Pierlala komt thuis op het Vlaamse grasland

Dat je een opera niet God's Liar moet noemen, zoals de Engelse componist John Casken deed, wiens stuk vrijdag in première had moeten gaan in de Brusselse Munt, is duidelijk....

In plaats van uit elkaar te knallen van woede, is de Muntdirectie al weer bezig met de voorbereiding van een ander eigentijds werk, de tweeakter Luci mie traditrici van Salvatore Sciarrino.

De Vlaamse Opera is wat minder gebrand op nieuw repertoire, maar heeft toch ook iets van een reputatie te verliezen. Intendant Marc Clèmeur bewandelde voor de Belgische première van Ligeti's Le Grand Macabre een redelijk veilig traject, en ging winkelen in de Duitse operaregio. Met het Niedersächsisches Staatstheater in Hannover werd een 'Vlaamse' montering opgezet van Ligeti's 'anti-anti-opera', die een klassieker begint te worden.

Ze krijgen langzamerhand een plaats tussen de Figaro's, Lindoro's en Nanetta's van de komische operacanon: Go-Go, het halfgare onderdeurtje dat in Grand Macabre de prins is van Breughelland; zijn geheime dienst, aangevoerd door een kakelende 'Chef der Gepopo'; de krolse zweepjesmeesteres Mescalina die de komst afsmeekt van geeft-niet-wie, 'als hij maar zwaar geschapen is'; de Lamme Goedzak die hier Piet de Pot of 'Piet vom Fass' heet.

Mèt de Man met de Zeis beweegt deze stoet zich bij de Vlaamse Opera over grazige weiden en door een roestige rioolpijp, tegen de achtergrond van een stadssilhouet dat Vlamingen herkennen als het silhouet van Antwerpen. Daarmee is hij eindelijk 'thuis', de grote Pierlala die door György Ligeti uit het oeuvre werd geplukt van de Vlaams-Franse surrealist Michel de Ghelderode.

Ligeti's opera was na de première in 1978 in Stockholm onder meer te zien in Hamburg, Londen en Bologna. De animo zakte in toen duidelijk werd dat Ligeti begonnen was aan een nieuwe, 'definitieve' versie. Dat de eerste opvoering daarvan, in Salzburg, achteraf door de componist werd betiteld als een daad van 'valsemunterij' (regisseur Sellars had het stuk het aanzien gegeven van een atoomdrama), heeft anderen niet weerhouden het ook te gaan proberen met Nekrotzar, de 'Maaiende Zeis' uit Breughelland. Zo kwam de Reisopera in 1998 met een Grand Macabre als clownsspel, een 'witte' enscenering.

Het probleem van Pierrots op het podium is dat je ze niet uit elkaar houdt. De Duitse theaterman Ernst Theo Richter zet er in Vlaanderen een ander uiterste tegenover: karikaturen bevolken zijn grasland. De kampbewaakster-Mescalina die haar scheten laat in het gezicht van de trouwe Astrodomors, hoort, net als 's mans travestie-ondergoed, tot de inventaris van een kermistruck die knarsend komt aansukkelen. Sufgepakt door de Man met de Zeis wordt ze gedumpt in een vuilcontainer; eerste slachtoffer van een floppende apocalyps.

De essentie van Le Grand Macabre is dat men, net als in de poppenkast, simpel uit de dood kan opstaan, en dat ook de Dood kan sterven. Helaas kan hij beide. Dronken gevoerd door de miswijn van 'kapelaan' Piet de Pot, legt hij het in de enscenering van Richter af onder toezicht van de kadavers Napoleon en Hitler. Dat Richter hier niet miskleunt, komt door de beeldrelativeringen waarmee hij antwoord geeft op Ligeti's partituur, die, licht maar schrijnend, een twee uur durende kettingbotsing is van stukken en brokken, van stijlen, ideeën en idiomen.

De dirigent Luca Pfaff weet daar zijn weg in te vinden, net als de bas Monte Jaffe (Nekrotzar), de sopraan Caroline Stein (breiend besje als Chef der Gepopo) en haar manschappen van het Vlaams operakoor (geheime dienst; waterende Dobermans).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden