Papieren successen onder een papieren maan

Citroen. Grote kans dat ik het woord alleen maar hoef op te schrijven of uw kaken verkrampen. Nog een keer – ‘citroen!’ – en uw gezicht krijgt, tot ontzetting van degene die nu tegenover u de krant zit te lezen, trekken van Franz Xaver Messerschmidt, de grimassende kunstenaar die leed...

Sommige woorden hebben dat effect. En een goed retoricus weet daar gebruik van te maken. Die kiest woorden met een directe lijn naar de werkelijkheid. Geen woorden als welvaartsmeting of overhevelingstoeslag, maar woorden als ‘koe’ en ‘hitte’ en ‘oorlog’, die je kunt uitspugen als pompoenpitten en die dan uitgroeien tot een lampion, waar je alleen maar een kaarsje in hoeft te doen en je hebt een lampje voor Allerheiligen.

Toch heeft ook het woord ‘overhevelingstoeslag’ zijn effecten. Die zijn misschien niet meteen lichamelijk, we voelen het woord niet in de verdieping van onze doorbloeding, maar de term kan wel iets veranderen in de sociale werkelijkheid. Zoals ook het woord ‘eigendom’ veel van ons leven bepaalt, terwijl het toch eigenlijk nergens naar verwijst.

Tot zover niets aan de hand. Het wordt pas zorgelijk als de taal zo ver komt af te staan van de wereld dat er niets meer gebeurt. Geen sensaties en geen sociale gevolgen. Wie wel eens een tekstbord leest in een museum voor moderne kunst, of een middag doorbrengt bij een academisch symposium over niets, kent het probleem.

Op zich is deze wolk van taal die boven het land hangt nog onschuldig genoeg; gevaarlijk wordt het wanneer je eigenlijk verwacht dat er iets gebeurt – en dan gebeurt er niets. Je hoopt op een uitspraak die iets teweeg brengt, wat je hoort is een doffe gons. Zo kwam ik juist op mijn werktafel weer de uitleg tegen die een Duitse universiteit gaf over de nieuwe studierichting Diversity Studies die met veel tamtam was ingesteld. Diversity Studies: dat klonk belangrijk in een tijd van onzekere identiteiten, en de geïnteresseerde leek wou wel eens weten wat dat behelsde.

Diversity? vroeg de decaan. ‘Diversity kan – vanuit mijn optiek op de transcendentaalpragmatiek – worden begrepen als plurale en beslissingsontvankelijke vertooggemeenschap, waarin het individu zich tegelijkertijd definieert en dialectisch-reflexief voltrekt, niet alleen als dialoogsubject, gedefinieerd als het tezamen-tegenover met andere personale intersubjecten, maar ook als autonomiesubject, gedefinieerd als het zichzelf als subject van handelen, willen, voelen, denken kennende personale subject.’ En dat was dan nog maar de helft van zijn verklaring.

Je kunt je hier vrolijk over maken; en je kunt betreuren dat er belastinggeld wordt uitgegeven aan zulke decanen. Maar het is erger dan dat. Nu steeds meer mensen hoog worden opgeleid, lopen er steeds meer werknemers rond die afscheid hebben genomen van de werkelijkheid, die niet meer weten waarnaar woorden als ‘koe’ en ‘overheveling’ en ‘diversiteit’ verwijzen, omdat ze aan het echte leven al lang zijn ontstegen. Steeds meer werknemers leven op papier.

Met hoog opgeleid bedoel ik overigens niet dat alleen de universiteiten opleiden tot zulke voortreffelijkheid. Een havo-diploma heeft al gauw hetzelfde effect. Administraties, bureaucratieën en managementlagen worden bevolkt door papieren mensen die papieren beslissingen nemen over papieren gevallen en die ’s avonds hun papieren successen vieren onder een papieren maan.

Een mooi voorbeeld, deze week, was de zaak van de inburgerende Amerikaan. Al twintig jaar in Nederland, met volop werk, een eigen huis en serieuze kennis van het Nederlands, werd hij door de inburgeringsambtenaar niettemin verplicht tot inburgeren. Waarom geen vrijstelling? Omdat hij op de papieren vragen de verkeerde antwoorden gaf. Op de vraag hoe je in Nederland naar werk kunt zoeken, kwam hij met een moderne aanpak, zoals het zoeken via Monsterboard. Volgens de formulieren die de ambtenaar op zijn bureau had liggen, was dat fout: werk zoek je via het CWI. De Amerikaan kon nog zo vernederlandst zijn – de papieren dachten er anders over. En de ambtenaar dus ook.

Rond 1900 schreef de Duitse dichter Christian Morgenstern een gedicht over een zekere Palmström, een van zijn favoriete personages. Het gedicht heet Die unmögliche Tatsache, en gaat inderdaad over een feit dat zich niet kan hebben voorgedaan. Al lijkt het aanvankelijk alsof dat wel zo is, want Palmström krijgt een heel echt ongeluk: hij wordt overreden door een auto.

Nieuwsgierig vraagt Palmström zich af hoe dat heeft kunnen gebeuren. Ligt het aan het beleid, of zijn het de politievoorschriften geweest die de auto het recht hebben gegeven daar te rijden? Of was het juist verboden om mensen dood te rijden en was de chauffeur dus in overtreding? Palmström pakt er het wetboek bij.

In doeken ingezwachteld – hij was tenslotte bijna dood –verdiept hij zich in de papieren werkelijkheid, die zo ver verheven is boven de gewone werkelijkheid. ‘Eingehüllt in feuchte Tücher, / prüft er die Gesetzesbücher / und ist alsobald im klaren: / Wagen durften dort nicht fahren!’ Dat is genoeg voor Palmstöm om tot een slotconclusie te komen.

Als daar geen auto mocht rijden, denkt Palmström, dan reed er dus ook geen auto, en kan de hele gebeurtenis niet anders zijn geweest dan een droom. ‘Und er kommt zu dem Ergebnis: / ‘Nur ein Traum war das Erlebnis. / Weil’, so schließt er messerscharf, / ‘nicht sein kann, was nicht sein darf!’

Wat niet mag, is dus ook niet zo: in Duitsland, waar het leven niet heel anders is dan hier, is deze Palmströmiaanse conclusie behoorlijk ingeburgerd. Een papieren oplossing voor een reëel probleem: je zou de woorden kunnen borduren en inlijsten en ophangen op alle kantoren waar mensen werken die hebben doorgeleerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden