Overzicht van een alleskunner

Piet Zwart (1885-1977)..

Jan Pieter Ekker

DEN HAAG Het pièce de résistance van de Piet Zwart-expositie in het Haags Gemeentemuseum is gewoon te koop. Niet in de museumwinkel, maar bij een meubelboer. De replica van het ontwerp uit 1937, een ‘nostalgische en zeer functionele keuken’ met de originele door Piet Zwart bedachte handdoekhanger, een houten wandrek, grutterswarenbakjes en stenen spoelbak, is opgenomen in de ‘ClassicLine’ van Bruynzeel. Leverbaar in de kleuren hemelsblauw, ivoorwit, saharageel en varengroen. Vanaf plusminus 10 duizend euro, inclusief inbouwapparatuur en montage.

Het Gemeentemuseum in Den Haag wijdt deze zomer een expositie aan Piet Zwart (1885-1977), die werkte als binnenhuisarchitect, industrieel vormgever, reclamemaker, typograaf, fotograaf, criticus en docent.

De tentoonstelling – precies 35 jaar nadat in het Gemeentemuseum Den Haag de eerste overzichtstentoonstelling van Piet Zwart werd gehouden – is ondergebracht in een ondoorgrondelijke labyrint van zalen, kabinetten en gangen op de eerste verdieping; in elke ruimte komt een ander facet van het unieke talent van Zwart aan de orde.

De keuken staat er (een ietwat beduimeld exemplaar afkomstig uit zijn woning aan de Rijksstraatweg in Wassenaar), en natuurlijk zijn ook Zwarts strakke, functionele ontwerpen voor de Nederlandsche Kabelfabriek Delft en de PTT te zien.

Maar het Haags Gemeentemuseum toont ook de schetsen voor damesmode en kinderjurkjes; reclameposters voor mosselen (‘mosselen zijn voedzaam en goedkoop’) en foto’s van een Chinese lampenkap en berijpte kool. Een ergonomisch strijkijzer en een wollen avondtasje (handgeweven door Nel Zwart Cleyndert); bankbedden en buisstoelen; een groen persglas ontbijtservies, een schaakspel en een poederdoos.

Er staan een rood-blauw-gele stand voor een jaarbeurs en een kinderstoeltje voor de Montessorischool. Op een scherm wordt een filmpje geprojecteerd waarop mensen zitten op de hardhouten bankjes in de binnentuin van het Gemeentemuseum. Zwart ontwierp ze in 1925, toen hij als eerste tekenaar werkte bij H.P. Berlage, de architect die het museum in 1935 ontwierp.

Het zijn bijna allemaal voorbeelden van ‘goede vormgeving’, wat in de optiek van Zwart een logisch voortvloeisel was van een zuivere levenshouding. Dat geldt zelfs voor de oudere ontwerpen, die hij zelf waarschijnlijk nooit tentoon had willen stellen – Zwart was een reclameman in hart en nieren die zijn imago succesvol koesterde.

De overzichtstentoonstelling laat zien hoe dikwijls Zwart – vaak tot verwondering van critici en vakgenoten – het roer omgooide om in te spelen op een nieuwe vormentaal of beeldprincipes, en met welk gemak hij de beginselen van de internationale avant-garde en het Russische constructivisme in zijn eigen werk incorporeerde.

Echter, ondanks de enorme variëteit gaat alles na verloop van tijd toch een beetje op elkaar lijken; het merendeel van de tentoongestelde objecten zijn achter glas weggestopte schetsen en tekeningen en schetsen en opengeslagen schetsboekjes in vitrinekasten. Bladeren is er niet bij. Dat kan ook moeilijk anders: een door Zwart gemaakte catalogus voor de Nederlandsche Kabelfabriek doet op veilingen al gauw zo’n 25 duizend euro.

De grootste verdienste van de tentoonstelling is misschien wel de begeleidende, vuistdikke monografie van Yvonne Brentjens. Het boek is letterlijk tot in de puntjes verzorgd: de paragraaftitels worden voorafgegaan door een zwart vierkantje, een verwijzing naar Zwarts monogram. Het belang van Piet Zwart staat volgens Brentjens eigenlijk niet ter discussie. De kunsthistorica, die eerder boeken schreef over de ontwerpers Dijsselhof en De Bazel, zet wel haar vraagtekens bij het predikaat ‘ontwerper van de eeuw’, dat zij ‘welhaast bovenmenselijk’ noemt.

Zwart verwierf de titel in 2000, als resultaat van een verkiezing van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers. Hij liet coryfeeën als Wim Crouwel, Gerrit Rietveld, Benno Premsela, Anthon Beeke en Gert Dumbar ver achter zich. Terwijl hij zichzelf niet eens als vormgever beschouwde. Op zijn visitekaartje presenteerde hij zich liever als architect, ook al bleven zijn werkzaamheden op dit terrein beperkt tot een enkele winkelpui, een vakantiehuis en een varkensschuur. Later noemde hij zich bij voorkeur vormtechnicus of vormingenieur.

Het doet er eigenlijk niet zoveel toe of de titel terecht is of niet – Brentjens betoogt dat het gaat om een eerbetoon van een selecte kring van vakgenoten, waar de stem van het Nederlandse volk niet in doorklinkt. De overzichtstentoonstelling en Brentjens monografie doen recht aan de rijkdom en breedte van het oeuvre van een alleskunner, plaatsen het in een context én relativeren zijn verdiensten zonder Zwart van zijn voetstuk te stoten. Jan Pieter Ekker

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden