Paccar probeert opnieuw Europa binnen te komen

Met DAF haalt Charles M. Pigott, kleinzoon van Paccar-oprichter William Pigott, het vierde truckmerk in huis. Eerder nam het concern de producenten Kenworth, Peterbilt en Foden over....

Van onze verslaggevers

AMSTERDAM

Het Amerikaanse vrachtwagenconcern Paccar, dat nog voor 40 procent in handen is van de zeer uitgebreide familie Pigott, produceerde vorig jaar meer dan 54 duizend trucks. Het staat daarmee op de vierde plaats op de ranglijst van 's werelds grootste fabrikanten van zware vrachtwagens. Paccar behaalde vorig jaar een omzet van 4,6 miljard dollar (ruim 7,8 miljard gulden) en een winst van 253 miljoen dollar (430 miljoen gulden). De afgelopen dertig jaar heeft het concern altijd winst geboekt.

Bij Paccar werken 14 duizend mensen. Het concern heeft vier vrachtwagenfabrieken in de VS en fabrieken in Australië, Mexico en Groot-Brittannië. De aandelen zijn genoteerd op de elektronische beurs Nasdaq. Behalve de familie Pigott is ook Bankamerica grootaaandeelhouder met een belang van ruim 10 procent.

Paccar is met de merken Kenworth en Peterbilt actief in de VS, waar het een marktaandeel heeft van ruim 20 procent. In 1980 nam het concern het Britse vrachtwagenmerk Foden over, in een eerste poging voet aan de grond te krijgen in Europa. Sindsdien is de expansie in Europa gestagneerd. Tijdens de doodsstrijd van het oude DAF, eind 1992 en begin 1993, heeft Paccar zich nadrukkelijk als belangstellende doen kennen. Paccar had belangstelling voor Leyland-DAF, het Britse productiebedrijf. Leyland-DAF is uiteindelijk als zelfstandige producent voortgezet.

Anders dan DAF maakt Paccar geen eigen motoren, assen en cabines, maar maakt het op grote schaal gebruik van toeleveranciers. Zo worden de motoren voor Paccar-vrachtwagens gemaakt door Cummins en Caterpillar. Cummins levert aan DAF alleen zeer gespecialiseerde motoren. Sinds enkele jaren kunnen afnemers van Paccar hun eigen vrachtwagen helemaal zelf samenstellen.

Paccar werd in 1905 opgericht door William Pigott sr. Zijn Seattle Car and Manufacturing Company kwam voort uit een ijzergieterij en een fabriek voor bosbouwmachines. In 1945 nam Paccar concurrent Kenworth over, en in 1958 volgde Peterbilt.

Toen de Amerikaanse vrachtwagenindustrie in het begin van de jaren tachtig instortte, begon Paccar zijn activiteiten te spreiden. In 1987 werd Trico Industries overgenomen, een producent van pompen voor de oliesector. Vijf jaar later nam het bedrijf een belang van 21 procent in de Wood Group, die eveneens in de oliesector actief is. In 1993 sloot Paccar een joint venture met Caterpillar en de Russische autoproducent ZiL, om vrachtwagens te bouwen in Rusland.

Over de eerste helft van 1996 zag de onderneming winst en omzet flink dalen. Er kwam een nettowinst uit de bus van 87 miljoen dollar tegen 119 miljoen dollar in de eerste helft van vorig jaar. De omzet daalde van 2,3 naar 2,1 miljard dollar.

Eerder besloot de onderneming zijn vestiging in het Canadese Ste-Therese te sluiten wegens overproductie. Dat leidde tot felle protesten van de ruim 900 werknemers. Zij hielden de fabriek vanaf augustus 1995 liefst acht maanden achtereen bezet. De fabriek ging dit voorjaar dicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden