Pechvogels bij het verdelen van de taart

De Oeigoeren zijn schijnbaar uit het niets wereldnieuws geworden. De bloedige rellen in Urumqi vestigen de aandacht op een islamitisch Turks nomadenvolk dat tot twee keer toe een eigen republiek uitriep, maar steeds meer opgesloten lijkt in China....

Je kunt de tientallen ‘nationale minderheden’ die gedoemd zijn opgesloten te blijven in een groter staatsverband, grofweg verdelen in drie categorieën: pechvogels, geluksvogels en gelukkige pechvogels. Tot de laatste categorie behoren al die minderheden die in landen wonen – liefst welvarende – waarin hun taal en cultuur beschermd zijn en waar ze niet zoveel te klagen hebben.

Geluksvogels vormen een select groepje nationale minderheden die hun droom om een eigen staat op te richten bewaarheid zagen worden in de maalstroom van de internationale machtspolitiek. In de recente geschiedenis waren dat bijvoorbeeld de Kosovaren (met dank aan de Verenigde Staten), de Abchaziërs en de Zuid-Osseten (met dank aan Rusland). Of die ‘geluksvogels’ nu altijd zo gelukkig zijn in hun fel bevochten land is trouwens een andere vraag.

Maar de dichtst bevolkte categorie nationale minderheden is die van de pechvogels – en de Oeigoeren, die afgelopen week schijnbaar uit het niets opeens wereldnieuws werden, behoren tot de grootste pechvogels van allemaal.

Een haar had het gescheeld of hun Republiek van Oost-Turkestan, die ze in 1933 en opnieuw in 1944 uitriepen, had nu in de bankjes van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gezeten. Net als Kazachstan, Oezbekistan, Kirgizië, Tadzjikistan en Turkmenistan. Zijn de Oeigoeren immers niet een islamitisch Turks nomadisch volk, dat eeuwen het wel en wee van de andere Centraal-Aziatische volken deelde?

De pech voor de Oeigoeren was dat ze bij de verdeling van de taart in Centraal-Azië niet werden opgeslokt door de Russen of de Britten, maar door de Chinezen, in het midden van de 18de eeuw. Een imposante reeks opstanden volgde, soms met succes: tussen 1866 en 1876 werd het gebied bestuurd door krijgsheer Jakub Beg, alvorens het in 1877 ‘definitief’ werd ingelijfd als ‘Nieuw Gebied’: Xinjiang.

Het begin van de vorige eeuw, toen China in een chaotische periode belandde van met elkaar strijdende krijgsheren, bracht nieuwe kansen voor de Oeigoeren. Temeer daar de jonge Sovjet-Unie Centraal-Azië verdeelde in quasi-staten die elk de status van republiek kregen.

Zolang China in een burgeroorlog verwikkeld was, leek het Sovjet-leider Jozef Stalin een goed idee hier en daar wat van het machtige rijk af te snoepen – Oost-Turkestan bijvoorbeeld, dat onbetwist een Centraal-Aziatisch gebied was, bijna even ver verwijderd van Moskou als van Peking. Na het bezwijken van de eerste Republiek Oost-Turkestan in 1933 stond het gebied vijftien jaar onder Sovjet-curatele. Tussen 1944 en 1949 beleefde het zelfs een langere periode van nominale onafhankelijkheid.

Stalin stuurde militairen om de plaatselijke bestuurders in het zadel te houden en dwong ze contracten te tekenen die de Sovjet-Unie vijftig jaar lang rechten gaven op de ontginning van delfstoffen. Uranium uit het gebied werd gebruikt bij de vervaardiging van de eerste atoombom van de sovjets. Maar met de overwinning van de Chinese communisten verloor Stalin zijn belangstelling in het gebied en gebood hij de leiders naar Peking te vliegen om te onderhandelen over opname in Chinees staatsverband.

Reïntegratie
Het vliegtuig waarin de voltallige nationalistische elite die reis begon, stortte onderweg onder nooit opgeklaarde omstandigheden neer. How convenient, zouden de Britten zeggen. De reïntegratie in China was een feit.

Deze historische episode doet niets af aan het feit dat Xinjiang volgens het volkenrecht onder de Chinese soevereiniteit valt. Het geeft een deel van de verklaring waarom sommige Oeigoeren nog steeds een onafhankelijk Oost-Turkestan nastreven, althans op papier.

De strubbelingen van deze week zijn veel meer geworteld in het recente Chinese bestuur over de provincie dan in historische claims. Hierin onderscheidt het lot van de Oeigoeren zich nauwelijks van andere nationale minderheden, die zich overwoekerd weten door een stroom ‘immigranten’ vanuit het centrum – en die nauwelijks profiteren van de rijkdom die hun land de nationale staat oplevert.

Het voornaamste instrument waarmee de Chinezen de definitieve kolonisatie van Xinjiang bewerkstelligden, was de migratie van Han-Chinezen naar het afgelegen gebied. Dat gebeurde op dezelfde wijze – en met soortgelijke desastreuze effecten voor de plaatselijke bevolking – als de Indonesische transmigratiepolitiek en de massale migratie van etnische Russen naar nieuwe wingebieden, zoals de Baltische staten.

Het blijft een van de ironische erfenissen van de anti-koloniale stroming die destijds de publieke opinie van de westerse landen veroverde. Die selectieve verontwaardiging over het kolonialisme heeft nogal wat nationale minderheidsgroepen de kop gekost – of althans, de kans op een eigen staat.

Relatieve rust
De Chinese migratie naar Xinjiang onder Mao’s gezag betekende dat het percentage etnische Chinezen, in 1949 nog 6, bij de dood van de Grote Leider in 1976 was gestegen tot 41,5. Na een periode van relatieve rust in de jaren tachtig, was de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 een nieuwe impuls om de enorme provincie (die tweemaal zo groot is als Turkije) onder strikt toezicht te plaatsen.

De vestiging van een serie onafhankelijke staten in Centraal-Azië schiep voor de Chinese leiders enorme bedreigingen en kansen. Aan de ene kant opende zich weer een groot en mineraalrijk gebied dat traditioneel onder Chinese invloed had gestaan. Aan de andere kant was er het gevaar dat de ontwikkeling van etno-nationalistische moslimlanden (elk met Oeigoer-minderheden) aan de westgrens ook het separatisme in Xinjiang zou bevorderen.

Van alle grote etnische groepen in Centraal-Azië bleven in de herschikte ordening alleen de acht miljoen Oeigoeren verstoken van een eigen staat. De politieke en economische opwaardering van het gebied voltrok zich gelijktijdig: nieuwe vondsten van olie- en gasvelden in het Tarimbekken maakten van Xinjiang de afgelopen twintig jaar het belangrijkste wingebied voor die delfstoffen op het Chinese vasteland.

Die ontwikkeling ging hand in hand met een nieuwe migratiegolf Han-Chinezen. Peking hoopte dat deze migratie het Oeigoeren-probleem zou ‘neutraliseren’, maar de Oeigoeren voelden zich juist meer dan ooit verdrukt in hun eigen land, een gevoel dat versterkt werd door het feit dat ze veel minder profiteerden van de nieuwe welvaart die de delfstofwinning bracht dan de Han-Chinezen.

De ‘opening’ van Centraal-Azië en de altijd groeiende Chinese behoefte aan delfstoffen gaven Xinjiang een centrale rol in de onstuimige groeistrategie van de wereldmacht. Het gebied is niet alleen een leverancier van grondstoffen, maar ook een onmisbare schakel in de nieuwe infrastructuur die China aanlegt om Centraal-Azië aan zich te binden.

In de Great Game om nieuwe olie- en gascontracten, die zich in de jaren negentig in Centraal-Azië ontspon, heeft China zich ontpopt als de belangrijkste concurrent van de Russen. De oliepijpleiding van Kazachstan naar China die wordt gebouwd, moet uiteindelijk reiken naar de Kaspische Zee. Na de machtswisseling in Turkmenistan, vorig jaar, was China er snel bij om een groot contract voor de ontwikkeling van een gasveld af te sluiten.

Uiteindelijk moet de regio door nieuwe pijpleidingen – die allemaal door Xinjiang lopen – ook een landroute bieden naar delfstoffen uit het Midden-Oosten (een van de redenen waarom China Iran te vriend houdt).

De belangstelling voor Centraal-Azië is niet alleen economisch. De politieke banden moeten de stabiliteit in de regio garanderen. Onrust, vooral afkomstig van militante moslimgroepen die in Centraal-Azië opereren, zou direct kunnen terugslaan op de situatie van de Oeigoeren in Xinjiang.

Het toegenomen strategische belang van Xinjiang heeft slecht uitgepakt voor de Oeigoeren. Ze dreigen een minderheid te worden in hun autonome provincie. Ook is de tolerantie van Peking voor hun religieuze en andere rechten drastisch afgenomen. De liberalisering die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd ingezet door partijleider Deng Xiaoping, leidde in Xinjiang tot een periode van relatief grotere autonomie. Oude moskeeën werden gerestaureerd en nieuwe werden gebouwd.

Vreedzaam
Met de grote economische ontwikkeling van de jaren negentig en de nieuwe instroom van Han-Chinezen kwamen er ook nieuwe beperkingen op culturele en religieuze rechten. Het leidde tot vreedzame protesten waarbij de Oeigoeren vroegen om eerbiediging van de rechten van China’s nationale minderheden, die in de grondwet zijn bepaald.

Een vreedzame demonstratie in Yining in 1997 werd echter hard onderdrukt en leidde tot rellen. Daarbij werden duizenden arrestaties verricht. De toon was gezet. Hoewel het merendeel van de Oeigoerse groepen op geweldloze wijze hun minderheidsrechten en grotere autonomie binnen Chinees staatsverband opeist, greep China het bestaan van enkele kleine gewelddadige groepen aan om de duimschroeven nog strakker aan te draaien.

De aanslagen op New York en Washington van 11 september 2001 boden de kans om ook het Oeigoerse probleem onder te brengen in de internationale ‘oorlog tegen het terrorisme’.

Als tastbaar ‘bewijs’ gold het handjevol Oeigoeren dat tijdens de Amerikaanse aanval op Afghanistan was afgevoerd naar Guantánamo Bay. Door de Oeigoeren als terroristen af te schilderen, gaven de Chinese autoriteiten zichzelf de vrije hand om bijna elke religieuze of culture uiting van het volk als verdacht aan te merken.

Het resultaat daarvan zijn de pogingen om moskeeën onder staatscuratele te plaatsen, uiterlijk vertoon van religie te ontmoedigen en vroomheid gelijk te stellen aan extremistisch gedrag. Er geldt een verbod voor overheidsdienaren en kinderen onder de 18 jaar op het bezoeken van een moskee. Ook is het Oeigoerse onderwijs de laatste jaren flink beperkt.

Het tot zekere hoogte gelijkstellen van vrome moslims aan terroristen is vergelijkbaar met de aanpak van de Russische autoriteiten op de Kaukasus (met uitzondering van de ‘moslimvrijstaat’ Tsjetsjenië), zij het dat in China de aantallen altijd veel groter zijn.

Wang Lequan, de partijsecretaris van de Xinjiang Autonome Oeigoer Republiek (zoals het gebied officieel heet), kondigde vorig jaar augustus ‘een strijd op leven en dood’ aan met het Oeigoerse ‘separatisme’. Amnesty International meldt dat volgens officiële cijfers vorig jaar in het gebied 1.300 mensen zijn gearresteerd wegens terrorisme, religieus extremisme of andere overtredingen tegen de staatsveiligheid.

De reactie van de Chinese autoriteiten op de geweldsexplosie van de afgelopen week is typerend: nog hardere onderdrukking en de doodstraf voor de vermeende organisatoren.

‘De relatie tussen de Oeigoer en de Han-Chinees is er uiteindelijk een tussen gekoloniseerde en kolonisator’, zei Nicholas Bequelin van Human Rights Watch deze week. Een uitweg lijkt niet voorhanden voor de Oeigoerse pechvogels. Repressie geniet voor de Chinese leiders verre de voorkeur boven alle andere methoden om de stabiliteit en de sociale vrede te bevorderen.

Dat wapen is in de Chinese context immers keer op keer effectief gebleken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden