Reportage Verbanning oud-militairen

Pas als lijk is deze Amerikaanse veteraan weer welkom in de VS

Oud-marinier Roman Sabal en zijn vriendin Charlene in het opvanghuis in Tijuana. ‘Ronald Reagan was president, en ze wilden gewoon goede mannen, het maakte niet uit waar je vandaan kwam.’ Foto Cynthia van Elk

Op de grens met Mexico hangt een bijzonder legertje oud-militairen rond. Als niet-Amerikanen waren ze bereid geweest te sterven voor de VS. Ze dienden in het Amerikaanse leger en zouden als beloning het staatsburgerschap krijgen. Het tegenovergestelde gebeurde: ze werden uitgezet. ‘Verbannen uit het land waarvan zij houden.’

Het is al volop Mexico, dit sudderende straatje in de grensstad Tijuana, met een scharrelende hond en een kukelende haan en mannen die hurkend in de schaduw schuilen voor de zon, maar toch hangt er een trotse Amerikaanse vlag achter de deur van een van de huizen. Daarnaast de rode vlag van het Amerikaanse korps mariniers. De blauwe vlag van een parachutistendivisie. Een adelaar omringd met Amerikaanse sterren en strepen. Jaime Caso, een oudere man met een getaand gezicht in een veel te ruime bermuda, komt aangesjokt met een rugtasje over zijn schouder. Ja, hier moet hij zijn.

‘Jimmy!’, zegt Hector Barajas, de commandant van deze post, als Caso binnenstapt in een ruimte die het midden houdt tussen een rekruteringskantoor van het leger en een jeugdherberg voor oudere jongeren. ‘Nieuwe troepen!’ Ze omhelzen elkaar. Veteranen onder elkaar. Al zouden ze nooit zulke wapenbroeders zijn geworden als ze niet allebei Amerika waren uitgezet.

Dit is de Bunker, het eerste en waarschijnlijk ook laatste toevluchtsoord voor mannen als Jimmy, uit de Verenigde Staten gedeporteerde veteranen. Ze zijn immigranten die in het Amerikaanse leger hebben gediend met het idee dat ze daarna automatisch Amerikaans staatsburger zouden worden. Dat was een vergissing. Daarna deden ze iets verkeerd. Daarvoor werden ze gestraft en daarna, omdat ze geen Amerikaan waren, uitgezet.

‘Amerika, het enige land dat ik kende’

Jimmy is vannacht de grens overgezet, zegt hij, terwijl hij het hondje aait dat op de tegelvloer ligt. Hij komt uit Terminal Island, een gevangenis in Long Beach, Californië, waar hij vier jaar heeft vastgezeten voor een illegale grensoverschrijding. Hij was al een keer naar Mexico afgevoerd, maar kende nauwelijks Spaans en probeerde terug te keren naar het land waar hij al van kinds af woonde. ‘Ik wilde terug naar Amerika. Het is mijn land. Het is het enige land dat ik ken. Ik was bereid ervoor te sterven. Ik hoopte dat ik er ook mocht leven.’

Precieze cijfers zijn er niet, maar er zijn honderden van deze veteranen in ballingschap. Het Amerikaanse leger draait al sinds de Onafhankelijkheidsoorlog voor een goed deel op niet-Amerikanen. Momenteel is bijna 4 procent van de gerekruteerde Amerikaanse soldaten afkomstig uit het buitenland. Sommigen van hen gaan wel de inburgeringsprocedure in, maar anderen weten niet dat dat moet. ‘Ik dacht dat het vanzelf ging’, zegt Jimmy.

Niet dus. Ja, als je dood gaat, dan gaat het vanzelf. Wie als niet-Amerikaan voor Amerika sneuvelt, wordt postuum Amerikaan. En ook uitgezette veteranen mogen als ze dood zijn terug naar Amerika, om begraven te worden tussen hun kameraden.

In de Bunker hangen hun foto’s. Manuel de Jesus Castano. Gerardo Garcia. Ramon Acedo III. Juan Montemayor. Hector Manuel Barrios. Pas als lijk waren ze weer welkom in de VS.

‘Al op middelbare school wist ik wat ik wilde: het leger in’, zegt Hector Barajas, de breedgeschouderde kale man die de leiding heeft over dit Deported Veterans Support House. ‘Ik wilde avontuur, ik wilde opwinding, en Amerika was al sinds mijn 7de mijn land.’

Hij kwam bij de 82ste ‘All American’ parachutistendivisie, bekend van D-Day en de Slag om Arnhem, en diende daar zes jaar, tot 2001 - in zijn nek zitten littekens van de striemende hanglijnen van de parachute. Maar ook hij vergat Amerikaan te worden. Na terugkeer in de burgermaatschappij had hij psychische problemen, en onder invloed van drugs schoot hij op een rijdende auto, waarvoor hij twee jaar de gevangenis in moest. Daarna werd hij het land uitgezet. Hij ging illegaal terug maar werd in 2010 bij een verkeerscontrole opnieuw opgepakt en opnieuw naar Mexico gedeporteerd. Daar had hij niemand, net als andere veteranen die de grens over werden gezet. Dus zette Barajas in 2013 de steunpost op.

‘Man, ik ben zo blij dat ik hierheen kon’, zegt Jimmy, die Barajas kent van een eerdere periode hier in Tijuana. ‘Toen ze me de grens overzetten, zeiden ze: ‘En nu, zelfmoord?’ Ze zeiden dat niemand me zou missen als ik dat zou doen. Maar ik heb dit.’

Hector Barajas bij de Bunker in Tijuana. Foto Cynthia van Elk

Gevangen in een kafkaësk tafereel

Een trap omhoog, langs oude uniforms en legerspullen, zit oud-marinier Roman Sabal (57) met zijn vriendin aan een tafeltje aan een ontbijt van tortilla’s en bonen en aardappelen. Hij is uit Belize gekomen in de hoop dat Barajas hem verder kan helpen. Hij wil dezelfde rechten als andere veteranen – medische zorg, de studie van zijn kinderen bekostigd – en hoopt ruim twintig jaar na zijn afzwaaien alsnog zijn gelijk te halen. Zijn situatie is kafkaësk: hij heeft een uitnodiging gekregen voor een naturalisatie-gesprek in Los Angeles, maar geen visum gekregen om daar naartoe te kunnen afreizen.

De reden dat hij Amerika niet in mag: hij is vrijwillig uit het land vertrokken. ‘Zelfdeportatie’, noemen ze dat. En dan kun je niet zomaar terug.

Sabal pakt een Spiderman-map en haalt voorzichtig de verkleurde papieren uit zijn diensttijd tevoorschijn die zijn zaak moeten stutten. Ze hebben nooit veel bij zich, de mannen die hier in de Bunker aanspoelen, maar dit hebben ze allemaal: documenten in mapjes of plastic zakjes die laten zien wie ze waren, voorbeeldige militairen, mannen van eer, mannen met oorkondes, certificaten en achievement medals. ‘Superieure plichtsbetrachting’, staat er op een van de papieren van Sabal, uitgereikt namens de staatssecretaris van de Marine. ‘Uitzonderlijke vaardigheden, initiatieven en loyale toewijding, in lijn met de hoogste tradities van het Korps Mariniers’, staat er op een andere.

Spullen die voor elke Amerikaanse veteraan grote betekenis hebben. Foto Cynthia van Elk

‘Amerika was altijd mijn droomland’, zegt Sabal. ‘Ik zat bij het leger van Belize toen ze me naar Panama stuurden om daar te werken met het Amerikaanse leger. Ik zag die gasten bezig met hun hardcore push-ups, het echte werk. Dat trok me enorm. Ik vroeg een Amerikaans visum aan en meldde me bij de mariniers. Ronald Reagan was president, en ze wilden gewoon goede mannen, het maakte niet uit waar je vandaan kwam. Ze stuurden me meteen voor drie maanden naar boot camp in San Diego. Dat was wat ik wilde. Zelf die push-ups doen.’

Zijn vriendin raakt zijn buikje aan. ‘Dat was vroeger.’

Hij was zeker zo goed als de anderen, denkt hij. ‘Als mariniers kwamen we op de basis vaak op de rotplekken terecht, op jungletraining in de Filipijnen bijvoorbeeld. De marinemensen kregen de betere barakken, wij zaten altijd ergens achteraan, het verste weg van alles. Fuck that shit, zeiden de Amerikanen, vaak jongens uit de stad. Die klaagden altijd. Wij buitenlanders zeurden minder. Wij waren meer toegewijd. Ik ben me altijd Belizaan blijven voelen maar we waren fanatieker, en in dat opzicht meer patriottisch dan de meeste Amerikanen, denk ik. We hadden een eed gezworen om te sterven voor een land dat niet het onze was – dat is een zware eed, daar ben je je als niet-Amerikaan bewuster van, denk ik. Dus hoe erg was die jungle dan helemaal?’

Een mooi dossier voor Trump

Ook uit onderzoek blijkt dat niet-Amerikaanse militairen het beter doen dan Amerikaanse militairen. Ze vallen minder snel af, tekenen vaker bij en maken vaker promotie, concludeerden postdoctorale onderzoekers van het Marine Instituut in Monterey een paar jaar geleden.

En dus worden buitenlanders al eeuwenlang gelokt naar het Amerikaanse leger, onder meer met de belofte dat ze na eervol ontslag Amerikaan kunnen worden. Dat is wettelijk vastgelegd en is door verschillende presidenten de afgelopen jaren met decreten bevestigd, voor het laatst door George W. Bush na 11 september 2001. Elke oorlog heeft nieuwe soldaten nodig.

Maar de praktijk van de beloofde naturalisatie is al jaren weerbarstig, en dat is verergerd sinds Donald Trump president is geworden. Zo zijn immigranten die bij de reserves dienen sinds vorig jaar uitgesloten van de route naar het staatsburgerschap. En sinds kort steken ook verhalen de kop op van tientallen niet-Amerikaanse militairen die om veiligheidsredenen worden ontslagen, waardoor ze niet in aanmerking komen voor de naturalisatie.

Toch valt de kwestie van de uitgezette veteranen niet in te delen in de gebruikelijke politieke categorieën, zegt Barajas. ‘Ik krijg rechtse types aan de telefoon die een hekel hebben aan immigranten, maar die wel zeggen: breng onze veteranen terug. Het is eigenlijk een dossier waarmee Trump voor zowel zijn aanhangers als zijn tegenstanders goede sier zou kunnen maken.’

Sinds hij zijn centrum voor veteranen in ballingschap oprichtte, is de politieke aandacht ervoor gegroeid. Diverse volksvertegenwoordigers zijn langsgekomen in Tijuana en pleiten voor automatisch staatsburgerschap voor veteranen. ‘Onze uitgezette veteranen zouden niet thuis mogen komen in lijkenzakken’, zei congresvrouw Nanette Barragán. ‘Permanente verbanning uit het land waarvan zij houden en dat zij hebben gediend, mag geen onderdeel zijn van hun straf.’

Hopen op gratie

Barajas, met een tatoeage van Mexico op een van zijn bovenarmen, het land dat hem opgevangen heeft, zegt geen wrok te koesteren tegen Amerika, het land waaraan hij trouw gezworen heeft. ‘Ik ben boos op het systeem en ik ben boos op wat deze jongens moeten doormaken. Maar Amerika is nog steeds mijn land.’

Zelf is hij een van de weinigen voor wie het goed is afgelopen. Jerry Brown, de gouverneur van Californië, verleende hem vorig jaar gratie. Door die truc verdween zijn misdaad, hoefde hij met terugwerkende kracht niet uitgezet te worden en kon hij half april Amerikaans staatsburger worden. Op 18 april verscheen hij voor het eerst in jaren in zijn oude woonplaats Compton, ten zuiden van Los Angeles, waar hij zijn moeder en zijn dochter kon opzoeken, in vol ornaat, met een trits medailles op zijn borst en een rode baret op zijn hoofd. Hij vierde een paar dagen feest en keerde daarna terug naar Tijuana, Mexico.

‘Er is nog steeds zo veel werk te doen. Er zijn nog honderden veteranen die geen gratie hebben gekregen. Er komen nog elke dag mensen aan. Die wil ik blijven helpen, aan beide kanten van de grens. Ik zeg tegen de mannen die hier komen: huilen mag. Ze zijn uitgezet, zijn hun familie kwijt, hebben misschien een oorlogstrauma. Maar je moet jezelf herpakken. We zijn allemaal militairen geweest. Gebruik die discipline. Misschien zit je hier wel tien jaar. Zoek een baan, zoek stabiliteit, leer Spaans, bouw een nieuw leven op.’

Hij knikt naar Jimmy, die als tegelzetter aan de slag wil. Zijn misdaad is dat hij iemand met een stanleymes bedreigde en toen ‘uitschoot’. Het slachtoffer overleefde het, maar lag twee dagen in coma. Ook Jimmy heeft zijn straf uitgezeten, maar hij is een minder voorbeeldige veteraan dan iemand als Barajas. Voor zo iemand is gratie een stuk lastiger. Barajas: ‘Je moet er rekening mee houden dat Amerika je pas terug wil als je dood bent.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.