw met drie daken rijst vanuit het hart van de stad op boven de Mingqingstraat. Het is geen steriel relict van het verleden, maar onderdeel van een levende stad.

Wie in China sporen zoekt van vroeger, zal vooral boeddhistische en taoïstische tempels vinden. Vaak zijn die zo grondig gerestaureerd dat ze eerder nieuwbouw zijn. En vaak zijn het eilandjes geworden in een zee van kakofonische stijlloosheid. Veel toeristen kunnen aan het eind van hun reis geen tempel meer zien.

De bezoeker van Pingyao hoeft voor tempelmoeheid niet bang te zijn want er is veel meer te zien dan (voormalige) bidhuizen, en voor gebrek aan stijl al helemaal niet. De houten en stenen huizen met hun sculpturen, beschilderde panelen en schitterende binnenplaatsen ademen een sfeer die hard op weg is uniek te worden.

Neem Peking, een stad van dertien miljoen officiële inwoners en een vlottende bevolking van twee à drie miljoen illegalen. In naam van de vooruitgang, de Olympische Spelen van 2008 en vooral het financiële gewin is in de Chinese hoofdstad waarschijnlijk de grootste slopersoperatie aan de gang uit de geschiedenis.

Na de nederlaag van de Commune van 1870 sloopte baron Haussman voor de aanleg van zijn boulevards een zesde deel van de huizen van Parijs. In Peking wordt op instigatie van stadsplanners, speculanten en projectontwikkelaars uit China, Hongkong en Taiwan op dit moment zeker de helft van de stad afgebroken. De lage stad vol geschiedenis moet plaatsmaken voor een kille moloch van staal en beton, titanium en glas.

Met uitzondering van de zone rond de Verboden Stad komen alle oude stadsdelen onder de slopershamer. Het zijn de wijken van de hutong, smalle straatjes die van hofje naar hofje lopen. De bewoners willen vaak maar al te graag weg, want iedereen woont er op een kluitje en met de hygiëne is het meestal droevig gesteld. Met een kleine schadevergoeding en een grote hypotheek kunnen ze net een flatje in een verre nieuwbouwwijk kopen.

Op de vrijgekomen grond zijn arbeiderslegers 24 uur per dag bezig met de bouw van nieuw Peking: een stad van wolkenkrabbers en supersnelwegen, waarvan het centrum 's nachts steeds meer op Las Vegas begint te lijken. Onder ieders ogen maken de Pekinese stadsplanners dezelfde onherstelbare fouten als hun westerse collega's enkele decennia geleden: oud is slecht, nieuw is goed, hoe hoger hoe mooier, hoe moderner hoe beter, en visuele harmonie is een achterhaald begrip.

Kleine groepjes verzetten zich tegen deze verwoesting. Ze willen dat de geschiedenis niet wordt afgebroken, maar door verstandige restauratie weer leefbaar wordt gemaakt. Tegen de conctie van de absolute macht en het grote geld kunnen ze echter niet op. Bovendien is de afbraak en nieuwbouw van steden een oude Chinese gewoonte. Niet de bebouwing telt, maar de locatie.

Peking moet in de 2008 de olympische vitrine van heel China worden. Shanghai is al grotendeels gepostmoderniseerd, en de andere grote steden gaan hard dezelfde kant op. Alle Chinese metropolen beginnen op elkaar te lijken. Overal dezelfde hoge kantoren en hotels, overal dezelfde visuele geweldpleging, overal dezelfde smakeloosheid.

Waar is het oude Chinese gevoel voor esthetica en harmonie gebleven? In Pingyao. Goed, op straat stinkt het er vaak bij gebrek aan een stadsafvoer, de elektriciteit laat het dikwijls afweten en er zijn geen marmeren vijf sterrenhotels. Maar het heeft wel sfeer en schoonheid die je elders niet meer vindt.

Over drie jaar dreigt ook dat afgelopen te zijn. Want Pingyao moet minder bewoners krijgen en meer toeristen, minder leven en meer geld. De fossilisering van de laatste authentiek Chinese stad is begonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden