Parijs

Vannacht droomde ik, vraag niet hoe het kan, dat ik op een vlot door een grote stad dreef. Niet alleen de stad, maar de hele aarde was overstroomd. Het water stond hoog. Ik peddelde met mijn handen naar een dakraam en klopte aan. Toen een oude, lang overleden vriend het raam opendeed en ik naar binnenklom, wist ik dat ik in Parijs was. Met hem had ik jaren in die stad gewoond, lief en leed gedeeld. Ik droom wel vaker van Parijs, ook overdag. De stad is in mij aanwezig, ik hoef er niet meer naar terug. Iedereen die ik er kende is dood. Ik onthoud de stad zoals ik hem gekend heb, toen de vrienden nog springlevend waren, we de zolderkamers bewoonden, over de boulevards zwierven, verliefd door de parken liepen, Jardin du Luxembourg, Jardin des Tuileries. Het was altijd april in Parijs. In Paris la Nuit (Forum Jakarta-Paris, 2002) schrijft de Indonesische dichter Sitor Situmorang in het gedicht 'Paris avril': Mijn geliefde is teruggekeerd/ Met de eerste vogels/ Uit een ver oord/ In een suizende wind van zuivere lucht/ Alles is groen/ Bloemen staan op het punt zich te openen/ En het onrustige hart/ Wordt bestormd door jongelingsdromen/ Wij wandelen door het park/ Bieden het hoofd aan opkomende vragen/ En dan hernieuwt zich/ Alles dat niet eeuwig kan zijn.


Is het waar dat ik niet meer terug hoef naar Parijs, dat ik genoeg heb aan mijn herinneringen, waarin mijn vrienden nog leven? Zou, zoals mijn waarde, ook al dode vriend Sitor schreef, alles dat niet eeuwig kan zijn zich toch hernieuwen? Ik heb er een hard hoofd in. Ik zie de vrienden niet uit de doden herrijzen. Een paar weken geleden begon ik een verhaal te schrijven dat gebaard werd door het plotselinge verlangen weer in Parijs te zijn, al was het maar denkbeeldig. Het begint aldus: 'Er zijn of er niet zijn? Nog geen minuut geleden was ik zeker van mijn zaak geweest, nu ik het Gare du Nord uitliep bekroop de twijfel me. Misschien omdat het vertrouwde hotel aan de overkant onherkenbaar gerenoveerd was of omdat ik belaagd werd door een hardnekkige bedelaar.'


In de trein raakt de 'ik' in gesprek met een paar landgenoten die voor het eerst Parijs bezoeken. Hij raadt ze allerlei bezienswaardigheden aan, maar noemt de Eiffeltoren niet. 'De Eiffeltoren vond ik toen ik er woonde iets voor Franse provincialen en voor buitenlanders, Engelsen en Japanners en zo. Als de echte Parijzenaar die ik wilde zijn liet je die toren in zijn eentje het stadsbeeld beheersen. De straten, de boulevards, de parken, de métro en de cafés waren mijn gebied.'


Verder in het verhaal beseft de 'ik', net als ik, dat de stad niet meer de stad zal zijn die hij kende, want de vrienden zijn er niet meer. Hij zou door een stad vol geesten dwalen. De plekken waar ze elkaar troffen zouden lege plekken zijn, ontdaan van smaak en kraak en het blaadje Braak. In een gesprek met Henk Hofland en Tom Rooduijn zegt Lucebert, die een van de redacteuren van Braak was: 'Remco en ik logeerden in Parijs meestal bij Rudy en Ethel Kousbroek. We lagen daar dan om beurten met ons hoofd in de kattenbak. Ze waren uiterst klein behuisd, maar ze hadden ook nog wat katten in dat optrekje.' In dit geval toonde de meester zich in de overdrijving.


Wim Brands praatte in 2009 met Hugo Brandt Corstius. In dit onlangs weer uitgezonden gesprek zou het eens afgelopen zijn met de mensheid, maar het was denkbaar dat zijn dromen zouden voortleven, ergens hoog in de lucht. Dat hoop ik dan maar. Zo hebben de vrienden, Parijs, de kattenbak en ik het eeuwige leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.