Pascals terugkeer naar het hart

'DE GROTE genieën hebben hun autoriteit, hun glans, hun grootheid, hun glorie en roem, en zij hebben geen enkele behoefte aan hoge wereldlijke posities, die hun niets zeggen....

Laura Padt

Misschien is Blaise Pascal (1623-1662) alleen nog bekend door uitspraken als deze. Gewoon die meneer van agendawijsheden als: 'De mens is een riet, (. . .) maar een denkend riet' en: 'Was de neus van Cleopatra korter geweest, dan had de geschiedenis van de westerse wereld er anders uitgezien' - voor de liefhebber gebundeld in de wereldberoemde Pensées. Van figuren uit het verleden blijven immers vaak maar wat flarden bewaard. Was Pascal een dergelijk lot beschoren geweest, zou hij daar, gezien bovenstaand citaat, niet mee gezeten hebben.

Toch mogen we blij zijn dat 'de ogen' in de wereld ook nog bediend worden. Want in de zojuist vertaalde biografie Blaise Pascal - Het Franse genie schrijft biograaf Jacques Attali, dat de geniale Pascal, filosoof, wiskundige, schrijver, uitvinder én diep gelovig mens, met kop en schouders boven ons allen uitsteekt. Attali, voormalig adviseur van wijlen president Mitterrand, zelf schrijver, dramaturg, econoom en 'overtuigd gelovige', is dan ook niet zuinig met loftuitingen. Hij doet uitgebreid en bewonderend verslag van dit opzienbarende en inspirerende leven.

Naast het volledige werk van Pascal las Attali 'alle belangrijke publicaties over hem, waaronder biografieën geschreven door familieleden'. Alle spraakmakende zaken uit dit leven passeren de revue: Pascal die als 12-jarig jongetje voor zichzelf de gehele euclidische meetkunde herontdekt, de eerste rekenmachine uitvindt, het vacuüm, het integraal rekenen, de cycloïde (begrip uit de meetkunde). En zonder Pascal en zijn 'binair systeem' nu geen computers.

Maar dat is nog niet alles. Pascal bedacht een eerste vorm van 'openbaar vervoer' met koetsen, 'zodat arme mensen zich ook comfortabel kunnen verplaatsen'. En hij toonde zich een psycholoog avant la lettre met zijn analyse dat ieder mens door zijn eigen 'machine' (een aanduiding voor het 'onderbewuste', zegt de biograaf) beheerst en overheerst wordt. Pascal was blij met zijn ontdekkingen. 'Kinderlijk naïef trots', schrijft Attali, 'denkt hij soms dat hij de enige is die op dat idee kwam.'

Ook zijn betrekkingen met de jansenisten van het Parijse klooster Port Royal, waarin zijn geliefde zuster Jacqueline intreedt, krijgen ruimschoots aandacht. Dit contact culmineerde in de beroemde Les Provinciales: anonieme pamfletten waarmee Pascal voor de jansenisten een slepende 'strijd' tegen de jezuïeten won. Dezen zagen hun machtspositie bedreigd door de jansenisten en hun 'solitaires' (leken die bij het klooster woonden). Voor de principiële jansenisten ging het om theologische kwesties als 'goddelijke genade' en 'vrije wil'.

De jezuïeten schroomden niet de jansenisten door middel van leugens en smaad te diskwalificeren. Door de bemoeienis van Pascal, die schitterend en humoristisch elke onwaarheid van de jezuïeten blootlegde, wonnen de jansenisten het pleit. Zelfs de paus, op hand van de jezuïeten en nog niet 'onfeilbaar' verklaard, haalde bakzeil. Maar er was meer in het leven van Pascal dan intellectuele triomfen. Aan het eind van zijn leven komt Pascal tot een voor hem 'beslissende stap' op grond waarvan de biograaf hem plaatst in de categorie 'echte groten, voortkomende uit en zijnde van een andere orde'.

Pascal overzag zijn bestaan. Een bestaan doordesemd van wetenschappelijke ontdekkingen, van liefde voor zijn zus en geestverwante Jacqueline, van strijd, en ondraaglijke hoofdpijnen. Maar ook van stille overpeinzing en naar binnen gekeerde aandacht. Hij werd zich bewust van het feit dat zijn intellectuele vermogens, hoewel geniaal, nooit in staat zouden zijn de levensraadselen op te lossen. Terwijl om hem heen in volle vaart de ontwikkeling van de westerse intellectuele wereld zich voltrekt, stapt Pascal er, als een van de eersten, als het ware weer uit. 'Intellectuele vermogens zijn leuk om een beroep mee uit te oefenen, bijvoorbeeld als wiskundige, maar meer ook niet', vond hij.

Hiermee schaarde hij zich naast de door hem bewonderde Plato, voor wie 'zijn werk voor de staat slechts uiterlijk spel was. Zijn eigenlijke levenswerk leefde Plato in stilte, in zijn eigen huis', meende Pascal. Hij doorzag vervolgens dat hij zijn intellectuele vermogens ondergeschikt moest maken aan 'het hart'.

Op dit punt stelt Attali duidelijk dat het Pascal niet om een 'verstand versus gevoel'-discussie ging, zoals soms later wel werd gezegd. En ook niet om een stap terug naar kinderlijker, duisterder levensfasen waarin redeloze gevoelens en emoties de boventoon voerden. Het ging hem om het baanbrekende inzicht dat mensen, als het om de 'levensmysteries' gaat, uiteindelijk alleen vanuit het 'hart' tot oplossingen komen. Met dit inzicht uit ervaring was Pascal zijn wetenschappelijke collega's eeuwen vooruit, onder wie Descartes, die razend jaloers was op zijn briljante tijdgenoot en net had ontdekt: 'Cogito, ergo sum' (Ik denk, dus ik ben).

De gelovige Pascal verwoordde zijn 'inzicht van het hart' met begrippen uit het gangbare religieuze stelsel van zijn tijd: 'Liefde voor God betonen en liefde voor de naasten. Dat is het enige waar het om gaat.' Hierbij heeft het begrip 'liefde', zoals Pascal zelf zegt, 'niets van doen met wat de mens daar gemeenlijk onder verstaat: persoonlijke gevoelens van tederheid of opoffering voor deze of gene'. Zulke gevoelens, wist Pascal, 'kunnen ophouden, of omslaan in hun tegendeel'. Het ging Pascal om een 'liefde' die uitstijgt boven persoonlijke relaties en die zonder uitzondering uitgaat naar iedereen. De biograaf laat het wat dit punt betreft hierbij.

Pascal schreef onder verschillende pseudoniemen, zeven in totaal. Attali heeft het over 'zeven optredende persoonlijkheden'. Maar op het laatst is er alleen nog de Pascal die zich in overpeinzing terugtrekt. Geen uitvindingen meer, noch lucide geschriften, noch 'trots'. Pascal wil het woord 'ik' dan zelfs niet meer gebruiken. Hij is ziek, heeft buikkrampen, valt flauw van de hoofdpijn. Hoewel de artsen denken dat het meevalt, overlijdt hij in 1662 aan een hersenbloeding, 39 jaar oud. Zijn laatste woorden zijn: 'Moge God mij nooit verlaten.'

Hier had het boek wel mogen eindigen. Wat nog te zeggen na deze levensgeschiedenis van iemand van tijdloze grootheid? Attali plakt er echter nog een eigen verhaal aan vast. Jammer, want dan vergaloppeert hij zich ettelijke malen. Het niveau zakt wanneer hij Pascal kinderlijk chauvinistisch als 'typische exponent van Franse grootheid' inlijft. Zo Pascal zich al in enig kader laat onderbrengen, dan toch zeker niet in een nationalistisch. En als Attali zich vervolgens verliest in wetenschappelijke vergezichten waarin 'eeuwigheid gekloond' zal worden, lijkt hij Pascals innerlijk te realiseren 'dimensie voorbij ruimte en tijd' niet begrepen te hebben.

Attali stelt Pascal aan het eind van zijn boek op één lijn met Boeddha. Westerse 'groten' had hij hier overigens ook kunnen noemen. Wetenschappers en denkers die, eerder of later, tot soortgelijke conclusies kwamen, zoals bijvoorbeeld Boehme, Nietzsche, Spinoza of Einstein. Ook zij wezen in hun geschriften naar 'het hart', het hart met zijn wonderlijke vermogens van aantrekking en afstoting, maar ook van neutraliteit. Misschien gaf de zeventiende-eeuwer Pascal, die de basis legde voor veel 21ste-eeuwse 'verworvenheden', ons ook met zijn 'laatste stap' een blauwdruk. Maar dan een van een andere orde, namelijk voor een uitweg uit postmoderne, verwarde tijden.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden