Pillenpreutsheid

Het gebruik van medicijnen in Nederland is aan het stijgen, wat anders dan in andere landen vaak gepaard gaat met schuldgevoel en angst....

BEGIN JAREN tachtig werkte ik op de longafdeling van een groot academisch ziekenhuis. Ik was begin twintig en gerechtigd oudste diensten te doen, waarbij de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken op de hele afdeling op je schoudertjes rustte. Het bewijs van deze status was niet je speld of de stethoscoop, maar de sleutel van de medicijnkast, die je aan een ketting om je nek droeg als een middeleeuwse kasteelvrouw.

Uitgerekend een van de eerste avonden dat ik deze eervolle taak zou vervullen, kreeg ik al werkend de hevigste menstruatiepijn die ik ooit had gehad. De vernedering was compleet toen ik bijkwam in een ziekenhuisbed in de onderzoekskamer van mijn eigen afdeling. Flauwgevallen! Een geërgerde arts en een nerveuze leerling keken mij vragend aan. 'Menstruatie!', fluisterde ik.

De arts siste iets in het oor van de leerling, die op een drafje het gevraagde medicijn ging halen. De sleutels hadden ze van mijn nek gewurmd. Ik kreeg een roze pil, bijna ter grootte van een knikker. Zakte nog even weg en voelde binnen drie kwartier de pijn verdwijnen. Menstruatiepijn wordt veroorzaakt door prostaglandine. De pil remt de aanmaak van deze stof. De bestaande pijn moest nog worden uitgezweet, maar er kwam geen nieuwe bij.

Binnen een uur vroeg ik de sleutel en dus mijn verantwoordelijkheid retour en werkte ik verder. In de statistiek kon vanaf dat moment worden bijgeschreven: in de regio Amstelland een toename van Brufen 400 mg, maandelijks een stuk of zes dragees. Was Amstelland nu zieker geworden? Ik was in elk geval beter. Het enige waarvan ik baalde, was de hoeveelheid verloren dagen. Dagen die ik voorheen, werk of studie verzuimend, in bed had doorgebracht. Later waren de pillen niet meer nodig. Maar ik kan nog nostalgisch worden als ik ze zie. Wat hielpen die dingen.

Daaraan moest ik denken toen ik in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (MGv, nummer 4, 2000) las over de vraag of Nederland steeds zieker wordt van de hand van Giel Hutschemaekers. Hij promoveerde in 1990 op Neurosen in Nederland en publiceerde over moraliteit en psychologie, geestelijke volksgezondheid en het nut van beperkingen in de GGZ in het nieuwe millennium.

Zijn artikel presenteert cijfers die een toename van ons beroep op de gezondheidszorg op ongeveer alle denkbare vlakken laten zien. Het aantal opnamen in psychiatrische ziekenhuizen neemt toe, er melden zich veel meer mensen met psychische klachten bij de huisarts en er worden er veel meer behandeld bij vrij gevestigde psychologen en aanzienlijk veel meer bij het Riagg.

Als de jaren tachtig worden vergeleken met de jaren negentig is vaak sprake van een verdubbeling, soms meer. Maar Hutschemaekers toont aan dat deze cijfers niet makkelijk te interpreteren zijn. In een staatje waarin geteld wordt hoe vaak mensen voor een opname zijn aangemeld, blijkt dat een behoorlijk deel steeds opnieuw wordt opgenomen. Soms is het een en dezelfde persoon die in een jaar tijd vijfmaal wordt aangemeld voor een opname, en dan ook bij verschillende ziekenhuizen. Deze dubbeltellingen zijn in de cijfers niet te traceren. Hutschemaekers concludeert dat de tabellen met cijfers de stelling dat Nederland steeds zieker wordt, kúnnen ondersteunen, maar dat met hetzelfde gemak betoogd kan worden dat er niets veranderd is.

In volgende nummers van MGv wordt gereageerd op het artikel. Er valt steeds een nieuwe invalshoek op de cijfers. De eerste reactie die meer over mensen dan over cijfers gaat, is van de Stichting Pandora, die de de belangen van (voormalige) psychiatrische patiënten behartigt. In dit artikel wordt aandacht gevraagd voor het toegenomen medicijngebruik. Het gebruik van antidepressiva stijgt met 12 tot 14 procent per jaar. De auteur betoogt dat de medicijnen door de farmaceutische industrie op agressieve wijze in de markt worden gezet. Ongerust wordt verwezen naar een PvdA-nota getiteld Toverballen met effect. In deze nota is de conclusie dat medicijnen de goedkoopste en meest werkzame middelen zijn, waarvan de rol alleen maar zal toenemen.

Het verbaast mij dat Pandora in de toename van het medicijngebruik alleen een zorgelijke ontwikkeling ziet. Je kunt je ook verheugen in het feit dat meer sombere mensen de weg naar medicinale ondersteuning hebben gevonden. Dat meer mensen zich over hun schaamte hebben heengezet. Meer mensen die opknappen. Mensen die vroeger dachten dat er toch niets aan te doen was.

Die superpijnstillers van destijds heb ik aanbevolen aan menige bleke vriendin die elke maand drie dagen was uitgeschakeld. Vrijwel altijd zonder succes. Ze gebruiken liever onwerkzame en onbetaalbare natuurdruppels, of anders maar niets. Ook op mijn werk in het ziekenhuis kwam ik deze, voor mij onbegrijpelijke reactie tegen. Sommige patiënten van de longafdeling hadden nog geen fatale diagnose gekregen en verkeerden in het stadium van het moeten ondergaan van onderzoeken en het nerveus wachten op de uitslagen. De andere helft had de verdrietig makende uitslagen binnen. Zij kregen cytostatica en bestraling en hoopten het einde nog enige tijd voor zich uit te schuiven.

Veel van de patiënten hadden pijn en kregen daar pittige pijnstillers voor, die snel niet meer afdoende waren. Dan waren zwaardere nodig, waar de mensen soms nog banger voor waren dan voor de pijn of de dood zelf. Er was natuurlijk een objectieve vraag naar informatie: blijf ik wel helder? Wat zijn de andere bijwerkingen? Maar er was ook een irrationele basale huiver voor pillen. Pillenpreutsheid. Kan ik er niet aan verslaafd raken? Je moest het antwoord onderdrukken: al zou u verslaafd willen raken, daar is geen tijd meer voor.

Gerard Reve beschreef een soortgelijke reactie in Brieven aan mijn lijfarts. Onder invloed van te veel drank waren de gemoederen tussen Reve en zijn toenmalige vriend Wimie hoog opgelopen. Reve ging met hem op de vuist, begon flessen en glazen stuk te gooien, waarbij hij een loeiend gehuil uitstootte, waarna Wimie de Amsterdamse woning uit vluchtte. Gerard wierp hem een gietijzeren braadpan met koude rollade na, de diepte van de trap in. Iemand, niet Wimie, waarschuwde de dichtstbij wonende arts, die gelukkig snel kwam. Onderweg naar boven nam de man de pan met rollade mee en begon geruststellend met te melden dat er aan de rollade niks mankeerde. Reve zat vol snijwonden van het stukgesmeten glas. Op de vraag van de dokter wat er aan de hand was, antwoordde hij dat hij dood wilde. 'Dat is altijd de beste oplossing', gaf de dokter toe, terwijl hij Reve twee kalmerende injecties toediende. Die daarna meteen vroeg of twee injecties niet te veel was en 'of het geen kwaad kon'.

Bert Keizer beweert in zijn boek Het refrein is Hein (verplichte literatuur voor artsen, patiënten en eigenlijk alle Nederlanders) in een eindeloze bespiegeling over wat mensen en dieren van elkaar onderscheidt, dat de mens slechts een dier is dat pillen wil slikken. Ik denk dat in elk geval de Nederlandse mens een dier is dat weliswaar van zijn klachten af wil, en desnoods wel pillen wil slikken daarvoor, maar toch vooral chronisch bang is voor medicijnen.

Is die angst terecht? Wij gebruiken in Nederland misschien meer medicijnen dan vroeger, maar in Frankrijk slikken ze veel meer. Ze geven veel meer geld uit aan de gezondheidszorg (341 dollar per hoofd van de bevolking in 1997, tegen 212 dollar in Nederland). Ze slikken veel meer antidepressiva. De Fransen, vooral de vrouwen, worden ook ouder. Hun grotere medicijngebruik maakt ze dus niet zieker.

Iemand uit mijn naaste omgeving leeft al twintig jaar met de diagnose schizofrenie. In de jaren tachtig is oeverloos tegen haar aan gekletst door vage hulpverleners. Sinds ze medicijnen gebruikt, is er een tamelijk beperkt maar vredig leven voor haar weggelegd, zonder angst en agressie.

En dan de vriend die jaren geleden, na een absurd aantal tegenslagen, in een depressie wegzakte. Wij konden niet veel meer doen dan handenwringend langs de zijlijn ijsberen, met goed uitzicht op zijn bijna ondraaglijke pijn en angst. Sinds het juiste medicijn (een derde-generatie-antidepressivum) en de juiste dosis werd gevonden, kon hij weer opknappen. Niet van de ene seconde op de andere, maar dankzij de medicijnen kon hij openstaan voor gesprekken, behandeling, vriendschap, zelfs liefde en alle andere dingen die het leven dragelijk maken.

Als ik vrienden zie versomberen en probeer ze te wijzen op een mogelijke verbetering door medicijnen, zijn ze afwijzend en soms bijna beledigd. Waarom die bezwaren? Is het calvinisme? We moeten en zullen pijn hebben? Doen we boete zonder ons ervan bewust te zijn? Raken we gehecht aan pijn en kwalen?

Zoals de optimist en de pessimist van elkaar verschillen door hetzelfde glas als halfvol respectievelijk halfleeg te bestempelen, zo zou je wat minder zorgelijk naar ons medicijngebruik kunnen kijken. Weer zoveel mensen opgeknapt, weer veel mensen beter geworden. Er zijn zoveel problemen in het leven waar nog geen oplossing voor mogelijk is, dat ik altijd blij ben met een probleem dat tenminste wél aangepakt kan worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden