Paus is pas onfeilbaar sinds 1870

Zeker voor Nederlanders lijkt het christelijk verleden een vreemde, onbegrijpelijke wereld geworden. Maar het godsgeloof heeft twintig eeuwen van Vaticaanse crises en uitspattingen overleefd.

Heeft de rooms-katholieke kerk een toekomst? In Europa, het christelijke hartland, wordt die vraag nauwelijks nog gesteld. De laatste halve eeuw heeft ons werelddeel een razendsnelle ontkerstening doorgemaakt en bij de kerk van Rome denken velen alleen nog aan het condoomverbod van het Vaticaan dat verantwoordelijk wordt geacht voor de verspreiding van aids in Afrika, en aan het misbruik van kinderen door seksbeluste geestelijken. Als morele instantie heeft de kerk afgedaan, zoals in moderne ogen alle godsdiensten als achterlijk gelden.


Toch is het nog maar vijftig jaar geleden dat in Nederland de kerken vol zaten en het rijke roomse leven bloeide. Dat blijft een verbazingwekkend fenomeen, voor oudere generaties die het zelf nog hebben meegemaakt en misschien nog meer voor jonge generaties die zich er niks meer bij kunnen voorstellen. Dat hele christelijke verleden is een vreemde, onbegrijpelijke wereld geworden. Anders dan in Amerika beroept geen enkele vooraanstaande politicus zich hier nog op een band met God. Dat George W. Bush Jezus Christus als zijn favoriete filosoof noemde, was voor Europeanen hét bewijs dat de president niet goed bij z'n hoofd was. Alistair Campbell, spindoctor van de Britse oud-premier Tony Blair, die zich pas na zijn premierschap tot het rooms-katholicisme bekeerde, verwoordde het kernachtig: 'We don't do God.'


De Britten en de paus, dat wringt al sinds de afscheiding van de Anglicaanse kerk. John Julius Norwich, een Britse televisiehistoricus die de geschiedenis van tweeduizend jaar pausen vertelt vanaf Petrus tot Benedictus XVI, is zich daarvan zeer bewust. Het is een verhaal van intrige, moord, verraad en mysterie. Het pausdom geldt als 'de oudste monarchie ter wereld' (ook de website van Vaticaanstad spreekt over de paus als hoofd van een absolute monarchie). Dat lijkt mij strikt genomen onjuist. Je kunt veel archaïsch van pausen zeggen, maar niet dat zij hun positie aan een geboorterecht danken. Blijkbaar is een instelling als de kerk van Rome alleen nog te begrijpen aan de hand van wereldse organisaties als een koningshuis of een staat. Norwich heeft theologische kwesties zoveel mogelijk gemeden om een groter publiek te bereiken. Kerkhistorici zullen in zijn boek weinig van hun gading vinden. De auteur kiest bewust voor een lichte toon en legt de nadruk op de wereldlijke macht van het pausdom. Daarmee volgt hij de pausen zelf, voor wie spirituele zaken meestal op de tweede plaats kwamen.


Leesbaar is De Pausen zeker, maar ik vroeg mij al snel af of de benadering van de auteur niet te lichtvoetig was. Het raadsel van tweeduizend jaar christendom werd erdoor vergroot. Aardig om te weten dat pausin Johanna niet echt heeft bestaan en dat Johannes Paulus I, de lachende paus die in 1978 na een maand stierf, anders dan Norwich aanvankelijk dacht toch niet is vermoord, maar de pauselijke geschiedenis laat zich niet vatten als een aaneenschakeling van anekdotes. Sterker, die geschiedenis is net als de hele menselijke lijdensweg zwaar, tragisch, gewelddadig en soms ook wonderbaarlijk. Dat vraagt om een ernst en een verbeeldingskracht om door alle ellende het licht te zien die niet meer lijken te bestaan. Hoewel Norwich belooft alle pausen recht te doen, ook de goede, en dat op zijn manier ook doet, blijf je zitten met de vraag hoe al die uitspattingen te rijmen zijn met het godsgeloof dat er wel degelijk moet zijn geweest. Britten hebben een uniek gevoel voor humor, maar maken van ideële zaken - zeker waar het Latijns en Germaans cultuurgoed betreft - al snel een parodie. Dat versterkt het wijdverbreide idee dat al die rare pausen bedriegers waren en verklaart niet waarom de katholieke kerk het zo lang heeft volgehouden.


Daarom gaat mijn voorkeur uit naar het boek De Paus en de wereld, waarin onder redactie van de Utrechtse historici Frans Willem Lantink en Jeroen Koch de geschiedenis van een instituut wordt geschetst. Soms een taaie academische kluif, want niet alle tweeëntwintig auteurs zijn even boeiend, maar op belangrijke onderdelen uiterst verhelderend. Zo zal je na lezing nooit meer denken dat de huidige crisis de eerste crisis is waar de kerk voor staat. De bisschop van Rome moest zijn status als plaatsvervanger van God op aarde eerst zien te vestigen, en het duurde nog drie eeuwen voordat het christendom in de nadagen van het Romeinse Rijk onder keizer Constantijn staatsgodsdienst werd.


Na de val van het West-Romeinse Rijk ging West-Europa eeuwen duisternis tegemoet en het was aan Ierse monniken te danken dat het christendom overleefde. Het zwaartepunt van de christelijke wereld lag tijdens het eerste millennium in het Oost-Romeinse Rijk en de pausen waren Grieken. In 1054 kwam het tot het schisma tussen de westerse en de oosterse kerk. Een halve eeuw later begonnen de kruistochten en werd Jeruzalem voor het eerst bevrijd. Die eeuwenlange druk van de islam en de strijd tegen de Turken, die in 1453 Constantinopel (het vroegere Byzantium) innamen, speelden Rome in de kaart. Wel stond de positie als centrum van de christelijke wereld vaak op het spel. In de 14de eeuw waren er pausen en tegenpausen die al kibbelend naar Avignon waren uitgeweken en de geloofsbeleving was niet altijd even sterk. Wie denkt dat de Middeleeuwen louter devote christenen te zien gaven, vergist zich. De Reformatie stortte de kerk in een diepe crisis, maar vanaf het Concilie van Trente (1545-1563) vocht de kerk terug en vond er een hervorming (in de protestantse visie een Contrareformatie) plaats van de katholieke leer. Het protestantse beeld van een boosaardige kerk die ketters op de brandstapel gooide, de wetenschap bestreed en misstanden op z'n beloop liet, moet worden genuanceerd. Met de inquisitie viel niet te spotten, maar het proces tegen Galilei (1633) was een gehoorzaamheidsconflict, geen conflict tussen geloof en wetenschap. Het cliché van een starre, wereldvreemde kerk die nooit veranderde, klopt niet.


Wat mij aan de Utrechtse studie trof, is hoe 19de-eeuws ons beeld van het pausdom nog steeds is. Het waren de verschrikkingen van de Franse Revolutie, die verre van verlicht was, die het pauselijk gezag een nieuwe impuls hadden gegeven. De vernederingen van Pius VI, die in 1799 in Valence na lange ontberingen in gevangenschap aan zijn einde kwam, hadden de paus bij het volk populair gemaakt. Napoleon, die zich in 1804 in aanwezigheid van Pius VII in de Notre Dame in Parijs tot keizer liet kronen, zag in hoe rampzalig de vernietiging van de kerk had uitgepakt. En dankzij dichters als Novalis en Goethe (die in Rome woonde) vond een romantische herwaardering van het pausdom plaats. Niet dat de staatslieden zich veel gelegen lieten liggen aan de kerk, evenmin als de conservatieven die op het Congres van Wenen in 1815 een heilige alliantie tegen Frankrijk in elkaar zetten. Maar met de afkalving van het wereldlijk gezag van de paus, verder geërodeerd door de Italiaanse eenwording, werd zijn geestelijk gezag sterker. Het ultramontanisme verheerlijkte het leiderschap van de paus en uit 1870 stamt het leerstuk van de pauselijke onfeilbaarheid (waar ook antipapisten zich graag op beroepen).


Die cultus van het pausdom past in de mobilisering en emancipatie van een kerk die in de knel zat en in een liberaal en nationalistisch tijdperk als vehikel van een katholieke volksbeweging van zich ging afbijten. Die verdrukking luidde een nieuwe bloeitijd in. Aan het eind van de eeuw ontstond mede dankzij de zendingsdrang van het Europese kolonialisme een wereldkerk. Ook het socialisme moest de pas worden afgesneden, wat onder Leo XIII in 1891 leidde tot de encycliek Rerum Novarum, waarin een nieuwe katholieke sociale leer werd afgekondigd. Het maakte de kerk ook tot natuurlijke rivaal van een atheïstisch communisme dat na de Russische Revolutie in 1917 in heel Europa voor onrust zou zorgen. De latere paus Pius XI deed na de Eerste Wereldoorlog in Polen (!) zijn eerste ervaringen met het bolsjewisme op. Het was dat anticommunisme dat zijn pontificaat (in 1929 sloot Pius XI het concordaat met Mussolini) en dat van zijn opvolger Pius XII (die zich stilhield over de Jodenvernietiging door de nazi's) zou kleuren. Vooral in linkse ogen stond daarmee vast dat de katholieke kerk, die in Spanje aan de zijde van Franco stond, met het fascisme heulde.


Ik vind het nog steeds een adembenemende geschiedenis, zeker nu we weten hoe het communisme in Oost-Europa is geëindigd, mede dankzij een charismatische Poolse paus. Maar zowel Norwich als de Utrechtse studie doen over de rol van Karol Wojtyla nogal zuinig. Een mediaster, meer niet. Mij lijkt die plotselinge ineenstorting van het communisme (volgens critici als Karel van het Reve ook een geloof; velen vergeleken het Kremlin met het Vaticaan) net zo'n mirakel als de massale ontkerkelijking die bij ons in West-Europa een einde kan maken aan tweeduizend jaar christendom. Dat laatste vind ik moeilijk te geloven, niet alleen omdat de kerk vaker crises heeft overleefd, maar ook omdat het christendom buiten Europa gewoon doorgroeit. Je kunt dus ook de vraag stellen of zo'n Europa waarin God geheel buiten de orde is geplaatst nog toekomst heeft. De geschiedenis van twee millennia pausdom geeft daar geen antwoord op.


John Julius Norwich: De Pausen - Een geschiedenis.

Uit het Engels vertaald door Roland Fagel.


Bert Bakker; 576 pagina's; € 34,95.


ISBN 978 90 351 3635 9.


Frans Willem Lantink en Jeroen Koch (red.): De Paus en de wereld - geschiedenis van een instituut.

Boom; 480 pagina's; € 35,-.


ISBN 978 94 610 5357 2.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden