Parlement moet brutaliteit kabinet niet meer pikken

De Kamer moet haar positie tegenover de uitvoerende macht versterken, over de grenzen van coalitie en oppositie heen, betogen Paul Kalma en Staf Depla....

Het recente rapport van een Kamercommissie over het functioneren van het parlement laat niet alleen Kamerleden aan het woord, maar ook betrokken buitenstaanders. Het resultaat is prikkelend. De Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale Ombudsman en de WRR hebben snoeiharde kritiek op het functioneren van ons bestuurlijk stelsel, inclusief de Tweede Kamer. Als die kritiek serieus wordt genomen, zijn de voorstellen die de commissie doet (meer parlementair onderzoek en een zelfbewustere houding tegenover de regering) nog maar een voorzichtig begin.

De bezorgdheid van de Hoge Colleges van Staat betreft twee ontwikkelingen. In de eerste plaats is er de ‘bureaucratisch-bedrijfsmatige logica’ die de uitvoerende macht is gaan beheersen. Het managementdenken, gefixeerd op controle en interne flexibiliteit, heeft de departementen van veel ervaring en een collectief geheugen beroofd en gevoelig voor beleidsmodes gemaakt. Wetgeving is vergaand geïnstrumentaliseerd, rechtstatelijke uitgangspunten zijn vervaagd. Het parlement heeft zich hierin laten meezuigen.

Vicevoorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State hield Kamerleden voor dat zij, net als bewindslieden en ambtenaren, gevangen zitten in een ‘zelfreferentieel systeem’ – een nette omschrijving van bestuurlijk autisme. Rekenkamervoorzitter Stuiveling zegt dat de Tweede Kamer te veel de rol van medewetgever is gaan spelen, ten koste van haar controlerende functie. Wetgevingsproblemen zijn tegenwoordig vooral uitvoeringsproblemen. Laat je als Kamer, suggereert ze, op hoorzittingen informeren door de samenleving, niet door vertegenwoordigers.

Interessant is dat veel gesprekspartners de gangbare kritiek op het parlement (fixatie op spoeddebatten, een stortvloed van moties en vragen) enerzijds relativeren, anderzijds meer diepgang geven. De spoeddebatten zijn een teken van jachtigheid en scoringsdrift, maar vormen ook een poging te ontsnappen aan de logica van de Haagse beleidsmachine. Incidenten zijn wel degelijk beleidsmatig en politiek relevant, voor zover we er structurele ontwikkelingen mee op het spoor kunnen komen. En de vragenstroom uit de Kamer is behalve een kwantitatief ook een kwalitatief probleem. Hij maakt het parlement steeds afhankelijker van degenen die het geacht worden te controleren.

Een deel van deze kritiek klinkt door in de voorstellen van de Kamercommissie. Ze pleit onder meer voor een uitvoeringstoets op nieuwe wetgeving en voor meer beleidsevaluaties. Terecht wijst ze op de goede ervaringen met dergelijk onderzoek, zoals van Dijsselbloem (onderwijs) en Blok (integratie). De Tweede Kamer is op haar best als ze de maatschappelijke werkelijkheid blootlegt. Dan vormt ze een tegenwicht tegen de logica van het bestuur. Dit verdient navolging – bijvoorbeeld met onderzoek naar de uitvoering van de jeugdzorg.

Daarnaast wenst de commissie meer kwalitatieve controle op wat de regering de Kamer allemaal toezendt. Maar de Kamer beschikt op het gebied van de grote projecten al over een dergelijk terugzendrecht. Ze maakt er alleen geen gebruik van. Zoals ook de zware kritiek van de parlementaire onderzoekscommissie infrastructuurprojecten nooit gevolgen heeft gehad. Die commissie wees op een terugkerend patroon van gebrekkige informatie door de regering aan de Kamer: onjuist, verhullend, misleidend dan wel overdadig.

Daarmee zijn we bij de tweede ontwikkeling beland: het sterke bestuurlijke en politieke overwicht van de regering op het parlement – gesymboliseerd door partijleiders die blind voor het kabinet kiezen en niet voor de Kamer. De afgenomen maatschappelijke worteling en de ontideologisering van politieke partijen hebben het sturend vermogen van de Kamer verminderd. Daarnaast is er de toegenomen wanverhouding tussen de ambtelijke ondersteuning van beide ‘machten’.

Bijzondere aandacht krijgt de externe advies- en onderzoeksstructuur van de overheid. Ombudsman Brenninkmeijer wijst op de overmatige bemoeienis van veel departementen met de uitkomst van uitbesteed onderzoek – tot en met tevredenheidsonderzoek onder burgers. Ongegeneerd zetten ze druk en bepalen ze wat de conclusies moeten zijn. Die staan vaak diametraal tegenover het onderzoek, zegt Brenninkmeijer. De Kamer betoont zich in dit soort kwesties weinig strijdbaar.

Daarin komt alleen verandering als het parlement meer zelfbewustzijn gaat vertonen. Accepteer geen dingen als gepast die dat niet zijn. Zoals ‘het volautomatisch in behandeling nemen van elke snipper papier die van het kabinet afkomstig is’, of ‘de brutaliteit (van het kabinet) om de vele en ingewikkelde stukken voor Prinsjesdag, zogenaamd uit angst voor lekken, pas op Prinsjesdag zelf aan de Kamerleden te verschaffen’. In een bijdrage aan het rapport spreekt hoogleraar parlementaire geschiedenis Van den Berg van ‘groeiende arrogantie en soms onbehouwenheid van ministers en staatssecretarissen, die geen reden meer hebben bang te zijn voor de Kamer’.

De verbeteringen die de Kamercommissie op dit gebied aandraagt, zijn ontoereikend. De Kamer moet haar positie tegenover de uitvoerende macht versterken, over de grenzen van coalitie en oppositie heen. Dat is ingewikkeld. De oppositiepartijen op de linker- en rechterflank dragen de rechten van de Kamer hoog in het vaandel, maar gaan er soms destructief mee om. Voormalige regeringspartijen zijn heel erg dualistisch, zonder zich te herinneren wat ze vroeger deden. En de huidige coalitiepartijen kijken te vaak op het verkeerde moment de andere kant uit.

Toch hebben alle partijen belang bij een sterkere Kamer. Het begin is er. Onder duidelijke verwijzing naar het Irakonderzoek schrijft de Kamercommissie, waarin, op de PVV en de Groep-Verdonk na, alle partijen vertegenwoordigd zijn: ‘Overigens zijn wij van mening dat regeerakkoorden geen afbreuk mogen doen aan de taken en bevoegdheden van de Kamer.’ Goed gebruld, leeuw! En nu de praktijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden