Parijse zelfportretten Van Gogh voor het eerst samen te zien Het begin en het einde van het zoeken

Van Goghs Parijse zelfportretten. Van Goghmuseum in Amsterdam, tot en met 9 oktober...

Vincent van Gogh maakte in het jaar dat hij in Parijs woonde een ongekend aantal zelfportretten. Hij had het genre van het portret altijd al in zijn achterhoofd; soms nog alleen als een manier om wat geld te verdienen, maar in wezen had het uitbeelden van de menselijke figuur zijn uitgesproken voorkeur. Hij vond zich geschikter voor het portret dan voor het landschap - 'al met al het enige dat me in de schilderkunst ten diepste ontroert en dat me, meer dan wat ook, het oneindige doet voelen'.

In Parijs trof hij een nieuwe, moderne schilderkunst - een ander palet - en probeerde zich onmiddellijk die expressie eigen te maken. Hij schilderde tijdens zijn leven zo'n 35 zelfportretten, waarvan 29 alleen in die Parijse periode (1886-1887). Hij kon zich geen professionele modellen veroorloven, vroeg kennissen voor hem te poseren, maar de bereidwilligheid was klein. Hij viel terug op zichzelf en schreef zijn broer: 'Ik heb expres een goede spiegel gekocht om bij gebrek aan een model naar mezelf te kunnen kijken, want als ik erin slaag de kleuren van mijn eigen gezicht te schilderen, wat niet zonder problemen gaat, dan kan ik ook wel de koppen van andere mannen en vrouwen schilderen.'

Van Goghs zelfportretten worden vaak opgevat als pogingen om zijn eigen psyche weer te geven, maar in zijn Parijse serie is dat - op één na - niet het geval. Volgens de samensteller van de tentoonsteling moeten vrijwel al zijn zelfportretten uit Parijs gezien worden als experimentele studies, waarin hij alleen nieuwe schildertechnieken uitprobeerde.

Aan de meeste hechtte hij niet veel waarde. Hij schilderde ze op goedkoop karton of op oud materiaal, een paar zelfs op achterkanten van oudere schilderijen, die hij nog in Nuenen had gemaakt. Hij signeerde er slechts twee; de enige die hij kennelijk de moeite waarde vond, ze zijn ook wat groter van formaat dan de rest. De reeks bestrijkt, heel intens kunnen we nu zien in de vergelijking, het begin en het einde van het zoeken.

Wat er uit spreekt, dat heeft hij in zijn hele leven met al zijn passie uitgedragen, is een oneindig zoeken. Hij mag zich een mooie, borstelige stijl van strepen en vegen in de kleuren van de nieuwe tijd hebben eigen gemaakt en een nieuw licht hebben gevonden, uit al die experimenterende zelfportretten spreken meest die felle, intense tot in het diepst van de ziel zoekende grijsblauwe ogen.

De tentoonstelling in het prentenkabinet van het Van Goghmuseum begint met de enige drie fotografische portretten die er van Vincent van Gogh bestaan, twee kleine kiekjes van een baardeloze jongeling en een groot afgedrukt portret van hem met zijn schildersvriend Émile Bernard, zittend aan de Seine. We zien Vincent van Gogh, die van portretfotografie niets moest hebben, veelbetekenend op de rug.

Het hoogtepunt van dit noodgedwongen zelfonderzoek in de schilderkunst wordt in de tentoonstelling gevormd door vijf zelfportretten geschilderd op achterkanten van oudere doeken. Hierin zitten, tot in het diepst van een ervaring, de twee wegen van Van Gogh besloten. Het is de vraag allang niet meer wat de beste kant van de doeken zijn. De sombere Nuenense kleuren hadden afgedaan, hij schilderde voortaan in een lichter spectrum. Het kon hem niet schelen of op het oude werk een liggend of een staand tafereel te zien was. Hij greep het doek, draaide het om, zette het op zijn kant en begon opnieuw.

De vijf portretten waren in het verleden slechts bij hoge uitzondering te zien, het is voor een museum wat onhandig als een schilder ook op achterkanten is gaan werken. Ze zijn nu van nieuwe, dubbele lijsten voorzien en zodanig in een vitrine opgesteld dat de voor- en achterkanten te bekijken zijn. De oude kant van de rij is somber en donker, de nieuwe kant licht, fris en met een heel andere streek neergezet. Achter een voorstudie van De aardappeleters zit een zonnig en licht zelfportret in schilderskiel. Ze staan symbool voor een verandering, die in het intense leven van Van Gogh meer inhoudt dan alleen een aanpassing in schildertechniek en kleurstelling, er zit een wereldbeeld in besloten. We schrijven 1884-'85, het gaat om een schildersonderzoek van een jaar, maar het lijkt of een oude eeuw door een nieuwe wordt opgevolgd.

Hoeveel variaties kan iemand maken op het thema zelfportret en dan nog in een jaar en met een beperkte garderobe aan sprekende requisieten? Van Gogh bezat een wandelkostuum, kun je zien, een werktenue en een schilderskiel, hij had een zwarte bolhoed, een grijze vilten hoed en een zomerse strohoed, aan meer aankleding deed hij niet.

Het ging hem ook niet om een uitdrukking of een typering, hij wilde in een nieuwe schilderstaal kunnen spreken. Hij wist wat hem voor ogen stond. 'Ik zou zo graag', schreef hij zijn zuster Willemien, 'portretten maken die over een eeuw voor de mensen die dan leven als het ware openbaringen zijn. Dus probeer ik niet te schilderen door middel van de fotografische gelijkenis, maar door onze hartstochten uit te drukken waarbij ik onze kennis en moderne smaak omtrent kleur hanteer als middel om het karakter uit te drukken en op te voeren.'

Het schilderij Zelfportret met pijp en glas (dat over een ander doek heen is geschilderd, bleek onlangs uit een röntgenfoto) en Zelfportret met schildersezel markeren het begin en het slot van de expositie. Het een laat zien waaruit het zoeken ontsproot, het ander wat het zoeken heeft opgeleverd.

Van zijn negenentwintig Parijse zelfportretten bezit het museum er achttien. Aangevuld met bruiklenen en de twee enige getekende zelfportretten van Van Gogh zijn ze nu voor het eerst samen te zien. Terzijde zijn teksten opgehangen met waarnemingen van tijdgenoten de fysiognomie van Van Gogh betreffende, zoals een van huisgenoot P. C. Görlitz uit Dordrecht in 1877: 'Zijn gezicht was leelijk, maar als hij sprak over godsdienst of over kunst en dan, wat hij al gauw deed, in vuur raakte, dan schitterden zijn oogen en maakten zijn trekken op mij tenminste een diepe indruk; 't was het eigen gezicht niet meer, 't was mooi geworden.'

'De vraag is maar', zei Van Gogh eens, 'of men al dan niet de ziel of de kleren tot zijn uitgangspunt neemt.' Hij nam in deze reeks de techniek tot drijfveer. Ook weer niet helemaal om het schildersexperiment alleen, zonder verdere diepere zin en emotie. In het in een hemels licht gezette Zelfportret met schildersezel wilde hij ook de sombere stemming weergeven, waarvan hij toen vervuld was. In een brief aan zijn zuster Willemien wees hij op de rimpels in het voorhoofd en de 'roden baard vrij ongeredderd en triest'. Hij schilderde in wezen zijn gezicht niet, maar zocht in het platte beeld van de spiegel zijn levensportret als schilder.

Willem Ellenbroek

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden