Interview Pedro Duque

Pedro Duque, de astronaut die minister werd: ‘Spanje heeft gefaald’

Geen land in de EU besteedt zo weinig aan innovatie als Spanje. Het is aan voormalig astronaut en minister Pedro Duque om de sector te reanimeren. ‘Ik moet aan de bak.’

Pedro Duque voor zijn eerste vergadering als de Spaanse minister voor Wetenschap en Innovatie. Beeld Getty

‘Ik heb in veel verschillende landen gewoond, waaronder in Nederland. En ik heb gezien dat de ene regering meer belang hecht dan de andere aan universitair onderwijs, aan wetenschap, aan technologie, aan het aantrekken van technologische bedrijven – Nederland is bijvoorbeeld heel goed in dat laatste. Altijd verkondigde ik dat we het zo moesten doen in Spanje: meer onderzoek, meer wetenschap.

‘Toen de minister-president me opbelde, stond ik voor de keuze: of ik zeg nee, en ik blijf in het luchtledige praten. Of ik zeg ja en moet aan de bak. Het leek me verantwoordelijker om, nu ze me de kans gaven, het zelf te proberen.’

Pedro Duque (55) is de ster van de linkse regering die onlangs aantrad in Madrid. Vrijwel iedere Spanjaard kent hem: hij is de enige astronaut uit Spanje die op ruimtereis ging, en dat zelfs twee keer. Zijn benoeming werd met groot ­enthousiasme ontvangen. Nu zouden wetenschap en innovatie eindelijk hoog op de agenda komen te staan.

Dat is hard nodig: Spanje is een achterblijver in Europa. Terwijl landen in de EU gemiddeld 1,9 procent van het bbp besteden aan research and development (R&D), en het Europese doel is vastgesteld op 3 procent, blijft Spanje steken op 1,2 procent. Spanje is bovendien, samen met Finland, het enige EU-land dat de uitgaven zeven jaar achter elkaar verlaagde – met het verschil dat Finland nog steeds ruim boven het EU-gemiddelde zit.

Het is een nogal riskant beleid: op deze manier wordt nauwelijks hoogwaardige werkgelegenheid gecreëerd. En dat maakt Spanje vatbaar voor nieuwe economische tegenslag. Zo snel als er nu immers banen ontstaan – in het toerisme, bijvoorbeeld – zo snel kunnen die banen straks weer verdwenen zijn.

Als u als minister één ding zou kunnen veranderen in Spanje, wat zou het dan zijn?

‘De manier waarop Spanjaarden denken over investeringen in wetenschap en technologie. De mentaliteit moet veranderen. Iedereen, ongeacht zijn ideologische overtuigingen, zou moeten denken: we moeten meer belang hechten aan wetenschap en technologie. We moeten echt een paar forse stappen maken, want we lopen jaren achter.’

Hoe verklaart u de huidige mentaliteit, waarin wetenschap en technologie zo onbelangrijk worden gevonden?

‘Ik weet het niet… Het feit dat het inkomen hier lager ligt dan in andere landen, leidt ertoe dat mensen andere prioriteiten hebben. Ze houden zich eerder bezig met problemen op de korte termijn. Dat is normaal. Maar je zou de verbinding moeten maken. Dat wil zeggen: we moeten nog steeds de dringende problemen die werklozen hebben aanpakken, en dat blijft onze hoogste prioriteit, maar we moeten ook de investeringen in de toekomst fors verhogen. Want als we dat doen, hebben we over tien of vijftien jaar veel minder problemen van de eerste soort.’

De investeringen in innovatie zijn de afgelopen jaren juist sterk afgenomen – welke politieke partij ook aan de macht was.

‘Ja. Daar kun je absoluut niet trots op zijn. Alle andere landen verkeerden ook in crisis, en de gevolgen waren hetzelfde als in Spanje: armoede, werkloosheid, et cetera. Toch geloof ik dat er geen enkel land in Europa is waarin de uitgaven aan onderzoek en technologie zozeer onderuit zijn gegaan. Je kunt niet anders zeggen dan dat we echt hebben gefaald. We hadden moeten volhouden, zoals anderen ook hebben volgehouden.’

Wat zijn de gevolgen geweest van dat gebrek aan investeringen?

‘Het heeft ertoe geleid dat wetenschappers steeds ouder zijn. Wie een contract had, heeft dat nog steeds. Maar als iemand met pensioen ging, werd die niet vervangen. De nieuwe lichting werkt in onacceptabele omstandigheden: tegen een erg laag salaris en met heel weinig zekerheid.

‘Een ander gevolg is dat een steeds groter gedeelte van het werk van Spaanse wetenschappers wordt betaald uit Europese middelen. Dat geldt ook voor de bedrijven. Het is zelfs zo dat het midden- en kleinbedrijf nergens zo veel Europees geld weet te bemachtigen als in Spanje. Als de nood aan de man is, worden mensen vindingrijk, blijkbaar. Het laat zien dat er in Spanje veel vindingrijkheid is. Daarom denk ik ook dat Spanje zich op het gebied van innovatie snel en sterk zou kunnen ontwikkelen.’

Pedro Duque, de enige Spaanse astronaut ooit, na zijn landing in Kazachstan in 2003. Beeld AFP

Er is een enorme exodus geweest van hoogopgeleide Spanjaarden naar het buitenland. Hoe wilt u die mensen terughalen?

‘Het komt allemaal op hetzelfde neer. Als we meer geld aanwenden voor wetenschap en innovatie, dan hoeven niet zo veel mensen weg te gaan. Misschien niet één meer.’

De enige oplossing is: meer investeringen?

‘Nee. We hebben nog een probleem in Spanje. Bij veel overheden overheerst het idee dat er mensen zijn die publiek geld oneigenlijk gebruiken.’

Corruptie?

‘Ja, en ook kleine onregelmatigheden. Het heeft ertoe geleid dat er heel strenge controles zijn ingesteld. ­Iedere uitgave wordt vooraf gecontroleerd. Dat heeft het systeem van wetenschap en technologie verregaand beïnvloed. Het heeft de snelheid weggenomen. Terwijl je in de wetenschap snel moet werken om competitief te kunnen zijn.’

Hoe werkt de praktijk in Spanje?

‘Stel, een wetenschapper wil een dure chemische stof kopen. Dan moet hij een brief schrijven aan het ministerie van Financiën om te vragen of hij die aankoop mag doen uit de publieke middelen. Ze begrijpen daar natuurlijk niet wat die stof is. Maar ze kijken eens rond, en na een paar dagen geven ze hun toestemming. Daarnaast is er een wet die voorschrijft dat je schriftelijk moet uitleggen waarom je iets koopt wat niet op de lijst staat van dingen die de staat normaliter koopt. De specifieke stoffen die in de wetenschap nodig zijn staan uiteraard niet op die lijst. Voor elk van die dingen moet dus een schriftelijke onderbouwing worden opgestuurd. Dat leidt tot maanden vertraging.’

Wat gaat u doen tegen die bureaucratie?

‘Het parlement heeft in juli ingestemd met het afschaffen van controles vooraf als het gaat om geld van de EU – dat controleert de EU zelf immers. Ook is het bedrag waarbij een schriftelijke onderbouwing moet worden ingediend behoorlijk verhoogd. Dat is niet mijn verdienste. Het stond al in de begroting waarover de vorige regering had onderhandeld. Maar ik moet toegeven: dat is goed gedaan.

‘Verder is het de bedoeling om een aantal beroepen aan te wijzen waarin we meer vertrouwen hebben dan in andere. Bijvoorbeeld in een dokter, een universitair docent, een ambtenaar, een politieagent. Wat deze mensen willen, keur je in principe goed. Dat controleer je hoogstens achteraf.’

In Nederland zijn een aantal topsectoren aangewezen, zoals water,  logistiek en creatieve industrie. Daarin wordt extra geïnvesteerd. Ook een idee voor Spanje?

‘Ik ben er een groot voorstander van meer bekendheid te geven aan onze strategische sectoren. Spanje, dat zijn vliegtuigen, dat is de ruimte, dat zijn treinen – ik geloof dat het Spaanse hogesnelheidsnetwerk het uitgebreidste is na dat van China.

‘Spanje is ook een van de landen ter wereld waar de meeste auto’s worden geproduceerd. Het zou niet verkeerd zijn als die bedrijven hun R&D-centra in Spanje vestigen. Ze zouden kunnen profiteren van het overschot aan talent hier. Want dat is wat we hebben: een overschot aan talent. Als je kijkt naar de statistieken van het tekort aan mensen met technische beroepen, dan is dat misschien het grootst in Duitsland. Helemaal onderaan staat Spanje, want hier komen we niemand tekort. Dat wil zeggen dat Spanje de beste plek van de wereld is voor iedereen die een technologisch centrum wil opzetten. Dat idee wil ik uitdragen.’ De minister lacht er verlegen bij.

Spanje is een groot pleitbezorger van het Europese schokfonds, waarmee landen hun economie kunnen versterken als ze getroffen worden door een economische crisis. Maar hoe valt dat uit te leggen aan noordelijke landen, als Spanje zelf zo weinig investeert in een modernere economie?

‘Als we willen dat de hele EU vooruitgaat, dan moeten we streven naar convergentie. Zodat overal kennis wordt geproduceerd, overal de levensstandaard hoog genoeg is, en we op die manier met z’n allen op een hoger niveau leven.’

Toch heeft het iets vreemds: Spanje investeert zelf steeds minder in R&D, en dat moet worden opgevangen door de rijkere EU-landen?

‘Een belangrijke verklaring voor het lage percentage in Spanje is het achterblijven van investeringen door bedrijven. Bedrijven moeten begrijpen dat het voor hen veel voordeliger is om hun R&D-centra in Spanje te vestigen, dan in andere landen te blijven waar ze veel belasting betalen en hoge lonen. Economisch gezien slaat dat nergens op.’

Komt uw ervaring als astronaut u nog van pas nu u minister bent?

‘Als astronaut leer je natuurlijk veel over technische zaken, je leert om precies te werken, maar je leert ook te leiden door overtuiging. Je werkt samen met veel mensen, allemaal even intelligent, maar jij bent degene die straks in de ruimte is. In iedere vergadering over wat je daar gaat doen, hoe de apparaten worden ontworpen, wat eerst moet worden gedaan en wat later, moet je mensen overtuigen, ervoor zorgen dat ze je volgen, zonder dat je officieel hun leider bent. Dat is ook nodig in het openbaar bestuur.’

U kent vast de Nederlandse astronaut André Kuipers wel. Hij zegt altijd dat zijn verblijf in de ruimte zijn denkbeelden voorgoed heeft veranderd, omdat hij zag hoe kwetsbaar de aarde is. Geldt dat ook voor u?

‘Ik denk dat iemand erg verandert door naar de ruimte te gaan. Dat komt ook door alle jaren van voorbereiding: je leert de wetenschappers kennen die de experimenten hebben ontworpen, je ziet andere landen, je leert vreemde talen, je past je aan aan verschillende mentaliteiten, je spreekt in het openbaar voor duizenden personen. Dat alles heeft me haast meer veranderd dan de pure stress tijdens de tien dagen dat ik in de ruimte was.

‘Voor André was het misschien anders, omdat hij de kans kreeg om meer dan zes maanden in de ruimte te verblijven. Dan kun je het meer tot je laten doordringen. Maar inderdaad, ook ik zag hoe dun de atmosfeer is. Als astronaut ben je je scherper bewust van de noodzaak het milieu te beschermen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.