Parels van gedrochten

Moet een lelijk gebouw als dat van DNB plaats- maken voor iets moois als het Paleis voor Volksvlijt? Sander van Walsum denkt van niet. Want met sloop gaan ook veel mooie herinneringen verloren.

Bij een bezoek aan het dorp waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht, moest een vriend van mij vaststellen dat vrijwel alle sporen van toen waren uitgewist. Zijn geboortehuis was al in de vroege jaren zeventig gesloopt. Dat had hem destijds al verbaasd, want er was niets mis met dat huis.


Elders in het dorp betrok hij een nieuw huis dat gestalte gaf aan de architectonische opvattingen van die tijd. Rondom een zitkuil was een aantal 'open ruimten' gegroepeerd, want muren waren iets van vroeger. De voorgevel bestond overwegend uit glas. Aan de achterzijde van het huis liep het schuine dak - dat dan weer wel - vrijwel door tot aan het gazon. Hetgeen de boeren uit de buurt, die de vorderingen van de bouw hoofdschuddend hadden gevolgd, de grap ontlokte dat de schoorsteen per fiets bereikbaar was.


Nieuwe modegolven trokken over het dorp. Het huis van mijn vriend raakte aan het zicht onttrokken door een ongetemde heg, en een paar jaar geleden werd het onverhoeds gesloopt. Om plaats te maken voor een pand dat vooral laat zien dat geld vaak gepaard gaat met wansmaak. Mijn vriend heeft nu geen reisdoel meer voor een sentimental journey. Van de kleuterschool, die vroeger was gevestigd in de weelderige villa van een Indiëganger, weet hij nog ongeveer waar ze heeft gestaan. De openbare basisschool, destijds lagere school genoemd, werd getransformeerd in een fris gebouw met grote ramen, dat inmiddels ook niet meer zo fris oogt.


Te vaak worden gebouwen, de landmarks bij uitstek van de openbare ruimte - gesloopt omdat ze niet meer functioneel zijn of omdat de vluchtige smaak van het nageslacht zich tegen hun bestaan verzet. En waar het gaat om de planologie heeft het nageslacht altijd het laatste woord. Daarbij wordt miskend dat met gebouwen, ongeacht de vraag of die mooi zijn of functioneel, herinneringen zijn verknoopt van mensen die in en tussen die gebouwen hebben geleefd.


In de zomer van 2008 was ik in Potsdam getuige van een interessante discussie over de vraag of de in 1945 zwaar gehavende en in 1968 gesloopte Garnisonkirche in oude luister moest worden hersteld. Het was een warme zondagavond. Het EK voetbal was gaande. Toch gaven enkele honderden mensen, sommigen op hun paasbest gekleed, blijk van hun belangstelling. Inzet van de verhitte discussie was of een gebouw waarvan de meerderheid van de Potsdammers zich niet meer kon herinneren dat het er ooit had gestaan, meer bestaansrecht had dan het DDR-gedrocht dat op zijn plaats was verschenen maar dat wel was opgenomen in het collectief geheugen van de nu levende mensen.


Schuldig gebouw

Natuurlijk ging het niet alleen daarom, want Duitsland was de plaats van handeling. In ongeveer élk debat komt op een zeker moment dus het nazi-verleden aan de orde. Zo beriepen tegenstanders van de herbouw van de Garnisonkirche zich op de omstandigheid dat het gebouw één dag in zijn lange bestaan - 21 maart 1933, 'de Dag van Potsdam' - dienst had gedaan als plek waar de verse rijkskanselier Adolf Hitler 'het verbond tussen het oude Pruisen en het nieuwe Duitsland' bezegelde. Sindsdien was de Garnisonkirche niet zomaar een kerk maar een 'schuldig gebouw'.


Mede door die gewetensvolle omgang met het verleden zijn we tegenwoordig zo dol op de Duitsers, en ik was die warme zomeravond in 2008 ook erg op hen gesteld. Maar het eerste punt overtuigde mij toch meer: een gedateerd gebouw waarmee de laatste twee generaties hebben geleefd zou niet per definitie moeten wijken voor een barokke kerk waarvoor nog een bestemming moet worden gevonden. Want één ding stond op voorhand vast: in het ontkerstende Potsdam zou de Garnisonkirche geen dienst meer doen als gebedshuis.


Inmiddels is de discussie, net als in andere plaatsen waar soortgelijke kwesties speelden, beslecht in het voordeel van de voorstanders van herbouw. En misschien moeten we daar in dit geval ook wel blij om zijn, want het, inmiddels gesloopte, DDR-gedrocht was wel érg lelijk. Maar veel Potsdammers die de DDR nog hebben meegemaakt, denken daar anders over. Niet omdat ze de verdwenen Plattenbau zo mooi vonden, of omdat ze de DDR verkiezen boven het herenigde Duitsland, maar omdat opnieuw iets vertrouwds is verdwenen. Hun houding tegenover het land dat niet meer bestaat werd treffend verwoord in de film Sonnenallee, een - enigszins omstreden - zedenschets van de DDR. Een van de hoofdrolspelers zegt ondanks alles zijn DDR-tijd als de mooiste van zijn leven te hebben ervaren omdat hij toen 'jong en verliefd' was.


Zo is het ook maar de vraag of het onderkomen van De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein in Amsterdam plaats zou moeten maken voor het Paleis voor Volksvlijt, dat ooit op deze plaats stond. Een vitale stad is een staalkaart van alle wanen van de dag en alle stedenbouwkundige dwalingen. Niemand betwist vanuit hedendaags oogpunt dat het gebouw van DNB zo'n dwaling is, maar daarmee is niet gezegd dat een herbouwd Paleis voor Volksvlijt ooit nog de statuur zou kunnen krijgen die het tot de verwoestende brand van 1929 volgens de overlevering had. Bovendien moet je niet elke dwaling willen wegpoetsen, want elke tijd heeft genoeg aan z'n eigen dwalingen.


Korte adem

Soms worden stedenbouwkundige dwalingen zo radicaal en zo consequent doorgevoerd dat ze het nageslacht wel kunnen imponeren. Neem de Stalin-Allee - nu Karl-Marx-Allee - in Oost-Berlijn, de vroegere Hauptstadt der DDR. Voor de verwezenlijking van dit prestigeproject moesten zo veel woonblokken worden gesloopt en werden zo veel krachtsinspanningen van bouwvakkers gevergd, dat het voor de bevolking het moreel failliet van het regime symboliseerde. Hier begon dan ook de juni-opstand van 1953 (die met hulp van de Russen werd neergeslagen). Inmiddels zijn de arbeiderspaleizen die langs de avenue verrezen geen schuldige gebouwen meer, maar hippe onderkomens voor gearriveerde dertigers. Het kan verkeren.


In de 19de eeuw maakte de Franse keizer Napoleon III (1848-1871) zich allerminst geliefd met zijn ingrijpende reconstructie van Parijs. Die was, om te beginnen, ingegeven door strategische overwegingen: de brede avenues zouden bij een volksopstand - een fenomeen dat zich destijds bijna elke generatie voordeed - snelle troepenverplaatsingen mogelijk maken. Ter verwezenlijking van dit hogere doel werd de oude stad goeddeels gesloopt en stak het land zich diep in de schulden. Bouwmeester Georges-Eugène Haussmann, de ontwerper van het nieuwe stadsplan, werd alom gehaat. Nu is een grote Parijse boulevard naar hem vernoemd. Zijn planologische dwaling is verjaard. De postume flirt van Hitler, wiens gedroomde hoofdstad Germania een uitvergroting moest worden van het plan-Haussmann, wordt hem niet aangerekend.


Als het in de Nederlandse stedenbouw aan iets heeft ontbroken, is het de ijzeren consequentie die de dwaling van Haussmann tot het waarmerk van Parijs heeft gemaakt. Dat hangt natuurlijk samen met de gelukkige omstandigheid dat wij geen ervaring hebben met bouwmeesters aan wie semi-dictatoriale bevoegdheden zijn toegekend. Maar het heeft ook iets te maken met een bestuurscultuur die wordt gekenmerkt door ongeduld en ongerichte veranderingswoede. Geen experiment wordt voldragen. Beleid wordt omgegooid als het niet meteen zichtbaar effect sorteert. Bestuurders hebben geen lange adem.


Laatste erectie

Dat zie je terug in de aanzetten van een rondweg die na burgerprotesten niet werd voltooid (zoals de Haarlemmer Houttuinen en de Jodenbreestraat in Amsterdam). En in onvoltooide stadsdoorbraken, die bijvoorbeeld de Wibautstraat, ook in Amsterdam, een pokdalige aanblik geven. Grote projecten die gedurende een lange reeks van jaren volgens plan worden uitgevoerd, zoals het Plan Zuid van Berlage, zijn een zeldzaamheid.


Alleen in Rotterdam plaatste de Luftwaffe de planologen voor de uitdaging een nieuwe stad op de puinhopen van de oude te bouwen. Dat bracht echter vooral verwarring teweeg, die tot op de dag van vandaag heeft aangehouden. Het wederopbouwplan van stadsarchitect W.G. Witteveen, waarvoor het stadsbestuur al op 18 mei 1940 de opdracht had gegeven, was volgens critici te weinig vernieuwend (destijds een vernietigend oordeel). Het plan van Witteveens opvolger Cornelis van Traa werd halverwege zijn uitvoering echter weer te visionair geacht. Begin jaren zeventig kondigde PvdA-wethouder Hans Mentink dan ook een 'hoogbouwstop' af. De Shell-toren aan het Hofplein zou 'de laatste erectie van het grootkapitaal' in Rotterdam zijn. Inmiddels verdwijnt de Shell-toren volledig in de schaduw van naburige kolossen. En ook hier zal wel weer een reactie op komen. De pendule slaat driftig heen en weer.


De openbare ruimte in Nederland draagt de sporen van snel wisselende inzichten, modegevoeligheid en overhaast gecorrigeerde fouten. Dat stedenbouwkundig knip- en plakwerk past bij ons. Net als overheidsgebouwen waarvan je de ingang niet kunt vinden. Je kunt je eraan storen dat grote gebaren hier zo zeldzaam zijn, dat de aspiraties van stadsplanners steeds zo hinderlijk door inspraak worden doorkruist en dat uitzonderlijke parels door miskleunen worden geflankeerd. Je kunt je eraan storen, maar het hoeft niet. Onze steden laten het nimmer eindigende gepruts aan de openbare ruimte onbarmhartig zien. Nooit wordt de indruk gewekt dat we klaar zijn. Gelukkig maar, want ook het nageslacht heeft de wijsheid niet in pacht.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden