Passie voor kunst

TOEN JAN KASSIES in 1966 directeur van de Amsterdamse Theaterschool werd, hing hij op de deur van elk klaslokaal een briefje met de tekst: 'Waarom?' Het was geen grap, hij was oprecht nieuwsgierig naar de reden waarom zijn studenten zo nodig theater wilden maken....

MARIAN BUIJS

Zijn passie voor kunst en zijn talent als bestuurder voerden hem in heel zijn werkzame leven langs tal van instituties die zich zonder uitzondering in het spanningsveld tussen cultuur en politiek bevonden: de Kunstenaarsfederatie, waar hij na de oorlog zijn carrière begon; de Boekmanstichting, het studiecentrum dat daaruit voortkwam; de Raad voor de Kunst; de VPRO; het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties, waarvan hij sinds de oprichting voorzitter was; en de Eerste Kamer, waarvan hij vanaf 1987 lid was.

Kassies, die op 31 oktober vorig jaar overleed, was een figuur van formaat in het culturele leven. Hij raakte min of meer door toeval verzeild in de kunst. Nadat hij in het begin van de oorlog als medewerker van het illegale Vrij Nederland door de Duitsers was gearresteerd, kwam hij tijdens zijn gevangenschap in Duitsland in contact met de acteur Eduard Veterman. Door hem kwam hij terecht bij de Kunstenaarsfederatie, een instelling die na de oorlog werd opgericht om de kunstenaar aanzien en een betere materiële positie te verschaffen. Maar ook om de overheid te bewegen zorg te dragen voor de kunst.

Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Kunstenaarsfederatie, waarvan Kassies twintig jaar directeur was, heeft de Boekmanstichting een bundel uitgegeven met bijdragen van uiteenlopende signatuur. Kassies' talrijke bezigheden worden beschreven aan de hand van de instituties en organisaties waarvan hij deel heeft uitgemaakt. Het zijn deels hooggeleerde heren die de pen hebben gegrepen, en voor sommigen is het eigen stokpaardje belangrijker dan de persoon van Kassies.

Het is alsof de samenstellers, Fenna van den Burg en Hans van Dulken, geen duidelijke keuze hebben kunnen maken tussen het maken van een portret van Kassies en het schetsen van een beeld van de instellingen waarmee hij te maken had. Dat zal zeker het gevolg zijn van haastwerk, zoals de redactie in de inleiding al stelt. Wim Knulst geeft wel een erg uitvoerige schets van het ontstaan van ons omroepbestel, Joop van den Berg verdiepte zich meer in het functioneren van de Eerste Kamer dan in de rol van Kassies, en Tom Bevers rijgt wat notities aan elkaar over cultuurspreiding en kunsteducatie. Zulke teksten leiden hoogstens tot de vurige wens dat Kassies zelf aan het woord zou worden gelaten. Hij had tenminste heldere standpunten en kon ze uiterst leesbaar verwoorden.

Het aardigst zijn de bijdragen van Fenna van den Burg, die een levensbericht schreef, van Loek Zonneveld, die de persoon van Kassies neerzet als directeur van de Amsterdamse Theaterschool, en van Luuk Verpaalen over het Instituut voor Theateronderzoek, dat Kassies 22 jaar in stand wist te houden, totdat het in 1992 werd wegbezuinigd. Min of meer omdat zijn werk overbodig was geworden, stelt Verpaalen. Of dat zo is, mag worden betwijfeld. De huidige werkplaatsen zijn kleine koninkrijkjes waar gescoord moet worden, wil de subsidie behouden blijven. En 'scoren' was een woord dat Kassies niet eens kende.

Kassies stelde kunst voortdurend op één lijn met wetenschap, allebei bezigheden die een flinke dosis creativiteit verlangen en die gebaat zijn met onderzoek. Wat voor de wetenschap het laboratorium is, is voor de kunst de werkplaats. Zoiets stond hem ook met de Theaterschool voor ogen - geen school waar een bepaalde methode werd gehanteerd, maar een plek waar tal van methoden aan de praktijk konden worden getoetst. Meer dan het leren van een ambacht, ging het hem om het stimuleren van de authenticiteit van de kunstenaar. 'Dat vergt talent', zei hij, 'maar belangrijker is de ontwikkeling van karakter.'

Hij kon uitstekend onder woorden brengen waar het hem in de kunst om ging. In 1979 formuleerde hij het zo: 'De signalen die beoefenaars van avant-garde in wetenschap en kunst geven, behoren ons minstens te nopen tot de vraag hoe vanzelfsprekend onze vanzelfsprekendheden eigenlijk wel zijn.' Daarbij bleef hij hameren op de taak van de overheid om kunstenaars te stimuleren en van middelen te voorzien. 'Dat armzalige beetje geld dat in Nederland aan de kunst besteed wordt.' Nooit mocht de vrije markt of sponsoring die taak overnemen.

Hij was een gangmaker die de uitvoering van zijn ideeën graag aan anderen overliet. Hem ging het om het uitdragen van het besef dat kunst een levensbehoefte is die de mens tot mens maakt. Zijn leven lang hield hij een voorkeur voor de avant-garde, voor kleine gezelschappen die hun weg nog moesten vinden en de kans moesten krijgen in alle rust te zoeken.

Tussen alle historische schetsen ontstaat er toch een portret van die rijzige man, zijn energie verdelend tussen het ene voorzitterschap en het andere. Een bestuurder was hij, maar zonder de rigide persoonlijkheid die daar dikwijls bijhoort. En als het ging om het uitdragen van kunst, onderscheidde hij twee soorten mensen: de ene soort georiënteerd op waarden, de andere gericht op doelmatigheid. Die tweede soort bestaat uit pure bureaucraten. En aan bureaucraten had Kassies een grondige hekel.

Hij was een meester in het relativeren en doorbreken van politieke gewichtigheid, van ambtelijke taal. Daarom doet het boekje hem weinig recht. Het bevat te veel deftige terminologie en hoogdravende vaagheden. Het enige waarop de bundel doet hopen, is een vervolg waarin plaats is voor teksten van Kassies zelf.

Marian Buijs

Fenna van den Burg & Hans van Dulken (samenstelling): Jan Kassies, 1920-1995 - Tussen politiek en cultuur. Boekmanstudies, Amsterdam; ¿ 27,50.

ISBN 90 6650 047 6.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden