Pijn in het hart van midden-Europa Biografie maakt Milena Jesenská tot meer dan correspondentievriendin van Kafka

door Melchior de Wolff HET LEVEN, aldus Franz Kafka, lijkt op een onhandig samengestelde feestmaaltijd: terwijl men vol ongeduld op het voorgerecht zit te wachten, blijkt der grosse Hauptbraten al ongemerkt te zijn gepasseerd....

MELCHIOR DE WOLFF

Deze uitspraak, gedaan in een brief aan de Tsjechische schrijfster Milena Jesenská in de zomer van 1920, ligt goed beschouwd nog een stuk boven Kafka's gemiddelde getob. De Briefe an Milena - anders dan die aan Felice Bauer, die nog min of meer als sollicitatiebrieven zijn op te vatten - dragen het stempel van een intense twijfel, een onrust die door geen enkele remedie kan worden weggenomen. Zelfs in zijn vrolijke momenten, of als zijn melancholie de kleur aanneemt van verzoening, blijven de sporen van het pessimisme onder het oppervlak zichtbaar. Het is de situatie waarin de achterdocht altijd weer sterker blijkt te zijn: nu ben ik misschien vrolijk, maar een week geleden was ik dat niet - vandaar dat die vrolijkheid vals en oneerlijk is. Het hoofdgerecht berust op niets anders dan op zinsbegoocheling, en zo is het met alles.

Afgezien van enkele, soms langere onderbrekingen, beslaat de correspondentie tussen Kafka en Milena Jesenská een periode van meer dan vier jaar. In 1919 verzoekt Jesenská om toestemming een paar van Kafka's verhalen in het Tsjechisch te vertalen, en nadat deze pas in april van het jaar daarop haar een eerste levensteken stuurt, ontstaat vrijwel onmiddellijk een dagelijkse frequentie. De laatste van Kafka bewaard gebleven brief dateert van eind december 1923, een half jaar voor zijn dood in een kliniek bij Wenen: '(Ich) warte auf bessere oder noch schlechtere Zeiten und bin im übrigen hier gut und zart behütet bis an die Grenzen irdischer Möglichkeit.'

Briefe an Milena, zo heet deze correspondentie die in 1952 voor het eerst werd uitgegeven, en waarbij over de identiteit van de geadresseerde nauwelijks meer werd onthuld dan wat droge, feitelijke gegevens. Geboren in Praag in 1896, gestorven in het concentratiekamp Ravensbrück in het voorjaar van 1944. Journaliste, feuilletonschrijfster, vertaalster; wonend in Wenen, schrijvend voor in Praag verschijnende Tsjechisch-talige kranten en tijdschriften. Meer vragen dan antwoorden, vooral doordat haar aandeel in de briefwisseling als verloren moet worden beschouwd. Willy Haas, de bezorger van de uitgave van 1952, die haar in Wenen van nabij heeft gekend, beschrijft haar als 'een aristocrate uit de zestiende of zeventiende eeuw, een karakter zoals Stendhal ze aan de oude Italiaanse kronieken heeft ontleend en in zijn romans verwerkt'.

Tot voor kort bestonden er van Milena Jesenská twee biografieën. Een overlevende van Ravensbrück, Margarete Buber-Naumann, publiceerde een verslag van de gesprekken die ze met haar in het kamp had gevoerd, Kafkas Freundin Milena (in het Engels vertaald onder de misleidende titel Mistress to Kafka). Jesenská's dochter, Jana ÒCerna, die na de Tweede Wereldoorlog in Tsjecho-Slowakije was gebleven, noteerde haar herinneringen tijdens de Praagse Lente van 1968. Haar manuscript werd na de Russische inval het land uitgesmokkeld en in het Duits (Milena Jesenská) en het Engels (Kafka's Milena) vertaald.

De eerste levensbeschrijving is zeer onvolledig. De tweede doet een geslaagde poging de mythische gedaante van Milena door een authentieker beeld te vervangen, maar de hevige persoonlijke betrokkenheid van de schrijfster bij haar onderwerp en de ambitie haar moeder tegen de laster van communistische zijde te beschermen leiden tot een enigszins hagiografische toonzetting.

Afstandelijker, feitelijker en gedecideerder is de derde biografie, Milena Jesenská, geschreven door de uit Brno afkomstige en duitstalige Alena Wagnerová - het eerste boek waarin de nadruk niet in de allereerste plaats op Milena's betrekkingen met Kafka is terechtgekomen. Uit de beschikbare flarden distilleert Wagnerová de ondergang van een cultuurperiode, of liever gezegd: de vernietiging van twee onderscheiden decors van de Europese beschaving: de oude wereld van voor 1914 en de avantgardistische van tijdens het interbellum. Van beide is Jesenská zowel getuige als slachtoffer geweest, waardoor ze een aantal keren van gedaante lijkt te zijn veranderd.

Die persoonsverwisselingen worden in deze biografie op een bijna terloopse manier behandeld. Milena Jesenská groeit op als de dochter van een autocratische Praagse tandarts en kaakchirurg, hoogleraar aan de Karelsuniversiteit. De familie bewoont een art-nouveau-appartement aan het Wenceslasplein - een detail dat krachtig tot de verbeelding spreekt. In de periode voorafgaand aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ziet Milena de definitieve scheiding tot stand komen tussen de Duitse en Tsjechische gemeenschappen van haar geboortestad. Ze ziet, als kind, hoe de Habsburgse autoriteiten systematisch het Tsjechische streven naar politieke autonomie trachten te dwarsbomen. Als de oorlog uitbreekt en haar vader plotseling in ruime mate beschikt over patiënten met kapotgeschoten kaken, vormt dat de achtergrond waartegen ze de veranderingen waarneemt. En als zij na de oorlog terechtkomt in Wenen, zijn het haar armoede en de algehele grauwheid die het apocalyptische visioen begeleiden.

Milena is een van de eerste Tsjechische meisjes die naar het gymnasium mogen. Op aandringen van haar vader gaat ze medicijnen studeren, maar liever brengt ze haar dagen door in Café Arco, het type koffiehuis waar de literaire bohème en figuren als Franz Werfel en Max Brod, en nog later Franz Kafka, zich verzamelen. Ze raakt verliefd op Ernst Polak, een joodse literatuurcriticus, zeer tegen de zin van haar vader, die zich steeds intensiever beijvert voor de Tsjechische nationale zaak.

Het huwelijk met Polak resulteert al direct in een puinhoop. Milena's vader stemt met het huwelijk slechts in op voorwaarde dat het echtpaar in Wenen gaat wonen. Daar aangekomen laat Polak haar achter op het station, om een plaatselijke minnares te bezoeken. Binnen de kortste keren is de bruidsschat over de balk gegooid, en voor zover Milena geen ongedekte cheques uitschrijft, voorziet ze in haar levensonderhoud door op het station koffers te sjouwen en hier en daar een paar Tsjechische lessen te geven. Het idee om Kafka te vertalen wordt voor een belangrijk deel ingegeven door financiële motieven.

Na 1918 wordt Tsjecho-Slowakije onafhankelijk. Jesenská legt contacten met de Tsjechische pers en eerder dan ze had verwacht, in april 1920, verschijnt haar eerste Kafka-vertaling, het verhaal 'Der Heizer', in het Praagse tijdschrift Kmen ('Steen'). De briefwisseling klimt op dat moment naar een hoogtepunt. Begin juni schrijft Kafka:

'Man müsste Milena Ihr Gesicht zwischen beide Hände nehmen und Ihnen fest in die Augen sehn damit Sie in den Augen des andern sich selbst erkenne (. . .).'

Of het tot een werkelijke herkenning tussen Jesenská en Kafka, los van het papier, is gekomen, is erg twijfelachtig. Vooral de tweede ontmoeting, in augustus 1920, laat een bittere herinnering na, zoals onder meer blijkt uit een passage uit Das Schloss: 'Sie suchte etwas und er suchte etwas, wütend, Grimassen schneidend, sich mit dem Kopf einbohrend in der Brust des andern.' Enigszins ten overvloede schrijft Wagnerová: 'Die körperliche Erfülling blieb ihrer Liebe versagt.'

Pas na Kafka's dood keert Jesenská terug in Praag. Haar journalistieke loopbaan komt in een stroomversnelling. Ze raakt er betrokken bij het artistieke milieu, dat aanzienlijk levendiger is dan in het achterop geraakte Wenen. Ze trouwt voor de tweede keer, met de architect Jaromír Krejcar, bij wie ze een dochter en een gonorrhoïsche gewrichtsaandoening in haar rechterknie verwerft, waardoor ze de rest van haar leven mank blijft. Tevens slaagt Krejcar erin haar sympathie voor het communisme te wekken; in 1930 wordt ze lid van de Communistische Partij - een besluit dat ze na de showprocessen van 1936 in Moskou ten diepste betreurt. Tot aan haar dood zal ze de Sovjet-Unie blijven wantrouwen, en nog in het kamp Ravensbrück (kort na de Duitse inval wordt ze door de Gestapo gearresteerd) verdiept ze zich in het lot van naar Rusland uitgeweken Duitse anti-fascisten, die na de ondertekening van het Duits-Russische non-agressiepact door Stalin aan Hitler waren uitgeleverd. Op 17 mei 1944 sterft ze in het kamp, na een transfusie met besmet bloed.

'Alle meine Artikel sind Liebesbriefe', luidt de ondertitel van de biografie, die wellicht om commerciële redenen op het omslag is vermeld, maar die op de titelpagina ontbreekt. Het is een uitspraak die Jesenská betrekkelijk vroeg in haar journalistieke loopbaan heeft gedaan, en waaraan misschien een bescheiden symbolische betekenis is te geven. Veel karakteristieker voor dit tragische levensbericht is vermoedelijk het verschil tussen de twee portretfoto's die door Wagnerová zijn achterhaald: een gebarsten, glamour-achtige foto uit 1920, en een hard, granieten gelaat dat is vastgelegd in de zomer van 1939.

Tussen dat eerste gezicht en het tweede is de twintigste eeuw aan het werk.

Alena Wagnerová: Milena Jesenská. 'Alle meine Artikel sind Liebesbriefe'.

Bollmann Verlag, ¿ 43,70.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden