Petrischaal Parijs

Parijs oefende kort na de oorlog een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op Nederlandse kunstenaars. De kolonie die er in de jaren vijftig neerstreek, zou later furore maken. Een aardig boek volgt hun sporen.

Wat zou het mooi zijn als er foto's bewaard waren van die sinterklaasavond van 5 december 1953 in Parijs. Rudy Kousbroek (Sokpantalon voor zijn landgenoten), diens vrouw Ethel Portnoy, Karel Appel en zijn vriendin Tonie, Lotti van der Gaag en Elly Overzier - het is de fine fleur van de Nederlandse kunstenaarskolonie die kleumend bij elkaar zit in een schemerig schildersatelier aan de rue Santeuil. Nu nog arm en onbekend in Parijs, over een paar jaar smaakmakers in eigen land.


Appel maakte voor Portnoy een aangeklede aardappel met lucifers bij wijze van armen en benen; een subtiele verwijzing naar haar zwangerschap. Portnoy zou er later over schrijven: '... een stuk of wat vrienden ongeveer even uitgehongerd en platzak als wij zelf zaten in de vrieskou met jassen aan en mokken thee in de hand rond een petroleumkacheltje. Om ons heen stond voor een paar miljoen dollar aan schilderijen, maar dat wist toen nog niemand. Echte cadeautjes waren er wegens geldgebrek niet. Het waren bijna allemaal improvisaties.'


Parijs oefent kort na de oorlog een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op Nederlandse kunstenaars. Terwijl in eigen land alles in het teken staat van de wederopbouw, gaat het gerucht dat in Parijs de kunsten bloeien. Daar klinkt in kelders jazzmuziek, worden wilde filmexperimenten gedaan, ziet elke dag een nieuw tijdschrift het licht of ontstaat een nieuwe kunststroming. Zoals Remco Campert het verwoordde: 'In Parijs broeide en gistte het voortdurend. Alles waar ik naar verlangde, was daar ruim aanwezig. Er werd getekend, geschilderd, geschreven en ik hoopte er op het grote leven, of wat ik me daarbij voorstelde.'


Over die Nederlandse kunstenaars in Parijs schreef Diederik Stevens een dik boekwerk dat vrijdag verscheen. In Hoogtij langs de Seine noteerde hij alles wat er te weten valt over die kleine gemeenschap van artistieke bataves, zoals de Fransen ons graag aanduiden. Met eindeloos veel liefde en geduld heeft Stevens hun Parijse levens gereconstrueerd. Hij achterhaalde niet alleen wat ze maakten, met wie ze het deden of waar ze graag kwamen, maar ook wat ze aten, rookten (goedkope Parisiennes) en dronken (ze bleven urenlang op één kop koffie in het café zitten, om zo een warme plek te hebben om te werken).


Claus schreef er over in De vernieling, Campert in Alle dagen feest en Cremer in Ik Jan Cremer. Maar dat is fictie, al schemert de werkelijkheid er doorheen. Wat Stevens maakte is een biografie van het Parijs-Nederlands kunstenaarsleven, die tegelijk als reisgids kan worden gebruikt. Wie ooit een Corneille-pelgrimage wil maken in Parijs, vindt in Hoogtij langs de Seine alle zestien adressen waar de schilder woonde of atelier hield, treft een lijst aan van de bars die hij frequenteerde (elf stuks) en van de boekwinkel, clubs, galeries, markten, musea en theaters waar hij graag kwam. Een overzicht van de indrukwekkende rij tentoonstellingen van zijn werk in Parijs, solo en in groepsverband, maakt de documentatie compleet.


Eenzelfde behandeling valt Appel, Jacqueline de Jong, Mark Brusse en Hugo Claus ten deel, alsmede de schrijvers Kousbroek, Campert en Simon Vinkenoog, de multitalenten Jan Wolkers, Hugo Claus en Jan Cremer en nog een paar anderen. De geschiedenis van veel van de plekken waar ze kwamen, wordt nog eens apart beschreven. Voor wie het allemaal wil nalopen, zijn voor in het boek plattegronden opgenomen.


Simon Vinkenoog is de grote pionier van de Parijsgangers - al in september 1948 strijkt hij neer in de Franse hoofdstad. Hij is net 20, spreekt amper Frans, heeft nog geen letter gepubliceerd, maar weet wel wat hij wil: zich laven aan de bohemiens, Amerikaanse expats en Franse existentialisten die de sfeer op de rive gauche bepalen. Met zijn toenmalige vriendin Juc trekt hij van hotelletje naar hotelletje, krijgt een baantje bij de Unesco, begint het literaire tijdschrift Blurb, dat hij in z'n eentje vol schrijft en gratis toestuurt aan een aantal getrouwen en vindt zijn draai als auteur.


Hij zal wegbereider blijken van het bescheiden contingent kunstenaars dat hem volgt. Hoe klein hij ook behuisd is, de deur staat altijd open. Lucebert, tekenaar Opland, Cees Nooteboom, Hugo Claus en vele anderen maken daarvan dankbaar gebruik.


Later groeit het atelier van Appel en Corneille aan de rue Santeuil uit tot hoofdkwartier. 'Een buitensporig groot maar voorzieningenloos pand, dat bovendien een afgrijselijke stank afscheidt', noteert Stevens. En elders: 'Ze lezen er een krantje, spuien ideeën, opperen titels voor schilderijen en eten gezamenlijk.' Als Appel in zijn atelier een biefstukje voor eigen gebruik bakt, waarvan de geuren zich door het huis verspreiden, is dat een aanslag op de saamhorigheid. Tussen Appel en Corneille zal al snel verwijdering ontstaan.


Het is typerend voor de Nederlandse kolonie. Velen van hen zijn passanten, die een paar maanden of hooguit een paar jaar in Parijs domicilie houden en daarna terugkeren naar eigen land. De schrijvers zijn alleen al door hun taal sterk op elkaar aangewezen, schilders maken zich gemakkelijker onderling verstaanbaar en oriënteren zich daardoor internationaler.


De Nederlandse Parijzenaars zijn nogal eenkennig: de rechteroever van de Seine had voor hen net zo goed niet kunnen bestaan. In grote trekken volgen ze de omzwervingen van de artistieke spraakmakende gemeenschap over de rive gauche. Tussen de beide wereldoorlogen was Montparnasse, onveilig gemaakt door Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald, the place to be. Voor de Nederlandse gemeenschap zijn nog nagloeiende etablissementen als La Coupole, La Rotonde en La Closerie des Lilas aan de begrotelijke kant.


Later verschuift het zwaartepunt naar Saint-Germain-des-Prés, ruwweg tussen de Jardin du Luxembourg en de Seine. Maar ook in het vijfde arrondissement, rond de place de la Contrescarpe, hebben de Nederlanders hun adresjes.


Parijs, eeuwig maar niet onveranderlijk. Wie nu gaat kijken naar dat roemruchte atelier op de rue Santeuil 20, waar volgens Portnoy voor miljoenen dollars aan schilderijen stond, stuit op een gemeentelijk bureau ter bescherming van de bevolking, en daarachter een rij hemelsblauwe appartementen. Nog geen herdenkingsplaatje herinnert er aan de artiesten van de lage landen.


Vandaar is het een kleine wandeling naar de Place de la Contrescarpe, een plek die alles heeft wat je van een Parijs' plein mag verwachten. De vishandel lost er zijn lading, een dame loopt met een zakje in de hand achter haar hondje aan naar het plantsoentje. Hier op de hoek was Hôtel Beauséjour, waar Rudy Kousbroek met zijn Ethel woonde en de bandrecorder gebruikte om de stemmen van Claus, Adriaan Morriën en Corneille vast te leggen. Hier bivakkeerde Mark Brusse een tijdje, net als Daniel Spoerri. Beauséjour is veranderd in La Contrescarpe, een keurige brasserie. En aan bar Au Nègre Joyeux, waar Jan Cremer wel eens kwam met zijn vriendin - volgens Stevens 'een zinderend gebouwde negerin uit Mozambique' - herinnert alleen nog een groot paneel; het café zelf is nu een buurtsuper.


Een andere hotspot was het buurtje rond de rue de Seine. Ook daar is veel veranderd. The English Bookshop is nu een deftig galerietje: Laurent de Puybaudet. Maar La Palette, in de jaren zestig trefpunt voor tekenaar Bernard Holtrop, Willem van Malsen, Mark Brusse, Bob Groen en Paul de Lussanet, verkoopt nog steeds een dagschotel: Foie de veau met huisgemaakte puree voor 15 euro. Bij de Bar du Marché - door de Nederlanders café Triste genoemd vanwege de slechte bediening - staat een ober met witte voorschoot klaar. En zou het toeval zijn dat op het kruispunt van rue de Seine en boulevard Saint- Germain tegenwoordig Brasserie Mondrian zit?


Loop je een klein stukje verder over de boulevard Saint-Germain, dan passeer je eerst Old Navy Tabac (geliefd vanwege de flipperkast), waarna Le Mabillon in zicht komt, voormalig hoofdkwartier van de Nederlandse bende. Hier schreven Kousbroek en Campert gedichten, Vinkenoog kwam er, net als Hans Andreus, Corneille, Appel, Claus. 'Even verderop had je nog Les Deux Magots en De Flore', zou Portnoy uitleggen. 'Maar daar zaten mensen van middelbare leeftijd of ouder, zoals Sartre en zijn gevolg.' Nu is Le Mabillon een gewoon Saint-Germain-café: beetje donker, half modern en stevig aan de prijs.


Stevens heeft zijn werk met aanstekelijk plezier en voorbeeldige nauwgezetheid volbracht. Zo precies als hij is in de details, zo slordig is soms de taal. Bij de tweede druk zou uitgeverij Atlas met de stofkam door de zinnen moeten. Het boek wemelt van de halfrake formuleringen, ronkende omschrijvingen en pleonasmen in de trant van 'grote reus', 'laatste nekslag' of 'steenkoud en nagenoeg onverwarmd'.


Misschien kan dan meteen een andere omslagfoto worden gezocht. Want Montmartre is nu net een wijk waar de Nederlanders zich volgens Stevens zelden vertoonden.


Remco Campert


De foto's bij dit verhaal zijn van


Ed van der Elsken


(1925-1990), die in Parijs een relatie had met de Hongaarse fotografe Ata Kando en hier carrièrematig zijn Eerste Periode beleefde, tussen 1950 en 1954, waarin hij zijn lens voornamelijk op de bohémiens van Saint-Germain richtte. Een deel van de foto's resulteerde in de fotografische roman Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, dat zijn internationale doorbraak betekende. Tegenwoordig een cultboek: bij De Slegte ligt het nog voor een whopping 295 euro.


Parijse hotspots van de Nederlandse kunstscene


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden