Panamericana, tussen zand en zee

De Panamericana voert van Alaska tot zuid-Chili. Het is de ruggengraat van het westelijk halfrond. Het Peruaanse stuk is drieduizend kilometer lang en in opmerkelijk goede conditie....

We zijn ingesloten. Bumper aan bumper staan we op de Panamericana Norte. Afritten zijn er niet. Er is slechts een zee van blik waar wij middenin zitten. Na tien minuten happen we zure uitlaatgassen en beginnen de slapen te bonken. Want behalve toeters zijn er ook sirenes die janken als krolse katers. Ze komen van de Toyotabusjes naast en achter ons. We winden ons op. De nakomelingen van inca's die in de busjes zitten niet. Ze werpen lijdzame blikken door een vet busraampje. Alsof het leven een groot wachten is tot God de stekker eruit trekt. Panamericana. Het klinkt als een road-movie met uitbundig groen, Nescafé-meisjes, sigaren en swingende salsa. Maar reizen ontnuchtert. We zitten niet in een subtropische avonturenroman. Dit is Apocalyps Now: de hel van de have-nots van miljoenenstad Lima. De gordel van ellende uit de Wereldbankrapporten. Honderdduizenden hutten die net zo grijs zijn als de stoffige helling waarop ze staan en nergens een grassprietje groen.

Willen we biscuitjes, tissues of een loep? Nee, we wensen niets uit het wandelend warenhuis dat zich langs het autoraam wringt. Maar we willen best wat geven aan de arme sloeber die net is gaan liggen op onze motorkap en enkele schijnbewegingen uitvoert met een lap poetskatoen op de voorruit. We draaien het raampje open voor onze financiële bijdrage aan een moeizaam bestaan. En nu graait er opeens een hand – zi ¿ jn hand – in onze portemonnee. En jee, er verschijnt ook een hoofd door de raamgleuf. 'Geef hier', sist dat hoofd. 'Ik wil al het geld.'

Oef, beginnersfout. Nooit een open raam op onbekend, dubieus terrein. Razendsnel doneren wij onze bijdrage – belofte maakt nu eenmaal schuld bij Nederlanders – en draaien ferm het ruitje dicht. Au. Jammer, van die hand.

Maar wat nu? De ruitenpoetser blijkt uitgerust met een ijzeren bal, formaat navelsinaasappel. Pats. Daarmee begint hij op het raam van de gehuurde Nissan Sentra te beuken. Pats. In de Toyotabusjes vertrekt geen van de passagiers een spier. Pats. Het wandelende warenhuis is opeens ook nergens te bekennen. Binnen zetten wij ons schrap voor glassplinters en oorlog. Tassen tussen de benen en rug recht. Totdat er iets anders is dat onze belager afleidt en hij wegloopt.

'Betaal uw tolgeld. Voorkom arrestatie', bezweert het bord bij het tolstation en we vragen ons af we ooit in Zuid-Amerika zulke dreigende taal bij een slagboom hebben gezien. We betalen, juichend bijna en met wijd open raam.

Want we bevinden ons op km 47; de hel van Lima is lichtjaren weg, de zon spat op de voorruit en de Nissan Sentra heeft er zin in. Voor ons ligt een asfaltstreep in een reusachtige leeg landschap van zandduinen. De Panamericana als minimalistisch kunstwerk.

We zijn de enigen in dit magisch niemandsland en vergapen ons aan al het zand dat in wisselende kleurstellingen voorbij schuift. Er zijn glimmend blauwe, rose, oranje en groengrijze zandbergen en soms hangt er een frivole mistsliert voor.

De zee is altijd dichtbij. Soms als een donker gat in de diepte wanneer de weg langs een klif voert. En op de platte stukken als een branding met schuimkoppen op een strand dat vaak net zo leeg is als de woestijn die eraan vast zit.

De Panamericana, ook wel de Panamerican Highway genoemd, voert van Alaska tot zuid-Chili. Het is de ruggengraat van het westelijk halfrond. Het Peruaanse stuk is drieduizend kilometer lang en in opmerkelijk goede conditie aangezien het tien jaar geleden is verbreed en opnieuw geasfalteerd. Veel Zuid-Amerikanen kennen hun land slechts als de landschappen die zij zien vanuit een bus over de Panamericana. De route is de belangrijkste verbinding in alle landen waar zij doorheen komt.

Het plan voor een transcontinentale verbinding werd geboren tijdens het Panamerican Highway-congres in 1925 in Argentinië, waar de weg niet doorheen loopt. Na de Eerste Wereldoorlog was handel met en invloed van de Verenigde Staten in Zuid-Amerika sterk toegenomen. De weg moest de continenten letterlijk en figuurlijk aan elkaar binden.

Soms staat er in de leegte een eenzaam mattenhutje. Zoals dat van Janet Burga, moeder van een peuter, die met haar man en neef naar de woestijn verhuisde toen zelfs de gordel van ellende in Lima voor hen niet meer te betalen viel. Nu leven ze zonder water en zonder stroom in het hete zand. Ze verzamelen wat van vrachtwagens is afgevallen en bieden zich aan als auto-oppasser bij chauffeurs die een dutje willen doen. En op twee uur lopen is de zee. 'Vol vis', zegt Janet opgewekt.

De woestijn heeft zijn fata morgana's. Het zijn metershoge uitgezaagde reclameborden langs de kant van de weg. De reusachtige halfblote vrouw die in bikini onder een parasol bier aanprijst, lijkt een boodschapper van een andere planeet. Consumeren? Wat is dat? In dit maanlandschap zijn de keuzes beperkt tot zand en stenen of stenen en zand.

Stenen fungeren ook als routepaaltjes. Duizenden zijn hier ooit door een menselijke hand neergelegd en liggen nu als een lange ketting naast het asfalt. Soms ligt er niet één, maar een stapeltje stenen. Dan naderen we een afslag. En een heleboel stapeltjes stenen is een kerkhof. Meestal zijn er dan tevens verroeste conservenblikjes met bloemen en plankjes met namen erop. Na een kerkhof komt bijna altijd een oase.

Dat is iedere keer een ervaring. Plotseling gaan we een onzichtbare grens over. Binnen een tel verandert het stille maanlandschap in een bruisende wereld met suikerrietvelden, toeterende taxi's en Toyotabusjes, families in gemotoriseerde riksja's die hier triciclo's heten, karretjes die warme maïs of broodringen verkopen en processies met heiligenbeelden. En voor je er erg in hebt, rijd je weer over de onzichtbare lijn en ben je terug in de geluidloze zandvlakte.

De oases zijn rivierdalen die de woestijn doorkruisen. In totaal zijn het er zo'n vijftig. Daar concentreerde zich ook in vroege tijden de bevolking, lang voor de inca's. In de kuststrook zijn tempelcomplexen gevonden die van 2500 jaar vóór Christus zijn ofwel stammen uit bijna dezelfde periode als de piramides van Egypte.

Dat Peru slechts de inca's had, is een misverstand dat eeuwen heeft bestaan. De kroniekschrijvers die met de Spaanse veroveraars meekwamen, konden zich niet voorstellen dat de beschaving van de Nieuwe Wereld net zo oud was als die van hen. Zij waren gefascineerd door de inca's, die weliswaar een groot en machtig rijk hadden opgebouwd, maar zich pas zestig jaar tevoren in het droge kustgebied hadden gewaagd. Een eeuw geleden, toen archeologen daar gingen graven, werd duidelijk dat de woestijn al heel lang bewoond is geweest door andere, hoogontwikkelde indianenculturen die vermoedelijk tenonder gingen vanwege droogte en hongersnood of overstromingen. Want ook vroeger kende men het weerfenomeen El Niño.

Het waren indianen die met rieten bootjes vis vingen op de oceaan en katoen, kalebassen, paprika's, bonen en later ook maïs teelden. Ze irrigeerden het droge land door aquaducten te bouwen en rivieren af te tappen. De inca's hadden het druk met veroveren en dat is aan hun eenvoudige potten af te zien. Nee, dan de Mocheindianen die in de woestijn piramides met meer dan honderd miljoen bakstenen voor de zon en de maan bouwden en de wereld fascinerend aardewerk achterlieten: vazen en potjes in de vorm van gezichten, verstrengelde beesten, taferelen uit het dagelijks leven of een tempelcomplex met alles erop en erin.

De vorsten van de Moche leefden in pracht en praal en hingen zichzelf vol met ingenieuze gouden sieraden: haartooien, oorringen, neussieraden, borst-en heupplaten en beenstukken. Eind jaren tachtig werd bij Chiclayo (km 773 van de Panamericana Norte) een graf van zo'n vorst gevonden. Deze Heer van Sipán wordt inmiddels beschouwd als de Peruaanse Toetanchamon en het gereconstrueerde graf met schatten is sinds kort te zien in een eigen museum (Lambayeque, km 781). Of neem de Chim-indianen die kwamen opzetten toen het de Moche slecht ging. De Chim-vorsten bouwden een lemen hoofdstad die meer dan twintig vierkante kilometer besloeg en tien paleizen had.

In het droge woestijnzand liggen veel geheimen begraven. Om de paar jaar worden nieuwe ontdekkingen gedaan en theses bijgesteld. Bij Casma (km 374) bezoeken we een gigantisch stenen tempelcomplex dat meer dan 3500 jaar geleden overdekt is geraakt, vermoedelijk door een modderlawine. In de stenen muren zijn krijgers en onthoofde krijgsgevangenen uitgehouwen. Niemand weet verder iets van het bloeddorstige indianenvolk dat het complex heeft gebouwd.

We besluiten Chimbote waar Peru's president Toledo zijn werkend leven als schoenpoetsertje begon, te laten voor wat het is. Het stinkt er naar vismeel. In plaats daarvan koersen wij aan op Trujillo, pleisterplaats van de Spaanse veroveraars op hun route Lima-Quito en hoofdstad van zowel het rijk van de Moche als de Chim.

In het koloniale stadshart perst het verkeer zich toeterend door de nauwe straten. Aan de gevels hangen ijzeren lantaarns die een sprookjesachtig geel licht verspreiden. Er zijn veel kunstige smeedijzeren hekjes voor de ramen, houten balkons en herenhuizen waar de binnenplaatsen belegd zijn met eeuwenoude kiezels. We zien winkels zo groot als een loket waar bij het licht van een peertje tachtig handelingen worden verricht: van foto's afdrukken tot snoep verkopen, totoformulieren invullen en horloges in onderpand nemen.

Overal op het trottoir zitten bijna onzichtbare hoopjes mens die snoep, sigaretten, schoongemaakt fruit in plastic zakjes, witte of rode bonen verkopen. De bonen worden aangereikt op stukjes papier niet groter dan een velletje uit een zakagenda. Soms heeft zo'n hoopje mens een hoge witte hoed op, traditionele dracht van de indianen uit de bergen.

We boeken een kamer in het hotel aan het grote plein. De volgende ochtend klinken door het open raam sirenes en een fanfare. Het plein is overgenomen door honderden vrolijke demonstranten. Ze dragen teksten mee als 'Club van Moeders voor een schone en veilige stad' en 'Wij, bankemployés, zijn een in de schoonste stad'. De hotelreceptie brengt uitkomst. Het is de Dia del Desafio, de dag van de uitdaging.

Geen van de demonstranten kan vertellen wat de uitdaging in kwestie is. Maar het is een internationaal gebeuren, Trujillo heeft reeds driemaal gewonnen en je hoeft niet naar je werk. Volgens onze reisgids is Trujillo fel patriottisch en zijn de mensen buitengewoon vriendelijk. Dat kunnen wij slechts beamen. We maken voortdurend nieuwe vrienden. Zo belanden wij op een middag in het huis van de eigenaresse van de boekhandel op het plein om eeuwenoude maïs-en aardappelgerechten te proeven. En voor de koolhydratenbult verteerd is, zijn we reeds met haar onderweg naar Pedro Azabache, een 83-jarige schilder met indiaans bloed, die ver weg in de velden woont en buiten onder de boom zijn schildersezel heeft staan. Tussen het schilderen door bewerkt hij zijn landje. Volgens onze nieuwe vriendin is Pedro de laatst overgebleven Moche-schilder.

En dan is er de indiaanse Victor die pas ontdekte dat hij afstammeling van de Chim-adel was toen hij archeologie ging studeren. Met Victor bezoeken we Chan Chan, de befaamde lemen hoofdstad van de Chim. En, ontdekken we, ook de plek waar in de jaren dertig de revolutionairen van de Apra vanuit Trujillo naartoe werden gebracht om geëxecuteerd te worden. We dwalen door het stille labyrint van dikke aarden wallen met wiebertjesmotief, binnenplaatsen en waterbronnen.

'Wij zijn afstammelingen van een grootse cultuur, maar de meeste mensen hier realiseren zich dat niet', zegt Victor. Hij heeft zich nu tot doel gesteld in een boek vast te leggen welke woorden en gebruiken van de Chim zijn overgebleven in Trujillo en omstreken. Zijn vader, een visser die nog altijd met de rieten boot de oceaan opgaat, is zijn belangrijkste tipgever.

Op de dag dat we vertrekken uit Trujillo, marcheert er weer een fanfare over het plein. Nu is het de Dag van de Bloeddonatie. We rijden in twee dagen terug naar Lima. De file terug is een eitje, maar voor de zekerheid houden we de autoramen potdicht. ' s Avonds dineren we op een terras dat uitkijkt op een verlichte piramide. Zeven miljoen lemen stenen, maar nu tussen de flatgebouwen. Het Forum Romanum is er niets bij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.