Opinie

Paul Brill: 'Laten we ophouden te spreken over de Arabische Lente'

De stappen die volgens experts genomen moeten worden om het geweld in Syrië te beteugelen, komen neer 'op meer van hetzelfde en ander gerommel in de marge', schrijft Paul Brill in zijn wekelijkse Volkskrantcolumn.

Beeld reuters

Het tijdschrift Foreign Policy vroeg vijf Amerikaanse Midden-Oostenexperts wat er in hemelsnaam nog gedaan kan worden om het geweld in Syrië te beteugelen. De antwoorden zijn niet bepaald bemoedigend. Nog intensiever praten met Rusland. Of een lijntje uitleggen naar Iran. Extra sancties. De oppositie op één lijn krijgen. Meer wapenhulp aan de verzetsgroepen. Het instellen van bufferzones en humanitaire vrijhavens. Stappen die allemaal het overwegen waard zijn, maar toch in feite neerkomen op meer van hetzelfde en ander gerommel in de marge.

De experts komen dus niet met verrassende nieuwe inzichten, maar dat weerhoudt de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney er niet van om het Witte Huis te betichten van een ernstig gebrek aan slagvaardigheid in de Syrische kwestie. Wat in Syrië gebeurt is 'onacceptabel', zei hij woensdag in een interview met Fox News. 'De wereld zit te wachten op Amerikaans leiderschap, maar wij zijn achter in de zaal gaan zitten, in de hoop dat de dingen vanzelf op hun plaats zouden vallen.'

Dit is natuurlijk typisch iets dat een tegenstander van een zittende president zegt in een verkiezingsjaar. Het komt overeen met de verwijten die Bill Clinton president George Bush (senior) maakte in 1992: die zou een veel te afwachtende houding aannemen in de Balkancrisis. Toen Clinton eenmaal in het Witte Huis zat en werd geconfronteerd met het kleine debacle in Somalië (Black Hawk Down), bekoelde zijn enthousiasme voor militaire actie snel en duurde het tot 1995 voordat hij zijn schroom weer van zich afwierp.

Het verschil is dat Clinton zijn kritiek spuide in een tijd waarin de wereld inderdaad naar Washington zat te kijken, omdat Amerika na de ontbinding van het Sovjetimperium de enige echte supermacht was, die bovendien economisch floreerde. Jammer maar helaas: dat is verleden tijd. Natuurlijk zijn de Verenigde Staten nog steeds de indispensable nation, zoals Madeleine Albright het toepasselijk uitdrukte, de toonaangevende mogendheid waar je niet omheen kunt. Maar de superstatus is voorbij. In het geval van Syrië moeten ook de Amerikanen roeien met de riemen die ze hebben en waarmee je in dit geopolitieke moerasgebied slechts kleine stukjes vooruitkomt, en soms helemaal niet.

Belangen
Het probleem is niet alleen dat Syrië zelf een amalgaam is van etnische en religieuze groepen, maar ook dat het wordt omgeven door landen van gewicht die allemaal hun eigen aspiraties en belangen hebben: Turkije, Iran, Irak, Saoedi-Arabië, Israël (hoewel dat land zich op dit punt zo stil mogelijk houdt). Bij elke internationale poging om greep te krijgen op de situatie in Syrië zullen één of meerdere landen uit de regio het voortouw moeten nemen.

Neem het idee van een bufferzone langs de grens met Turkije, waar vluchtelingen worden opgevangen en strijders van het Syrische verzet op adem komen. De NAVO zou zo'n zone vanuit de lucht kunnen beschermen. Maar om te beginnen moet Turkije dat willen. Verder is er internationale politieke dekking geboden, zo niet van de Verenigde Naties, dan toch in elk geval van de Arabische Liga. Dat is nog niet meer dan een stip aan de horizon.

De afgelopen week was het Israelische parlementslid Einat Wilf, partijgenote van Ehud Barak, op bezoek in Nederland. Zij wees erop dat het Midden-Oosten, anders dan vaak wordt gedacht, meer worstelt met de erfenis van de Eerste Wereldoorlog dan met die van de Tweede. Het einde van de Eerste Wereldoorlog bezegelde de val van het Ottomaanse rijk en legde de basis voor de latere staatkundige indeling, die de grens tussen Britse en Franse invloedssferen volgde. Zeker een land als het multi-etnische Syrië heeft deze erfenis altijd meegetorst, al werd dat lange tijd aan het zicht onttrokken door de ijzeren vuist van het regime-Assad. Nu is het hek van de dam. Het gaat er in Syrië dan ook niet alleen om dat de angel uit een repressief regime wordt getrokken, maar ook dat een nieuwe, bestendige ordening wordt gevonden. Maar dat maakt het conflict tegelijk zo gecompliceerd en brisant.

Wensdenken zal daarbij niet helpen. Dus laten we ophouden te spreken over een 'Arabische Lente', een term die suggereert dat een nieuw geluid de oude klanken overstemt en dat de toekomst is aan de vrienden van Petra Stienen. Ja, misschien de verre toekomst, maar voorlopig leggen vrijheid en democratie het af tegen andere krachten, zoals helaas blijkt uit de eerste ronde van de Egyptische presidentsverkiezingen. Om te beginnen: slechts 45 procent van de kiezers maakte de gang naar de stembus, wat een zeer lage opkomst is, gelet op het feit dat dit de eerste vrije(re) presidentsverkiezingen heten te zijn. Maar nog treuriger is de kringloop die zich aftekent. Mubarak placht zijn autocratische regeerstijl te rechtvaardigen met de waarschuwing: ik of de religieuze dwingelandij. Welnu, tot op grote hoogte staat de Egyptische kiezer in de tweede ronde voor een zelfde onverkwikkelijke keuze.

Paul Brill is buitenlandcommentator van de Volkskrant

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden