Pelgrims met vieze voeten

Wie één keer in zijn leven Caravaggio wil ‘doen’, moet nu naar Rome. Op loopafstand van zijn werk in de kerken van Rome zijn nu zijn allerbeste schilderijen te zien....

Er zijn een paar schilderijen waarin al Caravaggio’s talent is samengevat. Je staat ervoor en kijkt ernaar, ziet steeds weer meer, en het wordt complexer en de schilder blijkt steeds intelligenter, en toch blijf je naar een heel eenvoudige voorstelling kijken.

Bij een bezoek aan Rome krijg je een paar van die werken cadeau. Gewoon door een van de drie kerken binnen te lopen waarin zijn schilderijen hangen. Openbaar, gratis toegankelijk, en perfect binnen de oorspronkelijke context bewaard. Je moet hooguit af en toe een muntje in het doosje aan de wand gooien, zodat het licht er weer even op gaat schijnen.

De kruisiging van Sint Petrus is zo’n schilderij, in de kerk Santa Maria del Popolo. Op en top Caravaggio (1571-1610) – te beginnen met de gevoelsmatige gewoonheid van de figuren. Er wordt daar iemand op z’n kop gekruisigd, dus dat is alvast een tegenstelling. Hoe kan zoiets gruwelijks en onalledaags gewoon aanvoelen?

1: Door de huid. Het lichaam van Petrus is dat van een oude, maar toch fitte man zoals iedereen dat wel eens heeft gezien. De spieren zijn zichtbaar, maar wel onder een dunne huid die toch nét wat ruim zit. Het geaderde voorhoofd, de lippen die net hangen, die rooiïge knieën.

2: Door de beweging. Geen beweging zo acceptabel als die van Michelangelo Merisi da Caravaggio. Dat het houten kruis met de kerkvader erop verdomde zwaar is, registreer je in een seconde. De beul die het kruis omhoog probeert te duwen bezwijkt bijna, de spieren van de dragende beul staan gespannen en het touw striemt in de rug van de derde beul.

3: Door de blikken. Of de afwezigheid daarvan. Petrus kijkt niet heilig maar verward, vraagt zich af wat er aan de hand is. De beulen zelf zijn anonieme arbeiders. Ze hebben géén gezichten, zoals ook de arenleessters van Jean-François Millet dat niet hebben. Ze zijn het Kwaad, maar ze zijn ook jij en ik die in de kerk langs dat schilderij lopen.

Het is allemaal te dichtbij, te begrijpelijk, om op afstand te houden. En dan hebben we het nog niet eens over de vieze voeten van de beul. De beroemde vieze voeten, die Caravaggio in verschillende voorstellingen inzet om de sfeer van gewone mensen uit de Romeinse straten neer te zetten.

Katholiek zijn is gewoon zijn. In elk geval in Caravaggio’s beleving. Leven, zondigen en vergeven worden. Terwijl eeuwenlang een verheven en vaak afstandelijk beeld van God en de heiligen bestond, liet Caravaggio zien dat het allemaal maar mensen zijn: Madonna van Loreto, de blootsvoetse Heilige Maria met baby op de heup in de Sant’Agostino, aanbeden door pelgrims met al even vieze voeten. De gokkende, quasi-onverschillige Mattheus en Jezus zelf in de verderop gelegen San Luigi dei Francesi, en deze Petrus en zijn beulen. De heiligen, en de volgelingen, ze dragen kleding uit de tijd van de schilder, niks historisch, niks opgeprikt, niks verheven. Daarmee trok Caravaggio de religieuze beleving van de Romeinen zonder pardon de werkelijkheid in.

De scheidslijn tussen alledaags en heilig wordt bewust doorbroken door de schilder. Caravaggio is, in meerdere opzichten, de kunstenaar die tegenstellingen in zich verenigt. Maar op zo’n manier, dat niets meer als tegenstelling aanvoelt.

In die Romeinse openbare werken, besteld door rijke gelovigen en bedoeld voor de arme kerkbezoekers, is dat overduidelijk. Maar hoe zat het met de privéopdrachten? Schilderde Caravaggio net zo allemansreligieus wanneer hij voor de steenrijke kardinalen en Romeinse burgers goed betaalde salonschilderijen maakte?

Voor het eerst is dat nu, in één dag, gemakkelijk voor elke Romereiziger te vergelijken. Want de aller-, allerbeste Caravaggioschilderijen uit musea en privécollecties zijn op loopafstand van die drie kerken samengebracht in de voormalige stallen van het Palazzo del Quirinale, de Scuderie. Caravaggio is dit jaar vierhonderd jaar dood en, volgend op de trend van de laatste jaren om geboorte- en sterfdagen uitgebreid te vieren, hebben de Italianen een feestjaar. Hun geliefde, verguisde, maar o zo geniale Caravaggio moet gevierd. En dat is gelukt; wie één keer in zijn leven Caravaggio wil ‘doen’, moet nu naar Rome.

Er missen er hooguit zes, zeven. Echte goede werken van de schilder die níet naar de tentoonstelling zijn gekomen. De rest is er. Ten eerste uit de beste Romeinse verzamelingen: De graflegging uit het Vaticaan, de Jongen met fruitmand en David en Goliath uit de Galleria Borghese, Judith die het hoofd van Holofernes afhakt uit het Palazzo Barberini. Dan van ver: de Annunciatie uit Nancy, De Emmaüsgangers uit Londen, de muzikanten uit New York en de luitspeler uit Sint Petersburg, onder meer. Zelfs met een kopstuk als Caravaggio, toch een equivalent in roem van Michelangelo, Titiaan of Rembrandt komt dit nooit, of hooguit eens per generatie voor.

[Zie verder pagina 14]

Schilderijen vol met Caravaggio's vrienden
[Vervolg van pagina 13]

Er is een overlap in het museum met de werken in de drie Romeinse kerken: monumentale schilderijen die oorspronkelijk voor kerken zijn gemaakt, maar toch in musea of privéverzamelingen zijn beland. De meest interessante is de Bekering van Saulus onderweg naar Damascus (1600-1601) uit de privécollectie van de familie Odescalchi-Baldi. Onder dezelfde titel hangt in de Santa Maria del Popolo een heel ander schilderij. De Odescalchi blijkt een eerste versie, die om onduidelijke redenen werd afgekeurd door opdrachtgever Tiberio Cerasi, advocaat van de paus. Caravaggio maakte een nieuwe, die in de kerk hangt, en deze eerste is nu te zien in de Scuderie.

Alleen dit schilderij al draagt de tentoonstelling, voor een deel. Omdat het nooit te zien is, omdat je het nu kan vergelijken, en omdat je je eigenlijk vooral afvraagt waarom deze versie ooit is afgekeurd. Niet dat afkeuring van Caravaggio’s werk gek zou zijn. In zijn tijd was men wel vaker geschokt door zijn werk – dat heb je als je hoeren laat poseren als Madonna of Sint Catharina. Maar juist bij dit schilderij is van zulke schokeffecten niks te vinden.

Het vertelt simpelweg veel meer dan de tweede versie. Saulus dondert met groot drama op de grond, Jezus overvalt hem bijna – het is dat Hij in bedwang wordt gehouden door een engeltje, anders zou je denken dat Hij ging aanvallen. De omstanders, die niks zien van dit visioen – want het werd natuurlijk alleen aan Saulus geopenbaard – schrikken zich alleen maar rot van het lichtgeweld. Het paard steigert bijna, een soldaat duikt weg, een ander trekt verward zijn zwaard, maar waar precies naartoe? Als het gaat om een overweldigende openbaring, had Cerasi het toch echt bij deze versie moeten houden.

De tentoonstelling is eenvoudig, maar erg goed ingedeeld – gewoon drie fasen in Caravaggio’s leven, van zijn late start (na zijn 20ste) tot zijn jaren als balling in Napels, Malta en Sicilië, nadat hij uit Rome had moeten vluchten omdat hij een man had vermoord. Er wordt niet gedweept met de mythe rondom zijn persoonlijkheid – hoe hij de tragische held uithing, die toch beschermd werd door het Vaticaan en hoe hij een onmogelijke straatvechter was. Dat besmet uiteindelijk alleen maar de manier van kijken naar zijn werk. Helderder dan in de Scuderie kan je het voor een geïnteresseerde niet-kenner niet krijgen, en dankzij de eindeloos lange maar boeiende analyses in de audiotour is er ook voor de doorgewinterde ‘Caravaggist’ veel nieuws te horen.

De privéwerken geven niet een minder ‘paradoxaal’ beeld van de schilder en de realiteit waarin hij leefde. Ze zijn intiemer, trekken je nog meer naar het leven van de opdrachtgevers en de schilder toe, en tegelijk zijn ze nog intelligenter. Nog meer wordt zichtbaar hoe de voorstellingen bevolkt worden door Caravaggio’s vrienden; hetzelfde jongetje, ‘Cecco’, is achtereenvolgens Amor, Johannes de Doper, een engel en Isaac, die op het punt staat geofferd te worden door zijn vader – je ziet hem ouder worden. Dezelfde man is Emmaüsganger en Judas, dezelfde vrouw Sint Catharina en Judith. Het is zijn familie, steeds in verschillende rollen.

De werken laten, misschien nog meer dan de religieuze, een grote kennis zien van mythologie, wetenschap, symboliek en de kunstgeschiedenis – Caravaggio citeert soms letterlijk Michelangelo of beelden uit de klassieke oudheid. Tegelijkertijd zijn ze soms zo aanraakbaar en sensueel dat je je afvraagt wat nou de echte reden was dat kardinaal Francesco del Monte of markies Vincenzo Giustiniani ze bestelden. Dat geldt voor Amor, die de klassieke deugden en wetenschap beheerst, en je tegelijkertijd inpakt met zijn naaktheid en onwaarschijnlijk directe blik. Voor de romige jongens in de Muzikanten, die zo ingenieus samen een allegorie op de muziek vormen, met instrumenten, bladmuziek, Cupido en druiven die, net als muziek, de geest vrolijkheid geven (als wijn). Zo jong en zacht als ze zijn, met ook nog Caravaggio zelf die je recht aankijkt, is het ook een echt en uitdagend privéschilderij.

Steeds weer vind je dat uiterst reële verenigd met doordachte symboliek. Alsof Caravaggio de mythe best wilde verbeelden, maar alleen zoals die ook echt zou hebben plaatsgevonden voor zijn neus. Zelfs bij gruwelijke voorstellingen als Judith en Holofernes, of Abraham en Isaac.

Maar de topstukken geven nog iets bloot: de vereniging van klassiek en hypermodern. Ja, Judith is een klassieke schoonheid, al staat ze ter plekke Holofernes te onthoofden. Ja, in Jezus die ter grave wordt gedragen kan je het iconische beeld van Michelangelo’s Pietà herkennen. En ja, de compositie van de Kruisiging van Sint Petrus is volgens de regels van het manniërisme perfect uitgebalanceerd.

Maar wie door zijn wimpers kijkt, ziet ook een abstract werk. De beulen en martelaar apart gezet, is de voorstelling een heldere verdeling tussen rood, groen, blauw en gele vlakken, bestaande uit vier kleurige kledingstukken binnen de verder overheersend bruine voorstelling. Lichtval en scherpe schaduwen doen de rest. Ook de schaduwen in andere schilderijen kunnen soms personen of voorwerpen doormidden hakken, alsof het niet om hele personen maar om bubbels van lichtinformatie gaat. Het is extreem realisme en abstractie ineen: de gezichten in De gevangenneming van Christus, de spieren van Johannes de Doper, de gebogen vingers van slapende Amor. Het is niet vreemd, laten deze schilderijen zien, dat Caravaggio in de moderne tijd steeds meer aandacht kreeg. Hij gebruikt het licht om zijn verhaal te doen. Niet zoals Rembrandt, door een dramatisch narratief te creëren. Maar door woeste, soms brute keuzes, die het een in je gezicht duwt en het ander doet wegzinken als in een moeras.

vk.tv/caravaggio

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden