Perdido, Mordido, Endido

De Amerikaanse concertserie Jazz At The Philharmonic was populair bij liefhebbers van spanning en sensatie, maar 'serieuze' luisteraars haalden er hun neus voor op....

ZELFS tenorsaxofonist Illinois Jacquet, die soms beweert met één solo het succes te hebben veroorzaakt van Jazz At The Philharmonic, meent zich af en toe te moeten distantiëren van dit rondreizende festival, dat is opgebouwd rond de georganiseerde jamsessie. In een recent interview voor Down Beat zei hij: 'Ik genoot er destijds niet van. Ik ben geen muziek gaan maken om er veldslagen mee te beginnen.' Critici hebben de concerten vaak afgedaan als ordinaire hanengevechten, de jazz onwaardig. Verve heeft nu een tien cd's bevattende box uitgebracht met alle opnamen die organisator Norman Granz van JATP heeft gemaakt, tussen 1944 en 1949, zodat iedereen kan horen wat er aan de hand was.

De muziek op deze cd's is ondenkbaar zonder Granz, en even controversieel als deze nu tachtigjarige producer-impresario, die blijkens een interview in het begeleidende boekwerk nog even eigenwijs is als altijd. Hij is in elk geval (mede)verantwoordelijk voor een aantal historische doorbraken. Zijn liefde voor de jamsessie, de informele bijeenkomsten waarop jazzmuzikanten spontaan samenspelen om ideeën uit te wisselen en elkaar de loef af te steken, bracht hem ertoe die 'cutting contests' te plannen. Hij presenteerde ze op concertpodia die het heiligdom waren van de klassieke muziek, en heeft meegeholpen om de rassenscheiding op het podium en in de zaal op te heffen, ondanks eindeloze irritaties en gevaren. Hij was een gewiekst zakenman, die zijn artiesten goed kon betalen, en wat meer is: hij deed het nog ook.

Een van de kenmerken van de jamsessie is dat muzikanten van verschillende generaties en opvattingen elkaar kunnen uitdagen. Dat speelde vooral tijdens de periode die deze box beslaat, toen Swing plaats moest maken voor Bop. Jazzmuzikant Bill Kirchner zwakt dit element nogal af in zijn bijgeleverde analyse, maar in die tijd waren de mannen kennelijk gretiger, want trompettisten als Roy Eldridge en zijn jonge rivaal Dizzy Gillespie waren wel degelijk gekomen om elkaar van het toneel te blazen. Granz genoot ervan die aggressiviteit aan te wakkeren, en zag er ook de commerciële potentie van in.

Die exploitatie van 'jazz vaudeville', zoals arrangeur Gary McFarland het noemde, leidde vaak tot opgehaalde neuzen bij de pers. En hoewel aan zijn liefde voor jazz niet hoeft te worden getwijfeld, nam Granz in zijn bemoeizucht ook wel eens beslissingen waarmee de muziek niet echt was gediend Toen hij er nog zelf de scepter zwaaide, was Verve vooral gespecialiseerd in dure producties rond sterren die al bijna waren opgebrand. Billie Holiday, Lester Young, Charlie Parker, Bud Powell: allemaal hadden ze hun beste werk al achter de rug toen Granz ze onder contract nam. Bovendien zadelde hij ze ook nog eens geregeld op met foute begeleiders, zoals de ijzerenheinig door timmerende drummer Buddy Rich bij Parker, of het roedel strijkers dat hij geregeld op liet draven.

De vier commentatoren die aan het boekje bijdragen, hebben allen de behoefte JATP tegen de kritiek te verdedigen. Het goede nieuws, dat kunnen we nu ruim twaalf uur lang constateren, is dat dat eigenlijk nauwelijks nodig is. Want zeker in deze eerste periode werkte de formule van JATP wel degelijk. De producer drukte zijn stempel op de bezettingen en het repertoire, maar liet de muzikanten verder hun gang gaan. En die vormden een waar pantheon van jazzgoden die aan het begin of het einde stonden van hun bloeitijd.

Lester Young was na zijn gruwelijke ervaringen in het leger dan misschien niet meer de sprankelende ideeënfontein uit zijn jaren met Count Basie; de elfachtige geest die zorgeloos over de akkoorden scheerde was ook nog niet verworden tot de mompelende zonderling van latere jaren. Hij kon nog spits en levendig tekeergaan, al lijken zijn noten in Slow Drag aan te komen drijven uit een andere wereld. Billie Holiday's stem en intonatie zijn nog niet krakerig en wankel, vreugde én melancholie gaan in deze opnamen betoverend samen.

De beroemdste solo's zijn waarschijnlijk die van Charlie Parker en Illinois Jacquet, en ze weerspiegelen het samengaan van sublieme creativiteit en vermaak dat JATP typeerde. Parker maakt van Gerswhins joyeuze Lady Be Good een intense blues, waarvan elke frase een juweeltje is aan een lange, volmaakt gerangschikte ketting. Een titelloze blues werd dankzij Jacquets overgeblazen gefluit en hese gebrul een jukebox-hit, zodat hij samen met collega Flip Phillips werd gezien als de voornaamste zondaar tegen de goede smaak.

Goed, er staan wat veel van deze rhythm & blues-achtige uitspattingen op deze cd's, want het publiek werd er wild van: na Perdido moest Mordido volgen, en dan nog Endido om het af te leren. Maar het grootste deel van de improvisaties blijft ook zonder zweetlucht boeien. Buck Claytons glanzende solo in I Can't Get Started is een perfect afgewogen song binnen de song. De excentrieke trombonist Bill Harris verrast en verleidt met bizarre humor. Nat Cole demonstreert dat zijn pianospel ten onrechte overvleugeld is door de populariteit van zijn stem. Coleman Hawkins straalt met machtige bouwwerken op de tenorsax een onontkoombare autoriteit uit.

En er is, vooral in de twee uur nooit eerder uitgebracht materiaal, ook veel dat buiten het jamsessie-idioom valt. Groten als Young en Hawkins krijgen de gelegenheid een kort stuk naar hun hand te zetten, alleen met een ritmesectie, zonder de hete adem van de concurrentie in de nek. Het trio van drummer Gene Krupa is een echte working band, en doorbreekt de eenvormigheid met leuke arrangementen, bijvoorbeeld als tenorist Charlie Ventura's valse lucht meeschuifelt met de brushes van de leider.

Slachtoffers vallen er ook: na Charlie Parker klinkt Swing-altist Willie Smith opeens hopeloos gedateerd en klompvoetig. Pianist John Lewis merkte naar aanleiding van Lady Be Good op: 'That solo made old men out of everyone onstage that night.' Maar meestal blijft het bij goedmoedig geplaag, zoals in de confrontatie tussen Cole en gitarist Les Paul.

Natuurlijk is deze verzorgde verzameleditie bovenal een historisch document. De verpakking wijst daar al op: een mini-lichtbak van hout en plastic die met geen mogelijkheid tussen de cd's in de kast is te proppen. Een aardige, maar ook passende grap, want naast veel echte hoogtepunten biedt de box vooral enorm veel plezier; soms misschien iets te ongecompliceerd voor de serieuze beschouwer of de snob, maar dat is geen bezwaar voor hen die weten dat ordinair ook lekker kan zijn.

The Complete Jazz At The Philharmonic On Verve 1944-1949. Verve 3145238932JKO (tien cd's, * 384,95).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden