Paul van Loon

Kinderboekenschrijver Paul van Loon (53), geestelijk vader van Dolfje Weerwolfje, schrijft alleen voor kinderen. Het gebrek aan waardering door critici deert hem niet....

Het is een vreemde gewaarwording: uren met iemand praten die zijn zonnebril ophoudt. Een beetje ongemakkelijk ook. Zo ongemakkelijk dat die ene vraag maar steeds niet wordt gesteld: ‘Kun je hem even afzetten?’ De tweede keer dat we elkaar spreken, aan de telefoon, komt er dan toch iets dat er op lijkt:

Zou je het erg hebben gevonden als ik je ogen had kunnen zien? ‘Nee hoor. Als je het had gevraagd, had ik mijn bril wel even opgelicht, en je een blik gegund.’

Ik heb eens een vrouw geïnterviewd die van de ene dag op de andere blind werd. Wat ze het meest miste, zei ze, was oogcontact. Instemmend geluid aan de andere kant van de lijn.

Dat heb je met jou ook niet, oogcontact. ‘Klopt.’

Vind je het prettig om andere mensen op afstand te houden? ‘Goh’, zegt hij met zachte g, zijn stem nog een tikje nasaal door een hardnekkige verkoudheid. ‘Ik heb die bril gewoon altijd op. Als ik ’s nachts in de auto zit, of naar een feestje ga, als ik achter de computer zit, of boodschappen doe. Wanneer ik ’s ochtends wakker word, grijp ik eerst naar mijn nachtkastje.’

Dus je vrouw ziet je ogen ook bijna nooit? ‘Nee, maar ze heeft nog nooit geklaagd dat ze geen contact met me kan maken.’

En de rest van de wereld? Zijn antwoord is van een ontwapenende eerlijkheid: ‘Voor mij is het beter als de rest van de wereld mij niet echt kent.’

Een week eerder, in de werkkamer van de schrijver die dit jaar zijn 25-jarig jubileum viert. ‘Mag ik je een appelflap overhandigen?’ vraagt Van Loon, en hij haalt twee zelfgebakken exemplaren van een bord. Hij heeft een paar hectische maanden achter de rug, met de Kinderboekenweek, een theatertour met zijn band, Paul van Loon en Ander Gespuis, met festiviteiten rond zijn jubileum en het uitkomen van het voorlopig laatste deel van De griezelbus. Hij houdt zijn oplagen zelf niet zo bij, en hij houdt er al helemaal niet van om stickers op zijn boeken te laten plakken: ‘Al meer dan 50.000 exemplaren verkocht.’ Vindt hij niet leuk voor zijn collega’s die minder populair zijn.

Maar laatst hoorde hij van zijn uitgever dat van de verschillende delen Dolfje Weerwolfje alleen al meer dan 800 duizend exemplaren zijn verkocht, dus met de zeven Griezelbussen, met Foeksia de miniheks, Meester Kikker, Nooit de buren bijten, Altijd bijten de buren, Weg met die krokodil; met die inmiddels bijna honderd titels op zijn naam, moet hij de twee miljoen makkelijk hebben overschreden. Toch doet dit hem meer: Rotterdam, twee jaar geleden, Kinderboekenweek in de bibliotheek. Rijen met kinderen die voor een handtekening komen, en na anderhalf uur ineens dat huilende meisje van 19 voor zijn tafel, een Dolfje Weerwolfje onder de arm. ‘Wat is er met jou aan de hand?’, vroeg de schrijver, en het meisje antwoordde dat ze op haar 9de zijn handtekening was misgelopen omdat haar ouders het na uren wachten welletjes hadden gevonden en naar huis wilden. Dus of hij er nu zijn naam in wilde zetten? ‘Hoe dat kan uitwerken, hè,’ zegt de schrijver, alsof het succes hem na al die jaren nog steeds verbaast.

Waarom houden kinderen zo van Dolfje Weerwolfje? ‘Omdat het een lief ventje is. Dolfje kwam als een vonk in mijn hoofd, dertien jaar geleden. Een wit weerwolfje met een brilletje. Hij heette nog even Rolfje, maar dat voelde toch niet goed. Ik schreef een liedje over hem, voor VOF De Kunst, en niet zo lang daarna kreeg ik een brief van een jongetje: ‘Iedereen denkt dat ik een watje ben, maar ’s nachts verander ik in een wild, verslindend beest.’ En toen dacht ik: dat is ’m, precies zoals ik hem voor me heb gezien.’

Een voorbeeldfiguur voor de stille kinderen uit de klas. ‘Dat blijkt hij te zijn geworden, ja. Het was niet mijn opzet een lans te breken voor de kinderen die zich wat moeilijker staande houden.’

Had je er wel een andere boodschap mee? ‘Ik wil altijd maar één ding met een verhaal: het moet spannend zijn en grappig.’

Dolfjes ouders zijn weggelopen. Hij wordt opgevoed in een gezin waar de vader krulspelden draagt en met een theemuts op zijn hoofd rondloopt, want hij ‘houdt van anders’. Dat is een levensles, lijkt me. ‘Dat is waar. Maar het is denk ik de enige keer dat ik een les in een boek heb gestopt.’ Hij denkt even na en zegt: ‘Filmproducent BosBros gaat een film maken over Dolfje. Tijdens een van de besprekingen die ik met ze had, heb ik gezegd: de familie die Dolfje heeft opgenomen, gaat voor hem door het vuur. Ze accepteren meteen dat hij een weerwolf is, ze maken er geen punt van als hij weer ergens een probleem veroorzaakt, en als het moet, gaan ze gaan met z’n allen op pad om hem te bevrijden. Die sterke loyaliteit, die moest er absoluut in.’

Waarom? ‘Het allerbelangrijkste voor een kind is dat hij zich in zijn gezin veilig voelt, en gesteund.’

Paulus en Wawwa, dat was het eerste boek dat Van Loon kreeg. ‘Ik zal het je laten zien’, zegt hij en hij loopt naar de kast. ‘Voor je eerste Heilige Communie’, staat er op het schutblad. Hij was 7, en meteen al weg van de tekeningen van Jean Dulieu. ‘Dat bos, waar het altijd een beetje herfstig was, Paulus de Boskabouter en zijn vriendjes, en die enge heks Eucalypta die op de loer lag. In die wereld vertoefde ik graag.’ Een jaar later pakte hij het Limburgs Sagenboek uit de boekenkast van zijn ouders, een boek met eeuwenoude verhalen, enge verhalen.

Kun je je daar nog wat van herinneren? ‘Sommige verhalen bestonden maar uit één zin. ‘In Eijsden was een steen die bloedde...’ Fascinerend, hoor. Of deze, over de vuurman. Als je slecht had geleefd, zo ging het verhaal, kwam je na je dood terug als een brandende figuur. Op een avond lopen er drie jongens over straat. In de weilanden zien ze een vuurman. Daar mocht je, werd gezegd, nooit naar fluiten, maar wat doen die jongens: ‘fwttt’. De vuurman komt op ze af gerend, hard, harder, hij komt steeds dichterbij, ze vluchten net op tijd een schuur in, trekken de deur achter zich dicht, doen hem op slot, en ineens...’ Van Loon slaat hard met zijn hand op tafel, BENG. ‘Een hele nacht zitten die jongens in de schuur, doodsbang. Pas bij de eerste zonnestralen durven ze naar buiten. Ze doen de deur open, en wat zien ze? De afdruk van een hand, in het hout gebrand.’

Hielden ze bij jou thuis allemaal van griezelen? ‘Ik was de enige. Mijn broer had weer andere interesses, maar ik zou niet weten welke. Daar hadden we het thuis niet over.’

Uit wat voor gezin kom je? ‘Mijn vader was onderwijzer, mijn moeder huisvrouw. Eerlijkheid en respect, dat zijn de belangrijkste waarden die we thuis meekregen. En liefde voor lezen. Ik was 6 toen mijn vader met een stapel boeken thuiskwam. Hij had ons lid gemaakt van de bibliotheek.’

De jonge Paul van Loon was een dromer. Achter zijn huis, aan de rand van Waalwijk, begonnen de weilanden. Buiten spelen was slootje springen, ronddwalen, kikkers vangen. Binnen spelen was lezen en tekenen, heel veel tekenen. Aan zijn middelbareschooltijd heeft hij geen heldere herinneringen. ‘Ik weet alleen dat ik me nooit op mijn plaats heb gevoeld tussen de rest. Het was een beetje alsof ik als een geest tussen de andere kinderen door dwaalde. Ik kon niet zo goed tegen groepen, niet tegen kuddegedrag, niet tegen ‘zo hoor je je te gedragen’. Ik kon goed leren, een studie lag voor de hand, maar ik wist zeker: dit is niet de wereld die ik wil. Niet een studie, niet in een bedrijf. Ik wil blijven fantaseren.’

Keuring voor militaire dienst: kreeg hij S5. ‘Ik heb het papier van de taaltest volgekriebeld met tekeningen, en op geen enkele vraag antwoord gegeven.’ Toen op school een voorlichtingsavond werd gehouden voor de eindexamenklassen, en de directeur van de kunstacademie een praatje hield, wist hij: dat ga ik doen.

Werd toen alles anders? ‘Ik vond die academie uiteindelijk ook niks, veel te schools. Maar ik heb er zielsverwanten leren kennen, kunstenaars en muzikanten die een eigen wereld schiepen. En ik heb er Max en de Maximonsters van Sendak ontdekt, nog steeds een van de mooiste kinderboeken die ik ken. Door dat boek ben ik kinderillustraties gaan maken, en daarna, bij de illustraties, verhalen gaan schrijven.’

Negen maanden per jaar, want dat is precies de tijd die hij nodig heeft voor een boek, loopt Paul van Loon ’s avonds om acht uur van de woonkamer in zijn Brabantse bungalow naar zijn werkkamer. Hij zet muziek op, Metallica, Bach, Kinks of Bob Dylan, ‘maar klassiek is wel de lekkerste soundtrack om bij te schrijven’. Hij bladert door een van de vele dummy’s die op tafel liggen, bomvol aantekeningen en schetsjes. ‘Hier heb ik opa weerwolf getekend. Er staat onder: opa en Leo trekken het karretje met het beeld van Armando.’ Ik weet dan dat dit ergens een keer in een boek zal gaan gebeuren.’ Paul van Loon schrijft in beelden, zegt hij. ‘Ik zie alles in mijn hoofd, ik weet ook niet hoe dat precies gaat. Ik heb een reservoir aan ervaringen en beelden in mijn kop, en het enige wat ik doe is opschrijven wat ik zie.’ Soms zijn dat drie bruikbare zinnen op een avond, soms hele bladzijden. Ergens tussen twaalf en twee ’s nachts stopt hij weer.

Kom je ’s nachts op andere ideeën dan overdag? ‘Nee, ik zit in dit bioritme omdat ik, toen mijn dochter nog klein was, voor haar zorgde. ’s Avonds was er pas rust.’

Wat doe je nu overdag? ‘Stofzuigen, boodschappen doen, een beetje muziek maken, nadenken over het boek waarmee ik bezig ben. Ik leid een kabbelend leventje. Ik ga ook maar een paar keer per jaar naar een feestje.’

Houd je vrouw ook van griezelen? ‘O nee, helemaal niet. Maar dat hoeft ook niet.’

Ze is je personal assistant, dan lijkt het me belangrijk dat ze iets met het onderwerp heeft waar jij je leven van hebt gemaakt. ‘We praten er wel veel over. Maar meer over de zakelijke kant, want daar is zij goed in. Ze doet de besprekingen met theaters, de contacten met de band, het geld. Ik word voor ongelooflijk veel dingen benaderd, verfilmingen van boeken, musicals, noem maar op. Ik ben een dromer, ik vind alles leuk. Mijn vrouw is kritischer.’

Je dochter Manisha, 20 inmiddels, maakt de foto’s voor de posters van jullie optredens. Jullie zijn een familiebedrijf geworden. ‘Een beetje wel, ja. Maar het is niet zo dat we tijdens het avondeten uitgebreid zitten te brainstormen over wat de figuren in mijn boeken nog allemaal gaan beleven. Dat komt echt allemaal uit mijn koker. Manisha heeft één keer, toen ze 5 was, een boektitel bedacht: Wolven in de stad. Die heb ik jaren later gebruikt.’

Hallo Paul de schrijver. Ik heb een boek gelezen van de griezelbus. Maar het is een boek voor kinderen die geen verstand hebben. Kun je geen gewoon boek schrijven, over Wipneus en Pim of zo? Dit is het lelijkste boek dat ik ooit heb gelezen. Als ik nog zo’n boek krijg gooi ik het in de vuilnisbak, hoor. De groeten, Melchior.’ Om zo’n brief moet Van Loon dus heel hartelijk lachen. Hij vindt hem zelfs zo goed dat hij hem al jaren in een mapje bewaart. ‘Ik ben er zeker van dat Melchior te jong was voor De griezelbus. Want het is best eng hoor, wat daar wordt verteld.’

Waar ligt je grens? ‘Het moet griezellig blijven, zeg ik altijd: gezellig en griezelig. Darren Shan – ik heb zijn boeken hier in de kast staan – schrijft voor 10- plus, daar hangen de onthoofde lichamen te bloeden aan het plafond. Daar snap ik dus niks van. Zijn er wereldwijd negen miljoen van verkocht.’

In De griezelbus worden ook vingers afgesneden en als kaarsjes in een taart gezet. ‘Dat is ook best eng. Maar De griezelbus is een verhaal in een verhaal. Dat schept afstand, dan weten kinderen: dit is niet echt gebeurd.’

Je verhalen worden bevolkt door weerwolven, vampiers, mummies, heksen, zombies, spoken. Zit daar een favoriet tussen? ‘Het is lang de vampier geweest. Ik had altijd het beeld voor me uit de films met Christopher Lee: romantische kastelen, koetsen die door donkere bossen razen, Dracula in een wapperende zwarte cape op het dak van zo’n koets. De vampier heeft ook iets eindeloos eenzaams. Iedereen om hem heen gaat dood, en hij blijft over.’

En nu? ‘Nu staat de weerwolf op 1, door Dolfje. Ik hoop dat ik nog veel boeken over hem kan schrijven. Ik zou het heel erg vinden als ik niet meer weet wat er met hem gebeurt. Dolfje maakt deel uit van mijn leven, net als mijn gezin daarvan deel uitmaakt.’

Razendknappe marketing – daar wordt Van Loon van verdacht. Hij schrijft niet alleen, hij richtte ook een Griezelgenootschap op met zeven andere schrijvers, en toen dat werd opgeheven kon je lid worden van de Griezelclub. Die club had een site, en elk jaar was er de Griezelclubdag in het Autotron, waar een Griezelbus was nagebouwd, en waar vijftienhonderd kinderen kwamen luisteren naar verhalen, meededen aan een verkleedwedstrijd, en handtekeningen lieten zetten in hun boeken. Er kwamen cd’s, en Dolfje-Weerwolfjeknuffels, en een theatertour waar Paul voorlas en liedjes zong met een stel muzikanten. Maar hij zegt: ‘Ik doe gewoon wat ik leuk vind, en wat ik leuk vind, vinden heel veel kinderen leuk.’

Je hebt nog nooit een prijs voor jeugdliteratuur gewonnen, zoals de Gouden Griffel. ‘Nee, maar ik heb wel al negen keer de prijs van de Kinderjury mogen ontvangen. Dat vind ik belangrijker dan gewaardeerd worden door een jury van volwassenen.’

Frustreert het je als critici je boeken eendimensionaal noemen? ‘Het klinkt misschien arrogant, maar dat deert me helemaal niet. Ik zie al 25 jaar blije kinderen en blije ouders, ik hoor heel vaak dat dyslectische kinderen door mijn boeken zijn gaan lezen, dus ik weet dat ik het goed doe. Kijk, ik stop geen onnodige acrobatiek in mijn zinnen. Ik probeer zoveel mogelijk beschrijvingen achterwege te laten. Ik was vroeger weg van de verhalen van Karl May, maar toen ik het laatst herlas, kwam ik er niet meer doorheen. Die ellenlange beschrijvingen van hoe bossen er in de mist uitzien; dat beeld kennen kinderen inmiddels wel. Ik wil actie, ik wil vertellen wat ik allemaal in mijn hoofd zie, zonder onnodige afleidingen. Daar zitten kinderen ook helemaal niet op te wachten.’

Wie is volgens jou de beste Nederlandse kinderboekenschrijver? ‘Paul Biegel.’

Er loopt een dijk door kinderboekenland, zegt Bregje Boonstra, van wie volgend jaar een boek verschijnt over acht kinderboekenschrijvers. Aan de ene kant: Francine Oomen, Carry Slee en jij. Lectuur, door kinderen gewaardeerd. Aan de andere kant onder anderen Paul Biegel, Toon Tellegen, Imme Dros, Hans Hagen. Literatuur, maar in de bibliotheek blijven ze in de kast staan. ‘Je kunt je afvragen wat de bedoeling is van kinderboeken. Dat kinderen ze lezen, lijkt me. Als je kinderboeken schrijft die door volwassenen worden gewaardeerd, dan is dat leuk, maar dan schrijf je eigenlijk als kinderboeken vermomde boeken voor volwassenen.’

Moeten de Gouden Griffel en de Wouterje Pieterse Prijs dan worden afgeschaft? ‘Nee, het is prima dat die twee kanten van de dijk bestaan. Er zijn ook kinderen die literaire jeugdboeken willen lezen.’ Ach, dat gedoe over literatuur en lectuur. Typisch iets voor critici, zegt Van Loon. ‘Ik ben een tevreden mens. Mijn boeken worden na twintig jaar nog steeds herdrukt. Dat zijn de mooie dingen. Prijzen zijn leuk, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat datgene waarin je je ziel stopt, het recht krijgt om te leven, en te blijven leven.’

Het moet alweer een jaar of vijftien geleden zijn dat hij met jeugdvriend en thrillerschrijver Jack Didden afreisde naar Arnhem om Jean Dulieu te bezoeken. De schrijver was al oud, zijn vrouw was net overleden, hij woonde alleen met zijn hond. ‘Hij was somber geworden. Hij tekende alleen nog in zwart-wit, op elke tekening stond de dood achter hem.’ Aan het bezoek hield hij een originele illustratie over. ‘Ik mocht hem voor 150 gulden hebben, terwijl ze nu voor 3.000 euro te koop zijn.’ Ook kreeg hij een handtekening in zijn eerste boek, Paulus en Wawwa. ‘Hij had die eerste editie zelf niet meer, en drukte me op het hart: ‘Ben er voorzichtig mee.’ Ik dacht: tegen iemand die een boek al sinds zijn 7de bewaart, hoef je dat toch niet meer te zeggen?’

Het moet een bijzondere gebeurtenis zijn geweest, oog in oog met de man met wie het allemaal begon. Hij zegt het een beetje afwezig: ‘Ja, ja.’

Maar? ‘Het is tegelijkertijd tragisch om je held zo vereenzaamd te zien.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden