Park goes America

De Koreaanse meesterfilmer Park Chan-wook debuteert in Hollywood met de onderkoelde thriller Stoker. 'Ik begreep vaak intuïtief wel wat mensen zeiden.'

De oosterse Quentin Tarantino werd hij genoemd. Tien jaar geleden brak de Zuid-Koreaanse filmmaker Park Chan-wook in het Westen door met Oldboy, een even intelligent als pervers wraakverhaal over een man die met een hamer op zoek gaat naar degene die hem jarenlang opsloot in een bedompte cel. In een van de meest memorabele scènes verorbert hij een levende inktvis.


Park voerde een golfje moderne, hippe Aziatische filmers aan die grensverleggend B-filmgeweld combineerde met een fijn gevoel voor drama en stijl. Oldboy werd een cultklassieker, de monumentale middelste film in een trilogie over wraak, aangevuld met Sympathy for Mr. Vengeance (2002) en Sympathy for Lady Vengeance (2005). In Cannes won hij de juryprijs, na een fanatieke lobby van de echte Tarantino, die dat jaar optrad als juryvoorzitter.


Sinds die première belandden tal van Engelstalige scenario's op zijn bureau. Naar verluidt weigerde Park onder meer het spionnendrama Tinker Tailor Soldier Spy en de remake van horrorklassieker Evil Dead.


Precies tien jaar later is het zo ver. Afgelopen winter bezocht Park Chan-wook (49) het filmfestival van Rotterdam om te praten over zijn eerste Engelstalige film Stoker, een onderkoelde, gotische, Hitchcockiaanse thriller over een moeder (Nicole Kidman) en dochter (Mia Wasikowska) die na de dood van hun echtgenoot en vader te maken krijgen met de ontregelende bezoekjes van een mysterieuze oom (Matthew Goode).


In zijn films is Park een visueel stilist, die met zijn vaste cameraman Chung Chung-hoon (het enige vaste crewlid dat met hem de overstap naar Hollywood maakte) scènes bouwt als kleine, op zichzelf staande, licht surreële kunstwerkjes. In Stoker vloeit Kidmans golvende haar chic over in het beeld van een grasveld, een bungelende lamp in een kelder heeft effect op de belichting van de keuken, een pianoduet tussen de oom en dochter staat bol van de seksuele spanning.


Zijn zakelijke voorkomen steekt daar opvallend keurig bij af. Kleurloos jasje, klein brilletje, handen gevouwen op tafel terwijl hij zijn antwoorden via een tolk bondig formuleert. Van hem geen romantische verhalen over filmkunst, maar voorzichtige afwegingen over commerciële belangen en werkethiek, en openlijk uitgesproken twijfel over zijn werk in Hollywood. 'Ik heb mij lang afgevraagd waarom ik eigenlijk overwoog om een film in de Verenigde Staten te regisseren. Ik spreek de taal niet, het systeem is totaal anders, waarom zou ik mij al die moeite op de hals halen?'


Verwachtte u meer aanzien door een Hollywoodfilm te regisseren?

'Ik vermoedde vooral dat ik op mijn oude dag spijt zou krijgen als ik de kans niet zou grijpen. Ik vond het beter om het zelf te ervaren en er eventueel later spijt van te krijgen, dan andersom.'


U wilde een avontuur?

'Ja, maar niet voordat ik het eerst zorgvuldig had overwogen met mijn manager. We hebben het avonturenelement tot een minimum beperkt, laat ik het zo zeggen.'


In Zuid-Korea filmde u ruim tien jaar in alle vrijheid, met grotendeels dezelfde crew. Hoe beviel het om voor een Amerikaanse filmstudio te werken?

'In het begin was het erg lastig. Irritant ook wel. Ik kreeg veertig draaidagen en voelde veel druk om binnen die tijd klaar te zijn. Ik had voor mijn gevoel te weinig tijd om de personages goed door te spreken met mijn acteurs. Ik maakte mij grote zorgen dat het allemaal te snel ging, dat ik niet kon voldoen aan datgene waartoe ik in staat werd geacht. De gedachte dat ik mijn Koreaanse debuutfilm (het door vrijwel niemand geziene Moon Is the Sun's Dream uit 1992) nog sneller filmde zorgde voor houvast. Het was opnieuw een debuut, wat dat betreft.'


In hoeverre vormde de taal een barrière?

'Het duurde niet langer dan vijf minuten, toen was het gevoel van afstand tussen mij en mijn acteurs verdwenen. Ten eerste omdat ik een goede vertaler had; Jeong Won-jo, één van de producenten, fungeerde op de set als mijn vaste tolk. Maar ook omdat we allemaal professionals zijn, met jaren ervaring. Vaak begreep ik intuïtief wat ze zeiden voor het werd vertaald. Al onze communicatie was sowieso gebaseerd op het scenario. Gewoon wat kletsen was er niet bij. Het ging altijd over het werk.'


Van uw vaste crew nam u alleen cameraman Chung Chung-hoon mee. Hoe belangrijk was zijn aanwezigheid?

'Als hij er niet was geweest, weet ik niet hoe of ik de film op tijd had afgekregen. Zijn aanwezigheid was onmisbaar. Zonder hem had ik mij op deze set wellicht nog eenzamer gevoeld. Natuurlijk was mijn tolk er altijd, maar hij was ook een van de producenten, de groep mensen aan wie ik voortdurend verantwoording moest afleggen. Met Chung Chung-hoon kon ik Koreaans spreken en hij vulde mijn werk écht aan. Het script gaf ons bovendien veel vrijheid om onze visuele stempel op de film te drukken; wanneer de personages geen tekst hadden was ik op mijn best.'


Oldboy betekende uw doorbraak bij een westers publiek. Veranderde dat uw manier van filmmaken?

'Totaal niet. Ik kon alleen met grotere budgetten werken. Ik voelde mij vereerd door de prijzen, maar die aandacht en populariteit zorgden ook voor een last. Als je geen lowbudgetfilms maakt, ontstaat er een groot gevoel van verantwoordelijkheid tegenover je financiers en producenten. Het is mijn taak ervoor te zorgen dat zij geen verlies draaien. Mijn films zijn niet altijd winstgevend geweest, maar het gevoel van verantwoordelijkheid is er altijd. Streven naar bioscoopsucces is sindsdien een grote bron van zorg.'


U maakt uw Amerikaanse debuut in hetzelfde jaar als twee Zuid-Koreaanse collega's. Kim Jee-won maakte de Schwarzeneggerfilm The Last Stand, Bong Joon-ho komt met Snowpiercer, een verfil-ming van een Franse science-fictionstrip. Hebben jullie dit zo gepland of is het toeval?

'Het is een mooi en vreemd toeval. Vooral omdat we allemaal in hetzelfde jaar, 2003, doorbraken in Zuid-Korea. Kim met A Tale of Two Sisters, Bong met Memories of Murder en ik met Oldboy. We zijn al jaren vrienden en onze vriendschap is enkel sterker geworden. Kim en ik woonden tijdens onze postproductiefase op vijf minuten lopen van elkaar in Los Angeles. Ik begon iets eerder met filmen en kon hem vertellen dat de Amerikaanse filmwereld soms nogal drastisch verschilt van de Koreaanse. Beiden werkten we voor een studio. Daar is het een kwestie van aanpassen, je flexibel opstellen en binnen de eisen van de studio zo veel mogelijk vrijheid zien te krijgen. Daarnaast ben ik producent van Snowpiercer, die met Koreaans geld wordt gemaakt. Bong zie ik sowieso veel - als het goed is, geniet hij meer vrijheid dan ik zelf ervoer.'


SPIKE LEE DOET PARK

Binnenkort verschijnt een Amerikaanse remake van Park Chan-wooks Oldboy uit 2003. De film wordt geregisseerd door Spike Lee (Do the Right Thing, 25th Hour). Park: 'De producent is een vriend, hij vertelt mij af en toe hoe de zaken ervoor staan, maar verder ben ik er niet bij betrokken. Ik zou er ook niet aan moeten denken. Josh Brolin belde mij toen hij de hoofdrol kreeg aangeboden - of ik hem mijn zege wilde geven. Dat vond ik mooi. En Spike Lee vind ik sinds mijn jeugd een van de belangrijkste filmmakers ter wereld. Ik heb er alle vertrouwen in.' Eind november wordt de Amerikaanse Oldboy in de Nederlandse bioscopen verwacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden