Parijs

Afgelopen zomer reisde ik met mijn dochter van Zuid-Frankrijk naar Nederland, per trein. In Parijs kwamen we aan op Gare d’Austerlitz....

Het was een prachtige, hete middag in augustus. Parijs in augustus is een heel andere stad dan Parijs in juli, februari, maart of oktober. In augustus is de stad leeg. De mensen die er wonen zijn op vakantie, veel winkels zijn dicht, de stad is overgeleverd aan toeristen.

Oké.

We namen een taxi lieten ons naar Palais Royal brengen. Daar vlakbij zit een zaak die Café Ruc heet, geen mooie naam inderdaad. Maar het is een fijne uitspanning, nogal trendy. Altijd als wij in Parijs zijn, gaan we erheen. Ze serveren er onder andere heerlijke frites en goeie salades.

Tussen het hippe volk zitten altijd een paar oude dames die er al jaren iedere middag lunchen. Een van die dames zit altijd in hetzelfde hoekje. We hebben al een paar keer naast haar gezeten. Ze eet de dagschotel en leest de krant, Le Parisien. Soms heeft ze een boek bij zich.

Het was toch drukker in de stad dan ik had gedacht. In de Rue Rivoli stonden we langdurig stil achter een paar vrachtwagens. Ik begon me zorgen te maken, maar mijn dochter hield het hoofd koel. We gingen het makkelijk redden, volgens haar, en de service in Ruc was zo goed dat we beslist niet lang op ons eten zouden hoeven te wachten.

We hadden honger, en fantaseerden over de menukaart: wat zouden we nemen? Mijn dochter wist het al uren: penne arabica. En als ik nou een koude steak met frites nam? Geen voorgerecht, had ze besloten. Dat ging te lang duren.

Palais Royal.

Het plein dat erbij hoort, Place André Malraux, waar de Avenue de l’Opera en de Rue Saint Honoré elkaar kruisen, lag zinderend in de hitte op ons te wachten. Op het terras van Ruc was een tafeltje vrij en binnen dertig seconden had mijn dochter een serveerster weten te wenken. We bestelden zonder op de kaart te kijken, en gingen zitten wachten.

‘Het gaat lukken pap’, zei mijn dochter de eerste keer dat ik op mijn horloge keek. ‘Doe nou niet zo zenuwachtig man’, zei ze de tweede keer boos. ‘Je bederft de lol’, klonk het de derde keer onverbiddelijk. Daarna keek ik niet meer op mijn horloge.

Daar was het eten, exact zoals we het ons hadden voorgesteld. Dat is toch altijd weer een klein wonder, vind ik. We hadden het er in de trein zeker anderhalf uur over gehad en nu stond het voor ons. We vielen aan. Gekscherend huldig ik al jaren het standpunt dat er niets boven een vrouw gaat die goed kan eten, maar nu zag ik dat er wel degelijk een overtreffende trap was: een etende dochter.

In no time had ze haar bordje pasta leeg, en als ik zelf de wind er ook niet zo goed onder had gehad, was ze beslist aan mijn frites begonnen. Ik zwaaide naar de serveerster en betaalde. Even later stonden we bij de taxistandplaats te wachten op een taxi.

Tijd zat.

En toch die zenuwen; dat is beslist een van de nadelen van reizen, of het ligt aan mij. Daar kwam de taxi al aan. Ik keek nadrukkelijk niet op mijn horloge. ‘Dat hebben we goed gedaan, pap’, zei mijn dochter toen we achter in de auto zaten. Ze stootte me vrolijk aan, en inderdaad: we hadden het goed gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden