Parkeerbeheer

De hond slaat aan als ze voorbijkomen – de mannen die over het parkeren gaan, beambten van stadstoezicht. Ze zijn met z'n drieën en sinds kort hebben ze donkerblauwe baseballpetten op....

Martin Bril

Die pet is ongetwijfeld bedacht om het imago van de beroepsgroep een modern tintje te geven. Misschien gaat er wel een wervende werking van uit. Bij die club wil ik werken, dan krijg ik een donkerblauwe baseballpet. Het kan zomaar, we weten het niet.

De mannen hebben als taak de auto's in de straat te controleren. Wie geen vergunning of kaartje heeft, gaat op de bon – en om een bon te produceren, hebben de mannen een machientje bij zich, een stukje moderne technologie, daar houden mannen van.

Waar het de hond om gaat is het volgende: de manier waarop de mannen langs de auto's lopen. Nonchalant, de handen in de zakken, slenterend, met hangende schouders. De aanvoerder van het trio loopt voorop, de twee anderen volgen. Ze houden bij iedere auto een beetje in om uitgebreid, maar zo onopvallend mogelijk, naar binnnen te gluren. Al doende kijken de heren ook nog schuw om zich heen, bang dat ze betrapt zullen worden.

Waarop?

De hond weet het niet, maar hij blijft blaffen.

Halverwege de straat is een kruising met een andere straat. Hier steken de pijpen van ondergrondse vuilcontainers uit de stoep. Vaak is het een troep rond die pijpen, want lang niet al het afval kan erdoorheen, maar de mannen houden er altijd even halt om te kijken of er iets van hun gading tussen zit. Ze doen dat door wat met hun voeten in de rommel te roeren, schopje hier, duwtje daar, nooit bukken, geen vuile handen maken. Ze ruimen uiteraard nooit iets op, dat is het werk van hun collega's bij de reiniging.

Ze steken over.

Aan de overkant van de straat staat een parkeerautomaat. Het is er eentje die nog op muntgeld draait. Aan de onderkant zit een vakje met een klepje. Daar vallen de munten in terug als de automaat geld weigert, of de klant zich bedenkt en op de rode knop drukt. Nooit zullen de mannen vergeten even hun vingers in dat vakje te steken om te checken of er misschien een eurootje ligt.

Ze doen het alledrie.

Het is maar een kleine handeling, even de wijs-en middelvinger dat vakje in, en hij is volkomen ingesleten in de routine en motoriek van de mannen; alsof ze nooit iets anders gedaan hebben, dat vakje zelfs in hun slaap weten te vinden, ja het zelfs niet over zullen slaan als ze met hun verloofde door de stad zwieren. Altijd je vingers even in het vakje van de automaat als je er langskomt.

Daklozen kunnen er ook wat van.

En kinderen doen het ook wel.

Maar politieagenten, ook veel op straat, doen het nooit – wat iets zegt over de opleiding die ze krijgen, en misschien ook wel over hun herkomst en inkomen, hoewel dat laatste laag is.

De hond houdt pas op met blaffen als de mannen van het parkeren aan het einde van de straat uit het zicht zijn verdwenen. Hij is erg bezorgd geweest en heeft het huis goed beschermd. Nu valt hij tevreden in slaap. Morgen komen de mannen weer, met hun baseballpetten en gretige vingers. Dan moet de hond opnieuw in vorm zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden