Pim Mulier, strenge vader van de Nederlandse sport

Grondlegger van de moderne sport. Legde de basis voor diverse sportorganisaties en -clubs. Richtte in 1889 de voetbalbond op en maakte twintig jaar later de Elfstedentocht officieel.

Pim Mulier was een onvermoeibare, dominante en ijdele organisator, zonder wiens inzet het sportlandschap er maar schraal had bijgelegen.

In de oertijd van het Nederlandse voetbal, zo'n 125 jaar geleden, kon een uitwedstrijd tegen HFC als volgt verlopen: De spelers reisden op zondag per stoomtrein naar Haarlem, waar ze in de wachtruimte der 2de klasse hun voetbalplunje aantrokken. Daarna gingen ze te voet, maar meestal per huurrijtuig, naar de Koekamp, een park aan de zuidrand van de stad. Daar werd de wedstrijd op een door een hek omzoomd weiland gespeeld, nadat de paarden van de plaatselijke stalhouder waren verwijderd. Naar verluidt stond er midden op het terrein een groepje bomen, wat de bezoekende voetballers als knap lastig ervoeren. De spelers van HFC ook, maar zij waren eraan gewend en wisten er soms juist van te profiteren.

Na afloop werden de bezoekers op hun thuisreis bij de spoorwegovergang in Heemstede uitgezwaaid door de HFC-spelers. Het was een fijne, sportieve middag geweest. Voetbal was weliswaar een ruwe sport, maar HFC speelde nooit gemeen. Het was zelfs zo dat als de scheidsrechter HFC ten onrechte een vrije schop of corner gaf, de aanvoerder hem corrigeerde.

Die aanvoerder was Pim Mulier. Of mijnheer Mulier, zoals zijn medespelers hem noemden. Zo noemden ze hem zelfs in het veld als ze om de bal vroegen. Voetballen tegen HFC werd dan ook wel eens spottend 'meneertje spelen' genoemd. De 'uitvinder' van het Nederlandse voetbal, Willem Johan Herman (Pim) Mulier, was dan ook een deftige mijnheer. Het nakomertje van een 52-jarige Friese burgemeester/grootgrondbezitter en een 43-jarige moeder was in 1867 op 2-jarige leeftijd in Haarlem komen wonen. Daar betrok het gezin Mulier aan de Nieuwe Gracht een statig pand, met een stal voor twaalf paarden en een aparte ingang voor het dienstpersoneel. Binnenshuis moesten dat trouwens ook via een aparte trap naar boven.

Mijnheer Pim Mulier was ten tijde van de eerste, min of meer officiële voetbalwedstrijden een man van halverwege de twintig. Hij was betrekkelijk klein van stuk, vroeg kaal, ongehuwd en een jaar of tien ouder dan zijn teamgenoten. Dat waren meestal scholieren uit de hogere klassen van het gymnasium. Voetbal was in die dagen een sport voor jongelui uit de betere kringen, wier ouders het zich konden veroorloven hen te laten reizen en speciale sportkleding voor hen te kopen.

Een van de jonge voetballers uit die tijd was de latere minister van Binnenlandse Zaken mr. J.B. Kan, die mede zo populair was, omdat hij als hoogwaardigheidsbekleder geen hoed droeg. Deze vader van cabaretier Wim Kan schreef over Pim Mulier: 'Wij zagen altijd met verbazing op tegen zo'n oude heer, die nog de sport actief beoefende. Oud. hij kan destijds nauwelijks 25 zijn geweest. Maar een eerbiedwaardig uiterlijk gaf zijn captainschap reliëf. Hij had een overwicht gelijk geen andere aanvoerder bezat. Na de wedstrijd riep hij niet three cheers for . . . Nee, hij verzamelde zijn mannen plechtig om zich heen, de petten die iedereen toen nog droeg, gingen omhoog en aldus werd het beleefdheidsbetoog aan de tegenstander gebracht.'
Mulier zou in zijn latere leven nog vaak terugkomen op deze begintijd van het voetbal. Hij zou de sport in Nederland hebben geïntroduceerd. Daar wordt tegenwoordig wel wat op afgedongen, omdat de bron van die stelling Pim Mulier zelf is, maar dat hij een van de eerste voetballers was, staat vast.

In 1955 promoveerde de socioloog C. Miermans op het proefschrift Voetbal in Nederland. Daarin staat dat Mulier van mening was dat hij de 'propagandistische en stuwende arbeid had verricht om zoveel mogelijk jongelui te laten delen in de voortreffelijke gevolgen van de sportbeoefening'. Volgens Miermans zouden anderen echter hebben verklaard dat Mulier dat vooral deed om te worden gevierd. Het was Miermans opgevallen dat zijn bronnen dat uitsluitend mondeling en anoniem hadden willen zeggen. Kennelijk zat het ontzag voor Mulier een jaar na diens dood op 12 april 1954 er nog goed in.

Wie was Pim Mulier? In 1994 verbaasde het de sportsocioloog Ruud Stokvis dat er nog altijd geen biografie over hem bestond. Die bestaat er nog steeds niet. Althans, geen wetenschappelijke. De Aalsmeerse geschiedenisleraar Daniël Rewijk is er al een flink aantal jaren mee bezig, maar hij verwacht dat het nog wel enkele jaren zal duren voordat hij ermee klaar is. Dat is niet verwonderlijk, want Mulier is niet alleen oud (89) geworden, hij heeft ook een verbazingwekkend energiek en veelzijdig leven geleid.

Actief sporten (in volgorde van bekwaamheid: schaatsen, hardlopen, voetballen) is hij tot op gevorderde leeftijd blijven doen, wat toentertijd zeer uitzonderlijk was en ook wel zonderling werd gevonden. Daarnaast was Mulier organisatorisch tot het begin van zijn middelbare leeftijd zeer actief en richtte hij talloze organisaties op. Ten slotte becommentarieerde hij tot aan zijn overlijden de ontwikkelingen in de sport.

Mulier kon dat ook doen, omdat hij er de tijd en het geld voor had. Hij was financieel onafhankelijk en zijn twee huwelijken bleven kinderloos. Naast die enorme hoeveelheid geld en vrije tijd, beschikte hij over veel talenten. Hij sprak meerdere talen, had een grote opmerkingsgave, een vlotte pen, een levendige geest en hij barstte van de geldingsdrang en het zelfvertrouwen. Zijn nieuwsgierigheid, levenslust, durf, intelligentie, gulheid, welbespraaktheid, bevlogenheid en visie (hoewel die niet altijd werd begrepen) maakten hem aan het eind van de 19de eeuw uitermate geschikt voor het op poten zetten van sportorganisaties en -evenementen.

Een greep: hij richtte in 1892 de internationale schaatsunie (ISU) op, hij bedacht de klassieke schaatsafstanden 500, 1500, 5000 en 10000 meter, hij organiseerde het eerste wereldkampioenschap schaatsen, hij stond aan de wieg van de Nederlandse Atletiek en Voetbal Bond (de latere KNVB en de KNAU), hij schreef een vuistdikke studie en een wetsontwerp over de binnenvisserij, schreef boeken over cricket, voetbal, atletiek en wintersport, hij hielp het kaatsen uit de kroegsfeer en organiseerde een nationaal sportfeest bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898.

Naast al die voortreffelijkheden, was Mulier echter voor sommige zaken ook ongeschikt. Hij was ongeduldig, impulsief, lichtgeraakt, autoritair en ijdel. Het lag niet in zijn aard compromissen sluiten. In het begin van de sportontwikkeling was dat geen probleem. Toen had men juist iemand nodig die knopen doorhakte en geen tegenspraak duldde.

Zo werd hij twee keer voorzitter van de voetbalbond, toen die door ruzie uiteen dreigde te vallen. Op die momenten was er een gezaghebbende, autoritaire man nodig. Maar als zaken hem niet zinden kon hij in zijn ijdele lichtgeraaktheid de boel ook gemakkelijk in de steek laten. Dat overkwam bijvoorbeeld de Internationale Schaatsunie en ook HFC, waarmee hij jarenlang gebrouilleerd is geweest.

Rond 1895 had zijn aanzien het hoogtepunt bereikt. In dat jaar gebeurde er echter iets, waardoor hij de greep op wat hij tot stand had gebracht enigszins kwijtraakte. De 30-jarige vrijgezel was namelijk een verhouding begonnen met Cornelie van Duijn, een kelnerin van de Haarlemse sociëteit Trou moet Blijcken. Hij kondigde zelfs aan met haar te zullen trouwen. De impact daarvan kan moeilijk worden onderschat. Seksuele omgang van een klant met een kelnerin was in zijn tijd niet uitzonderlijk, maar een huwelijk zo ver beneden zijn stand was een ander verhaal.

De Friese tantes dreigden hem te onterven, maar Mulier zette door en hij verhuisde met zijn Cornelie naar Brussel, waar ze trouwden en twee jaar zouden blijven wonen. Het meest concrete gevolg van die stap was dat voetballers van de NAVB nu eindelijk de dure atletiek buiten de bond durfden te zetten. Ze hadden het eerder geprobeerd, maar een verbolgen Mulier had dat toen tegen weten te houden.

Niet lang daarna (1899) vertrokken Mulier en zijn vrouw naar Nederlands-Indië. Dat was in zekere zin een vlucht. Veel jongemannen van goede huize emigreerden in die tijd naar de Oost als ze in problemen waren geraakt of als ze de naam van de familie te schande hadden gemaakt. Na een paar jaar hield Mulier het op Sumatra voor gezien en in 1908 keerde hij terug naar Nederland, waar hij en Cornelie in Scheveningen een villa betrokken. Mulier zou er de rest van zijn leven blijven wonen.

In de acht jaar van zijn afwezigheid was de Nederlandse sport enorm veranderd. De atletiek was op sterven na dood en voor het eens zo populaire cricket gold hetzelfde. Maar met het voetbal ging het uitstekend. Waar Mulier in 1889 de voetbalbond was begonnen met 200 leden, telde die er nu 10 duizend. De verklaring daarvoor was dat het gewone volk het voetbal had ontdekt. Op zichzelf juichte NVB-ere-voorzitter Mulier dat toe, maar dat de zeden en omgangsvormen veel ruwer waren geworden, stuitte hem tegen de borst. De bond was te groot geworden om nog naar zijn geslonken gezag te luisteren.

Elders was zijn reputatie nog bijzonder groot. In Indië had hij zich een fervent medestander getoond van generaal Van Heutsz en had hij er een vrijwilligerskorps opgericht, waarbij hij als commandant de hoge rang van majoor had gekregen. Zodoende kende men bij het ministerie van Defensie zijn organisatorische kwaliteiten en had de minister hem gevraagd secretaris te worden van de Nederlandse Bond voor Lichamelijk Ontwikkeling (NBvLO).

Deze organisatie was bedoeld voor burgers en militairen, die tezamen van Nederland een zelfbewust en weerbaar volk moesten maken. De bedoeling was bovendien dat de NBvLO de olympische beweging gestalte ging geven. Die belangen werden tot dan toe behartigd door een particulier, jhr Van Tuyl van Serooskerke, die sedert een tiental jaren lid op persoonlijke titel was van het IOC.

Voor Mulier, inmiddels halverwege de veertig, was dit de kans om te werken aan zijn nationalistische idealen van een gezond en sportend volk. De goede bedoelingen van de NBvLO ontaardden echter al snel in een gecompliceerd conflict tussen burgers en militairen over begrotingen, declaraties en reiskosten. Het gekrakeel liep zo hoog op dat er voor de Olympische Spelen een aparte organisatie kwam (het NOC).

Daarmee was de NBvLO weer terug bij af en trok Mulier zich terug uit de organisatie. Voor het echter zover was, kwamen op zijn conduitestaat twee andere wapenfeiten terecht, die de Nederlandse sportwereld nu nog aanspreken en die een flink deel van zijn roem staven: de oprichting van Nijmeegse wandelvierdaagse en van de Friese Elfstedentocht.

De wandelvierdaagse was in de eerste jaren overigens weinig meer dan een kleinschalige militaire aangelegenheid. Maar de Elfstedentocht (1909) bleek meteen een publicitair succes. Mulier nam er zelf aan deel. Bij de tweede Elfstedentocht van 1912, waaraan hij zelf ook weer deelnam, was hij al uit de NBvLO gestapt.

Sindsdien heeft Mulier geen organisatorische rol van betekenis meer gespeeld. In plaats daarvan heeft hij zich de resterende veertig jaar van zijn leven beziggehouden met liefhebberijen zoals genealogie, tuinieren, het verzamelen van antiek glas, romans en verhalen schrijven, benevens honderden columns onder het pseudoniem Pim Pernel, reizen, schilderen, corresponderen en sporten.

Twee andere liefhebberijen veroorzaakten echter dat hij desondanks in beeld bleef. De eerste was zich met alles te willen bemoeien en de tweede zich laten bewieroken. Die twee hingen nauw met elkaar samen en versterkten elkaar, omdat hij van veel organisaties erelid of erevoorzitter was en hij de organisaties, clubs en evenementen die hem prezen, financieel en moreel steunde.

Zijn begrafenis op 15 april 1954 was nog een nationaal evenement in de sportwereld. Daarna werd het doodstil. Niet uitgesloten mag worden dat de sportbestuurders zijn ijdele bemoeizucht zo beu waren dat ze niets meer van hem wilden weten. Het sportfeest in Haarlem ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag op 10 maart 1965 werd afgelast wegens gebrek aan belangstelling en de weigering van Nederlandse Sport Federatie het feest te subsidiëren.

Tegenwoordig gaat het wel weer. Er is een Pim Mulierstadion in Haarlem, er zijn enkele straten naar hem vernoemd en in 2002 is er een Pim Mulier Instituut opgericht voor sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek. Op de wetenschappelijke biografie moeten we nog even wachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden