Paradoxen van het Rode Kruis

HET BEGIN kennen we. Dat lag in Solferino, een onnozel plaatsje in de buurt van het Gardameer, dat nooit bekend zou zijn geworden als daar in 1859 niet een buitengewoon bloedige veldslag was uitgevochten tussen Oostenrijkers aan de ene kant, en een alliantie van Italianen en Fransen aan de andere....

JAN BLOKKER

De aanwezigheid van één burger op het godverlaten slagveld heeft in dit geval voor enig soelaas gezorgd. De jonge Geneefse zakenman Henri Dunant - hij schijnt te zijn rondgegaan in een smetteloos wit zomerpak, zoals zijn tijdgenote Florence Nightingale op de Krim herkenbaar was geweest aan haar olielamp - zou later in zijn Souvenir de Solferino weliswaar beeldend beschrijven hoe de aanblik van de misère hem bijna had verlamd, maar hij kwam niettemin snel en efficiënt in actie, verzamelde dokters, dragers en dorpelingen om zich heen, requireerde nabijgelegen kloosters en kerken, liet uit Brescia zoveel mogelijk medicijnen en verbandlinnen aanvoeren, en stond dagen achtereen aan het hoofd van een geïmproviseerde hulporganisatie bij de gratie waarvan een paar honderd gewonden konden worden opgekalefaterd en tientallen van een wisse dood werden gered: de geestelijke vader van wat een aantal jaren later formeel het Rode Kruis zou gaan heten.

Het menslievende begin had in zoverre meteen iets paradoxaals dat Dunant niet naar Solferino was afgereisd om eens een veldslag bij te wonen, laat staan om er na afloop gewonde soldaten te laten verplegen, maar in de hoop dat hij Napoleon III kon spreken in verband met een wat nevelig ondernemersproject in Noord-Afrika waarvoor hij geldelijke steun van de Franse keizer had willen vragen. Dat plan is nooit doorgegaan, Dunant ging vrijwel failliet en vanwege z'n slechte financiële reputatie heeft hij geen voorzitter of zelfs maar bestuurslid van de door hem bedachte en op de been geholpen organisatie mogen worden - nóg een paradox.

Wat Dunant teweegbracht en wat hem vervolgens overkwam, maken twee dingen duidelijk: filantropie hing in het midden van de vorige eeuw als het ware in de lucht, en ze was een exclusieve aangelegenheid van de haute bourgeoisie, die haar eigen codes en fatsoensnormen streng bewaakte. In Europa - en daar hebben we het voorlopig over - was ze sociaal, politiek en cultureel de dominante samenlevingsfactor, ze blaakte van zelfvertrouwen, voelde zich op alle mogelijke manieren gesterkt door de voortbrengselen van de techniek (spoorwegen, telegraaf, fotografie, fabrieksmatige productie), koesterde de Vooruitgang en kon zich de ware erfgename van de Verlichting wanen. Als de wereld nog niet volmaakt was, kon ze zonder enige twijfel volmaakt gemaakt worden, en vanuit dat luxueuze geloof konden de mannen die in 1863 het Internationaal Comité tot Hulp aan Gewonde Milltairen oprichtten, met des te achtelozer gemak de filantropie bedrijven.

Dat Genève de zetel werd van het Rode Kruis (de naam en het embleem werden in 1869 vastgesteld) had niet alleen te maken met Dunant en zijn medestander-van-het-eerste-uur, stadgenoot Gustave Moynier, maar zou ook anders voor de hand hebben gelegen: wat bood een betere waarborg voor onverdachte humaniteit dan het beschaafde, christelijke, wellevende en neutrale Zwitserland?

Vooral dat laatste opende in hoog tempo de deuren voor de boodschap van de man uit Solferino en diens hartverscheurende herinneringen aan het lijden van al die duizenden Oostenrijkse, Italiaanse en Franse soldaten. Niet alleen regeringsleiders bleken gevoelig voor de filantropische tijdgeest, met name ook gekroonde staatshoofden haastten zich met hun adhesie - en als ze niet meteen zelf hun bijval betuigden voor de Geneefse conventie en de onschendbaarheid van medisch slagveldpersoneel, was er in de familie altijd wel een aartshertog, een grootvorstin of een adellijke achternicht die graag voorzitter werd van een der nationale subcomités die in de jaren zestig als paddestoelen uit de grond verrezen.

Lees de geschiedenis van het Rode Kruis zoals tot in details geschreven door de Engelse biografe Caroline Moorehead, en je ziet een stoet voorbijtrekken van Europese deftigheid - overwegend oudere burgerheren onder het patronaat van tsaren, keizers, koningen en prinsen, en met hen samen vervuld van een schier onmetelijke mensenliefde. Hoe irenisch moest de wereld er wel niet uitzien onder die Zwitserse paraplu van zorg en rechtvaardigheid!

MAAR HIER komt de derde paradox. Het doel van het Rode Kruis was allerminst vredestichtend - zelfs in de hoogtijdagen van een eerste Europese vredesbeweging (Die Waffen nieder!) telde het Internationale Comité nauwelijks pacifisten - het doel was om zo te zeggen de fatsoenering van de oorlog. Of om met cynici te spreken die al in de negentiende eeuw van zich lieten horen: het doel was de vermenselijking van de onmenselijkheid.

Pacifisme zou volgens de strikte redenering in Genève inbreuk hebben kunnen maken op de heilige neutraliteit, want pacifisme betekende partij kiezen tegen de oorlog, en oorlog was een zaak van nationale politiek.

Zo konden de Europese regeerelites ook van harte instemmen met de nobele kruisarbeid, die verder los stond van hun behoefte om mekaar zo nu en dan de hersens in te slaan, of misschien nog wel sterker: die ervoor zorgde dat hun beschadigde soldaten weer vakkundig werden opgelapt en dat hun krijgsgevangen onderdanen met gratis pakketten in leven werden gehouden.

Maar in de paradoxen heeft nou natuurlijk ook al die jaren precies de kracht van de organisatie gelegen. Zonder neutraliteit, zonder geheime diplomatie, zonder het weren van alle publiciteit en zonder een vacuümverpakte beslotenheid zouden de al gauw duizenden en duizenden bestuurders, vertegenwoordigers, netwerkers en veldmissionarissen hun krediet, hun armslag, hun functioneringskans, dus kortweg hun betekenis verspelen.

Dat althans is wat men op het 'hoofdkwartier' door de jaren heen als richtlijn heeft verdedigd en als verontschuldiging tegenover critici heeft aangevoerd. Met vestigingen en zusterorganisaties in vrijwel alle landen op aarde is het Rode Kruis allengs uitgegroeid tot een supranationaal super-informatiecentrum. Maar met het grootste deel van de inlichtingen waarover het beschikt, kan en wil het niets doen.

Dat is de ultieme paradox. Daarmee is de president van het Internationaal Comité tot zoiets als de wereldwijde burgemeester in oorlogstijd geworden.

Ten tijde van Solferino, en gedurende de talrijke 'plaatselijke' conflicten uit de late negentiende en de vroege twintigste eeuw (Pruisen tegen Oostenrijk, Duitsland tegen Frankrijk, Serviërs tegen Turken) heeft dat probleem nog nauwelijks meegespeeld, en in ieder geval is het toen nog niet als een probleem ervaren.

Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft men nog zonder bezwaren z'n waardevrije werk kunnen verrichten vanuit de zegenrijke neutraliteit die geen onderscheid hoefde te maken tussen een nooddruftige Belg, een gewonde Duitser, een dode Italiaan en een gevangen genomen Engelsman. Het was wel een slachting, maar de slachting werd zo goed mogelijk gehumaniseerd - te land, ter zee en al een beetje in de lucht opereerde het Rode Kruis letterlijk op oorlogssterkte.

Pas op het moment dat de Solferino's een uitgesproken ideologische kleur kregen, en de diverse ideologieën in Rusland, Italië, Duitsland, Japan en Spanje op totalitaire wijze beleden en in de praktijk gebracht werden, kwam de menslievende neutraliteit - dat onfeilbare leerstuk van Genève - op gespannen voet te verkeren met wat we al dan niet met terugwerkende kracht zijn gaan onderbrengen onder het begrip mensenrechten.

Het was al een misselijk teken dat het Rode Kruis in 1934 z'n vijftiende internationale conferentie belegde in Tokio - op het moment dat Japan (dat de krijgsgevangenenclausule in de nieuwe conventie van Genève niet eens had willen ratificeren) huishield in Mantsjoerije en de aanval voorbereidde op China. Niettemin liet het voltallige hoofdbestuur zich fêteren door een welkomstcomité onder leiding van de keizerin, die werd geflankeerd door ongeveer alle prinsen en prinsessen van de half-goddelijke familie, alsmede de hoogste dignitarissen van leger en marine. Maar met hoeveel banketten, theeceremoniën, officiële boodschappen en resoluties over de menselijkheid de conferentie ook werd opgeluisterd - geen woord over de in volkenrechtelijke zin afkeurenswaardige oorlogen die de Japanners op het Aziatische vasteland waren begonnen, want het Rode Kruis ging niet over het volkenrecht.

GENEVE - best ingelichte kring ter wereld - wist in dat jaar al dat het Duitse Rode Kruis door de nazi's was 'gelijkgeschakeld', dat de eerste concentratiekampen waren geopend, dat er sterilisatieprogramma's rouleerden, dat er joden werden vervolgd, maar het bleef doen alsof de 'onder'afdeling (met anderhalf miljoen leden de grootste van Europa) nog altijd functioneerde in de geest van de Geneefse ethiek en de Geneefse neutraliteit.

En nog weer acht jaar later wist Genève, net als het Vaticaan en net als de Amerikaanse en Engelse geheime diensten, dat in Duitsland joden, zigeuners en homoseksuelen stelselmatig werden vermoord en zijn 23 leden van het (hoofd)bestuur van het Internationale Comité in vergadering bijeengekomen om te beslissen over de vraag of zij hun wetenschap openbaar moesten maken, respectievelijk een publiek appèl moesten verzenden om de moord te stoppen. En vrijwel unaniem is toen besloten dat het Rode Kruis ook onder de ernstigste omstandigheden moest kiezen voor discrete diplomatie om zijn geloofwaardigheid als neutrale organisatie niet in gevaar te brengen. Het Rode Kruis zou zwijgen, dus verzwijgen.

Het beste aan Moorehead's boek, dat gebukt gaat onder een haast verpletterende volledigheidszucht, is de ondertitel: War, Switzerland and the History of the Red Cross, want in de samenhang van die drie ligt de essentie van wat een analyse had kunnen worden.

Maar het is opsomming gebleven. Het overstelpende materiaal dat ze ijverig heeft aangedragen, is ternauwernood geschift, ze heeft er amper enige hiërarchie in aangebracht, en aan een elementaire vorm van interpretatie heeft ze zich niet willen wagen.

Heel voorzichtig zijn een paar politieke incorrectheden aangestipt: dat in de organisatie heel lang een westers, blank (en mannelijk!) superioriteitsgevoel heeft gedomineerd dat deelname van Afrikaanse en de meeste Aziatische landen afwees; dat het weldenkende, al bijna bejaarde, in christen-liberale geest opgegroeide bestuursgezelschap zich in de dagen van en na de Oktober-revolutie ten opzichte van de 'nieuwe Russen' iets minder neutraal had opgesteld dan strikt genomen voor oorbaar werd gehouden; en dat lichte sympathie met Hitler - al was het maar omdat hij net als zij de bolsjewieken vreesde - niet helemaal ongewoon was in de discussiekring.

Maar veel verder is Moorehead niet gekomen, wat misschien ook wel typerend is voor het onderwerp: tegen 130 jaar welbewuste geheimzinnigheid is één boek niet opgewassen.

Jan Blokker

Caroline Moorehead: Dunant's Dream - War, Switzerland and the History of the Red Cross.

HarperCollins, import Nilsson & Lamm; 780 pagina's; * 99,45.

ISBN 0 00 255141 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden