'Papa did me wrong'

OP 16 FEBRUARI 1945 stond Lester Young (35) terecht voor de Amerikaanse krijgsraad. De voormalige stersaxofonist van de Count Basie-band was vier maanden eerder opgeroepen voor oorlogsdienst en na een paar weken rekrutentraining in Californië overgeplaatst naar Fort McClellan, Alabama, in het hart van het racistische zuiden....

Begin januari was duidelijk geworden dat het nooit iets zou worden tussen de zachtmoedige zwarte saxofonist en het leger. Lester Young werd geclassificeerd als 'very unsuited for the military' en belandde drie weken in het hospitaal. Een legerpsychiater stelde als diagnose: 'psychopathische constitutie, blijkens drugsverslaving (marihuana, barbituraten), chronisch alcoholisme en zwerversgedrag'. Prompt werd inderdaad een gram of dertig marihuana en een even grote hoeveelheid peppillen in zijn bezittingen gevonden, en daarmee was het bewijsmateriaal rond voor een vervolging op grond van 'the 96th Article of War'.

Tijdens zijn verhoor voor de krijgsraad draaide Lester Young nergens omheen. Hij rookte al tien jaar marihuana omdat hij anders tot niets kwam: 'I don't care to blow my horn and I don't care to be around anybody.' Zoals al zijn collega's in de Basie-band gebruikte hij peppillen omdat ze meestal one-nighters moesten afwerken. 'Dan bleef ik 's nachts op, speelde de volgende dansavond en vertrok weer, en dat was de enige manier waarop ik het kon volhouden.' Hij voegde eraan toe dat hij dit allemaal vóór zijn rekrutering aan de autoriteiten had verteld en dat hij met zijn drugsgebruik 'nooit iemand had kwaad gedaan'.

De krijgsraad wees nog diezelfde dag vonnis. Lester Young kreeg oneervol ontslag , maar die maatregel werd opgeschort tot hij zijn straf van een jaar gevangenschap en 'hard labor' zou hebben voltooid. Hij zat tot december 1945 vast en wilde daarover achteraf niet meer kwijt dan dat het een 'pure hel' was geweest, door het onrecht waarmee zwarten werden bejegend en het 'kastensysteem' van het Amerikaanse zuiden. Het eerste stuk dat hij na zijn vrijlating opnam, op 20 december 1945, was zijn eigen compositie D.B. Blues. D.B. stond voor Detention Barracks.

Waarom liet Lester Young zich zo gemakkelijk slachtofferen? Het was de argeloosheid van een ziel te zuiver voor deze wereld, luidt de verklaring doorgaans. In de nieuwe biografie Lester Leaps In - The Life and Times of Lester 'Pres' Young sluit Douglas Henry Daniels die mogelijkheid niet uit, maar hij schetst ook een verrassende andere variant. Misschien wist de saxofonist een week voor het eind van zijn opleiding tot soldaat wel precies wat hij deed, in de gewettigde verwachting dat hij anders begin 1945 als vervangend infanterist naar het front in Europa of de Pacific zou worden gestuurd, met de gerede kans dat hij dat avontuur niet zou overleven. In dat geval was Lester Young dus crazy like a fox.

In het standaardverhaal over zijn loopbaan vormt het legertrauma het dramatische breekpunt. Voordien was hij de originele saxofonist die even lichtvoetig als vitaal door de muziek danste, het geniale voorbeeld van alle blanke tenoristen uit de moderne jazz. Na 1945 resteerde een deerniswekkend wrak, een muzikant die tot zijn dood in 1959 als een trieste schim van zichzelf door de jazz strompelde.

Er zijn in de jazzgeschiedschrijving al eerder revisionisten geweest die vaststelden dat dit beeld te simpel is. Lester Youngs platen van voor 1944 halen lang niet allemaal het glorieuze niveau van zijn beste werk met Count Basie en Billie Holiday. En na 1945 heeft hij nog weergaloos mooie opnamen gemaakt, zoals These Foolish Things (van dezelfde sessie als D.B. Blues) en de vertolkingen met de pianisten Nat 'King' Cole en Joe Albany uit 1946.

Douglas Henry Daniels moet ook niets hebben van het leerstuk van Lester Youngs ononderbroken muzikale neergang als gevolg van het militaire racisme. Het probleem is alleen dat de biograaf er twee nogal aanvechtbare redeneringen tegenover stelt. Ten eerste citeert hij al in het inleidende hoofdstuk drummer Connie Kay, die 'aantijgingen' dat Lester Young wel eens een avond slecht zou hebben gespeeld, van de hand wees met het argument dat een 'kunstenaar', anders dan een 'imitator', altijd experimenteert - en hoe kun je een experiment ooit negatief beoordelen? 'Ik ben in de gedrukte jazzliteratuur zelden zo'n goed doordachte opmerking tegengekomen', voegt Daniels aan dit sofisme toe.

Zijn tweede verweer vloeit voort uit een fundamenteler stellingname, die tevens het fundamentele bezwaar van dit boek vormt. Daniels is, als hoogleraar geschiedenis en 'black studies' aan de Universiteit van Californië in Santa Barbara, een gelovig aanhanger van het zwarte cultureel-nationalisme. Dat houdt niet alleen in dat hij consequent 'Black' en 'white' schrijft (een blanke auteur zou het in het Amerika van 2002 eens moeten wagen om 'black' en 'White' te schrijven), maar ook dat hij het racisme hanteert als een onveranderlijk, alomtegenwoordig en allesverklarend verschijnsel. Zo ook in het geval van Lester Young: hoezo leed de saxofonist onder het racisme in het leger, was het racisme in de rest van de samenleving dan minder?

Daniels heeft zich, meer dan vorige biografen, met grote ijver verdiept in Youngs familiegeschiedenis, maar zijn ideologische parti pris ontneemt hem het zicht op de betekenis van de feiten . Vader Willis Young was volgens een van zijn kleinkinderen 'absoluut de grootste autocraat aller tijden'. Hij had zijn echtgenote Lizetta en hun kinderen Lester, Irma en Lee al vroeg verlaten om als muzikant rond te trekken. In 1919 trouwde hij een andere vrouw en in datzelfde jaar haalde hij zijn drie kinderen weg bij Lizetta. Ik wist niet eens dat ik een vader had, vertelde Lester veertig jaar later, 'then my father came, and he takin' us away from the family, and all. . .'

Hij was toen amper tien, en de volgende tien jaar zou hij als lid van de familieband onder het juk van zijn vader zuchten. Hij werd geslagen, liep minstens tien keer weg, keerde steeds weer terug, maar hield wel vol: 'Papa did me wrong.' De vraag dringt zich op: is de prille Lester Young met zijn zachtaardige inslag niet meer beschadigd door zijn vader dan door het racisme? En zou dat niet zijn latere geslotenheid kunnen verklaren? Douglas Henry Daniels stelt de vraag niet eens.

Voor een andere mogelijke oorzaak van de onmiskenbare teruggang in muzikale kwaliteit van zijn oeuvre na 1940 moeten we andere bronnen dan Lester Leaps In raadplegen. In een artikel uit 1990 (opgenomen in Lewis Porters bundel A Lester Young Reader uit 1991) onthult de Deen Frank Büchmann-Møller dat bij Youngs militaire keuring in 1944 werd vastgesteld dat hij al zeven jaar aan syfilis leed. Hij weigerde zich daarvoor te laten behandelen, ook niet met het zojuist ontwikkelde geneesmiddel penicilline. De rest van zijn leven bleef de ziekte hem kwellen, en Büchmann-Møller maakt aannemelijk dat de verschijnselen die de latere Lester Young kenmerkten (onvermogen tot snelle bewegingen en reflexen, onzekere gang, slapeloosheid, depressies) daarmee samenhingen.

Douglas Henry Daniels achtte het kennelijk niet cultureel correct om zulke feiten onder ogen te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden