Paters, piloten en poëten

Stavelot leeft elk jaar toe naar vaste agendapunten: carnaval en de Grand Prix. Maar er wordt ook gesleuteld aan een nieuw imago van dit stadje in de Ardennen....

Stavelot heeft een aantal vaste ankers in het jaar. Als het Formule 1-circus neerstrijkt op het circuit van Francorchamps, lopen de omliggende Ardense heuvels en de steile straatjes van het stadje zelf vol met racevolk. Met carnaval wordt Stavelot het domein van de Blanc Moussis, de witte monniken. Gemaskerde spookfiguren in cape steken hun lange rode neus in andermans zaken en schieten confetti de lucht in.

Dat zijn zekerheden waar de bevolking naar uit kijkt. Goed voor de commerce en het doorbreekt een beetje het ritme van langskomende wandelaars, fietsers, caravanners met geelzwarte nummerplaten en de eeuwig ruisende watervalletjes van Coo.

Voor het overige moet alles vooral zo'n beetje bij het oude blijven. Dat in 1989 een bus vol toeristen de steile toegangsweg Haute Levée af kwam denderen en zich vervolgens met een geweldige klap in het plaatselijke bankfiliaal boorde - acht doden en veertig gewonden - is een rimpeling in de geschiedenis die het liefst wordt vergeten. In 1998 konden de remmen van een vrachtwagen de hellingshoek van de Levée niet aan. Als een projectiel schoot het voertuig de nauwe Rue Devant Les Capucins in, ramde de gevel van Hotel d'Orange, en vatte vlam. Het dodental bleef dit keer beperkt tot twee. Nu is de Levée verboden terrein voor vrachtverkeer, verwoeste panden zijn herbouwd en de fris geschilderde pui van het hotel staat weer in de toeristengidsjes.

Maar wie dezer dagen het stadje binnenkomt, realiseert zich snel dat het evenwicht van zekerheden wederom aan het wankelen is gebracht. Lang niet zo dramatisch als in '89 en '98, maar er zijn bewoners die een verandering van deze grootte op de schaal van Stavelot op z'n minst ervaren als een nieuw begin.

Waar een helling zich vanuit het stadshart naar de murmelende Amblève plooit, dringt pregnant terrarood zich op aan de passant. De nieuwe kleur op de muren van de eeuwenoude benedictijnenabdij is op het eerste gezicht het opvallendst aan de ingrijpende restauratie - het rood is niet origineel, een speurtocht van de Commissie Monumenten en Landschappen tussen verflagen en pleisterwerk leverde geen duidelijke aanwijzingen op.

Maar de frisse tint is slechts een onderdeel van de gedaanteverwisseling. Op weg naar de entree doorkruist de bezoeker nieuw opgestelde zuiltjes, stenen en plateaus die de omtrek van de verdwenen abdijkerk markeren. Aan de toren ervan viel niet veel meer te sleutelen; de stad is al lang blij dat van de oorspronkelijke hoogte van ruim honderd meter nog zo'n veertig bewaard zijn gebleven. In de slagschaduw spitten archeologen nog altijd naar potscherf en botspaander.

Tussen twee kloostervleugels is een nieuwe, ruime gang opgetrokken, een transparante constructie van glas en licht metaal waarin de plaatselijke VVV de bureaus en de folders heeft opgesteld. Het is de opmaat tot high-tech en multimediaal geweld verderop in de kruisgangen en aanpalende vertrekken. Geschiedenis, sport en literatuur vinden elkaar daar in een wat wonderlijke symbiose: het museum van het Prinsbisdom Stavelot-Malmédy, het museum van het circuit van Spa-Francorchamps en een eerbetoon aan de Franse dichter Guillaume Apollinaire, die op 19-jarige leeftijd enkele weken in het stadje verbleef; op de schaal van Stavelot voorwaar een niet te veronachtzamen gebeurtenis.

De opknapbeurt kostte 15 miljoen euro. Dat kwam volledig uit de zak van de Waalse regering die het mes aan meer kanten zag snijden: behoud van historisch erfgoed, een nieuwe prikkel voor het toerisme en de komst van wat extra werkgelegenheid. Het project stimuleerde andere initiatieven. Het gemeentehuis dat eerst in de abdij zat, is weer terug in het stadshart, en dat kon het wat afbladderende Place Saint-Remacle wel gebruiken. Er kwam ook geld beschikbaar voor een omleiding langs het circuit van Francorchamps.

De restauratie was geen gebaar aan het electoraat, maar bittere noodzaak, bezweert directeur Francis Hourant in zijn frisgeschilderde kantoor. Het dak was een zeef, op de spanten groeiden de paddestoelen, de ramen sloegen door, van een vleugel dreigden de muren onder het gewicht van de overspanning naar buiten te worden gedrukt en een handvol elektrische kacheltjes probeerde tevergeefs de vertrekken op temperatuur te houden.

Nu is er overal verwarming, zijn de kozijnen vernieuwd en wie tot onder de zoldering geraakt, ziet dat de spanten van het dak op cruciale plekken zijn vervangen door nieuw hout met stalen schroeven, of hebben plaats gemaakt voor kunststof stutten. Hier en daar in de zalen vertoont het nieuwe pleisterwerk al weer bobbels, maar dat blijkt ingecalculeerd: eeuwenoud vocht in de muren heeft, is de raming, nog twee jaar nodig om zich naar buiten te werken.

Dat de bewoners de restauratie met wat gemengde gevoelens hebben gadegeslagen, is niet zo verwonderlijk. De vervallen abdij hoorde bij het stadsbeeld en was naast de vertrouwde locatie voor het hôtel de ville ook symbool geworden. Daar blijf je af.

Om zo'n status te bereiken moet er wel sprake zijn van een zekere staat van dienst. Die is er, zij het dat er ook al in vervallen staat weinig authentieks meer aan was. Wat er is dateert uit de 18de eeuw. De eerste wapenfeiten stammen uit halverwege de 7de eeuw, toen de Merovingische koning Sigebert de latere heilige Remaclus de opdracht gaf de bevolking van de Ardense bossen wat normen en waarden en het evangelie bij te brengen. Hij stichtte een dubbel klooster, in Stavelot en Malmédy. Uit de tijd dateert ook de sage op basis waarvan Stavelot een wolf in het wapenschild draagt. Als Remaclus de eerste bidkapel bouwt, verslindt een wolf zijn ezel. Als straf moet het dier manden met stenen dragen. Volgens de overlevering betekent Stavelot een order: 'de stal in, wolf', 'O Stave Leu' in het Waals.

De abdijen in Stavelot en Malmédy vormen een onafhankelijk prinsdom tussen de vallei van Rijn en Maas, waar de kloostervader het ook bestuurlijk voor het zeggen heeft. Na Remaclus volgen er nog zo'n zeventig abten als staatshoofd. Het succes van die politieke en geestelijk zeggenschap wisselt. Periodes van bloei en verval wisselen elkaar af.

De Franse revolutie bezegelt het lot van het religieus bolwerk. Een wet maakt een einde aan het bestaan van kloosters als godsdienstige gemeenschappen. Monniken maken zich uit de voeten met archief en juwelen. Het Franse leger vordert de abdij op en richt de gebouwen in als hospitaal voor soldaten met geslachtsziekten. Volgens verslagen gaan de patiënten niet zachtzinnig om met het interieur. Ze verbranden het houtwerk van deuren en ramen, vernielen de altaren, koorstoelen en orgels en verkopen het lood van de daken. Als de overblijfselen in het bezit komen van particulieren, doen omwonenden het nog eens dunnetjes over. De hele kerk wordt gesloopt. De stenen vormen ideaal bouwmateriaal.

Vervolgens veranderen de resterende gebouwen geregeld van bestemming. Armenhuis, weeshuis onder de vleugels van de Meisjes van het Kruis, gemeentekantoor. De toren is nog benut als loods waar huiden te drogen hangen voor omliggende leerlooierijen.

Bezoekers die het gebouw nu in alle uithoeken willen zien, moeten een flexibele geest bezitten. Nog voordat ze vanuit de moderne entree de oude vleugels betreden, krijgen ze een meertalige audiogids aan het oor mee, waarna ze met gregoriaans gezang uit luidsprekers in gewijde stemming worden gebracht om vervolgens op een reeks videoprojecties te stuiten. De belangrijkste periodes uit de geschiedenis van het prinsdom komen aan bod. Aardewerk, beelden, geschriften en werktuigen zijn uitgestald.

Voor het uitmeten van de ware rijkdom van de abt en zijn gevolg was het wat behelpen. De schatten die na de Franse revolutie aan een reis met onbekende bestemming begonnen, maken inmiddels deel uit van museumcollecties in onder meer Berlijn, Brussel, Frankfurt en New York. De inrichters hebben de objecten maar ter plekke laten filmen. Voor het pronkstuk van het rijk van weleer, de reliekschrijn van Remaclus uit de 13de eeuw, moet de liefhebber het museum uit en naar de twee straten verderop gelegen Sint Sébastien-kerk. De koster doet er graag de deur open.

Alleen de refter, voorzien van stucwerk vol ornamenten en plechtig krakende vloerplanken, is ontkomen aan het etaleren van technische snufjes en is daarmee meteen de locatie waar het kloosterleven nog het meest voelbaar is. De zaal is overigens wel te huur voor een feestje. Dat geldt ook voor de ernaast gelegen kapel.

Een verdieping lager hebben de eenstemmige kerkgezangen plaats gemaakt voor brullende racemotoren; een buigzame instelling is vereist, u was al gewaarschuwd. In de keldergewelven is een verzameling raceauto's - eenzitters, sportwagens en prototypes - en racemotoren opgesteld die ooit glorieerden op het circuit van Francorchamps. Merken met geschiedenis derhalve: Bugatti, Brabham, Lotus, Talbot. Motoren van Belgische makelij, zoals FN en Gillet, zijn niet vergeten. Natuurlijk zijn er foto's van de grote coureurs, maar ook van de figuranten in het circus, zoals de brandweerman, de medicus en enkele lokale schoonheden. Voor een ervaring van de sensatie op het volgens velen mooiste circuit ter wereld is de hulp van de virtualiteit ingeroepen: in een aparte ruimte staan Playstations opgesteld.

Een lift tilt belangstellenden weer uit het klimaat van verschroeid rubber naar de stilte van het geschreven woord. Terwijl zijn moeder in het casino van Spa geld stuksloeg, deed de jonge dichter Guillaume Apollinaire in 1899 in de Hoge Venen en omstreken inspiratie op die volgens kenners bepalend is geweest voor zijn ontwikkeling. Waarom zou Stavelot dat tegenspreken? Zijn bundels liggen op tafels met comfortabel zitje voor het grijpen of zijn met behulp van een koptelefoon te beluisteren. Achter glas hangt correspondentie met onder anderen Picasso en Chagall. Die mocht hij tot zijn kennissenkring rekenen.

De wereld van pater, piloot en poëet onder één museaal dak; Stavelot durft te rekenen op honderdduizend bezoekers per jaar. Zelfs de scepsis van de omwonenden is geweken voor nieuwsgierigheid: binnen twee maanden na de opening is dertig procent al langs geweest. Ze vonden het prachtig, verzekert directeur Hourant. Wat een harmonie!, was het overheersende oordeel. Als je zo'n combinatie van oud en nieuw en Remaclus en Niki Lauda op prijs weet te stellen, durf dan nog maar eens te beweren dat alleen zekerheden tellen in Stavelot. Het hotel op de Place Saint-Remacle mag dan gewoon La Maison heten, het restaurant A l'abbaye en de pizzeria Figaro, maar een nieuwe tijd is er inderdaad aangebroken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden