Pan-Afrikaanse melange

Orchestra Baobab is na vijftien jaar weer bijeen, met de originaliteit nog intact en de koppen jong. De unieke interpretatie van de Latijns-Amerikaanse romantiek maakte het een van de meest gevierde West-Afrikaanse bands....

'Met veel ingrediënten krijg je een lekkere saus.' De ochtend nadat ze met hun romige en toch pittige muziek de Botanique in Brussel hebben verleid, legt Barthélemy Attisso het graag nog eens uit. De hoffelijke, gedistingeerde sologitarist en het meesterbrein achter Orchestra Baobab vertelt hoe de Senegalese groep opkwam, uiteenviel en na vijftien jaar stilte terugkeerde met een prachtige nieuwe cd en internationale tournees, waarin de zwoele, unieke melange van talloze ingrediënten opnieuw wordt geserveerd.

Het is 1970 als in Dakar de chique Club Baobab wordt geopend, op initiatief van een aantal ministers die er gasten willen ontvangen. De muziek moet een gevarieerde clientèle aanspreken, dus worden er muzikanten geronseld uit de Star Band, een soort levende jukebox uit een concurrerende club. Onder hen Attisso, zanger-timbalero Balla Sidibé, en zanger Rudy Gomis. In Club Baobab, waar de groep meteen maar naar wordt genoemd, leren ze werkelijk alles spelen.

Cubaanse en Latijns-Amerikaanse muziek was toen erg populair in Senegal, aldus Attisso. 'Zelf was ik opgegroeid met de son van het Sexteto Habanero. De clubeigenaar importeerde voortdurend singles met de nieuwste salsa, soul en wat niet al. Die moesten we in een paar uur leren reproduceren.

'We speelden ook marsen, tango's, paso dobles, alles wat de mensen wilden horen. Onze percussionist destijds kon zingen als James Brown, dus deden we er ook zang bij. Er was een discotheek in de tent, maar na een tijdje kon je buiten niet meer horen of je nu ons hoorde of een plaat.'

Nadat Senegal in 1960 onafhankelijk was geworden, kwam het evenwel tot hernieuwde waardering voor het eigen erfgoed. Gaandeweg werden er steeds meer Afrikaanse elementen in het mengsel opgenomen. Veel klanten van de club hielden van traditionele muziek, daarom werd Laye Mboup aangetrokken, die in het Wolof authentieke gezangen bracht van de griots - troubadours die historische verhalen overleveren.

'We bloeiden op', zegt Attisso. 'Wolof heeft zijn eigen rijke melodie en ritme, en toen we de teksten combineerden met Cubaanse liedjes, gingen die steeds Senegaleser klinken. De overgang verliep natuurlijk, want uiteraard kwamen die Latino-ritmes oorspronkelijk uit Afrika.

De Afrikaanse invloeden waren divers. 'Mboup had net als veel griots zo'n hoge, snijdende stem, en een intense manier van zingen die afgeleid was van de muezzins, de islamitische voorzangers die veel Arabische ornamenten in de zanglijnen verwerken. Balla Sidibé kwam uit het zuiden en zong in het Mandinka, met een directere, blues-achtige stijl en een sonore bariton. Rudy Gomis was geboren in Guinée en bracht een croonende, fluwelige tenor in.'

Dat harmonieerde zo mooi dat het tot op de dag van vandaag de zang van Orchestra Baobab bepaalt. Laye Mboup overleed in 1974, en werd vervangen door een andere griot, Ndiouga Dieng, die tegenwoordig wordt bijgestaan door de benjamin van de groep, Assane Mboup, 'onze zoon' zoals Attisso hem waarderend noemt, om de veeleisende falsetpartijen te zingen.

Barthélemy Attisso ten slotte, afkomstig uit Togo, vervolmaakte de Pan-Afrikaanse versie van de Latijns-Amerikaanse romantiek met een individuele aanpak op de elektrische gitaar. In tegenstelling tot veel collega's op het continent baseerde hij zijn stijl nauwelijks op traditionele instrumenten als de kora, maar luisterde hij vooral naar Wes Montgomery, B.B. King en Carlos Santana. In plaats van percussieve patronen te tokkelen laat hij zijn Gibson praten en zingen met lange, galmende uithalen, soms bijgekleurd met een wah-wahpedaal. 'Ik ontdekte al vrij vroeg dat je veel meer kon zeggen in onze muzikale taal als je akkoorden en fraseringen uit jazz, blues en soul gebruikte.'

Dankzij hun onweerstaanbare en geoliede groepsgeluid werd Orchestra Baobab een van de meest gevierde West-Afrikaanse bands, tot er in de loop van de jaren tachtig de klad in kwam. Vaak wordt dit geweten aan de opkomst van de mbalax, waarmee met name Youssou N'Dour de jongerenmarkt veroverde, de snellere dansmuziek die wordt gedomineerd door felle, zwiepende ritmes van de sabar-trommels.

Attisso wil dat wat relativeren. 'Eigenlijk waren wij de eersten die mbalax speelden. Maar we deden het met wat meer subtiliteit. We lieten de sabar bespelen door Doudou Ndiaye Rose, een groot en beroemd muzikant, maar we zeiden van tevoren tegen hem: Doucement, avec sobriété.'

'We hadden gewoon de middelen niet om internationaal door te breken, het geld voor promotie en publiciteit. Dat kreeg N'Dour wel, daarom bleven wij achter. Talent en vaardigheid zijn niet genoeg, je moet ook geluk hebben.'

In 1987 ging het orkest na een lange doodsstrijd uit elkaar, Attisso keerde terug naar Togo en nam zijn advocatenpraktijk weer op, ieder ging zijns weegs. Tot in 2001 Nick Gold, baas van het World Circuit-label dat ook de Buena Vista Social Club weer voor het voetlicht sleepte, een van de laatste studiosessies van de groep opnieuw uitbracht.

Pirates Choice werd een hit, Gold benaderde Sidibé voor een vervolg, en die ging met een grote zak munten naar de telefooncel om met Togo te bellen. Na vijftien jaar kwamen de meeste oorspronkelijke leden weer bij elkaar, 'met onze originaliteit intact', aldus Attisso, 'en nog jonge gezichten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden