Overvolle leegte

Dagelijks stellen we ons bloot aan talloze onzichtbare gevaren: fijnstof, uv-straling, virussen, bacteriën, neutrino's, muonen, radioactieve gassen, elektromagnetische straling. Niet alleen buiten, maar ook binnen.

Ik zit op de Dam. Op een kistje in het centrum van Amsterdam, louter gehuld in een mantel van lucht. Mijn lichaam ten prooi aan onzichtbare gevaren om mij heen. Ontelbare bacteriën en virussen, uitgestoten door langskomende zieke longen en lijven, uitlaatgassen en sigarettenrook van auto's en voorbijgangers, de ongrijpbare straling van elektriciteitskabels en gsm-masten en deeltjes uit de ruimte. Het is een wonder dat ik nog leef. Ik probeer mij voor te stellen waaraan ik letterlijk word blootgesteld.


Ik verbeeld mij de muonen te voelen, die vanuit de dampkring mijn lichaam geselen. Elke seconde ruim honderd. Dit zware type elektronen ontstaat in de dampkring als andere deeltjes uit het heelal, vooral protonen en kernen van helium, koolstof en stikstof, botsen met de talloze moleculen in de atmosfeer. Daarbij ontstaan ook elektronen. En neutrino's, de dragers van de onbegrijpelijke zwakke wisselwerking, die misschien wel sneller dan het licht gaan. Vanuit de kosmos komt een onwaarschijnlijk grote lading deeltjes. De neutrino's hebben een gigantische energie, vergelijkbaar met een pak suiker dat van de tafel valt - samengebald in een minuscuul deeltje.


Elke vierkante centimeter op aarde wordt per seconde getroffen door 65 miljard neutrino's van de zon en nog eens miljarden neutrino's van elders uit het heelal. Onstuitbaar vervolgen ze hun weg door de kosmos. Ze laten zich niet remmen door de dampkring en schieten zelfs door de aarde heen. Ze doorboren mij van alle kanten, ook vanuit de grond onder mij. Het is even schrikken te beseffen dat ik onophoudelijk word doorzeefd. Maar neutrino's en ook muonen hebben zo veel energie dat ze nauwelijks kwaad kunnen. Deeltjes zijn vooral schadelijk als ze hun baan beëindigen in mijn lichaam. Dan geven ze hun energie snel af aan het omringende weefsel, waarbij ze dna en eiwitten beschadigen of vrije radicalen vormen, die op hun beurt weer mijn cellen onklaar kunnen maken.


Maar nog geen 10 procent van de straling die cellen en weefsels zou kunnen beschadigen, komt uit de ruimte. Veel belastender zijn medisch onderzoek en de radioactiviteit in mijn voedsel - samen goed voor ongeveer de helft van mijn jaarlijkse stralingsbelasting. Daarnaast treft 40 procent van de straling mij via de radioactieve gassen radon en thoron uit bouwmaterialen en de bodem. Hier buiten valt het mee, want de Nederlandse bodem zendt relatief weinig straling uit. Maar thuis kunnen de radioactieve gassen en hun vervalproducten uit (verse) stuc, beton en baksteen en vanuit kruipruimten diep in mijn longen doordringen doordat ze zich aan fijnstof hechten. Zo'n 10 procent van alle longkanker in Nederland zou hieraan toe te schrijven zijn: achthonderd doden per jaar.


Zon

Hier buiten is de ultraviolette straling van de zon de grote 'killer'. Nu, in december met de lage zonnestand, is de zonkracht op de Dam slechts 0,4 - een maat voor hoe snel zonnebrand optreedt. In juli kan deze oplopen tot boven de 7, en zou mijn blote lijf na een half uurtje zon verkleuren als gekookte kreeft. Gelukkig wordt het gros van de gevaarlijke uv-b straling en al het uv-c tegengehouden door een miniem laagje hoog in de lucht: de ozonlaag. Als we, net als bijen, uv-licht zouden kunnen zien en konden vergelijken met zichtbaar licht, en we stellen het zonlicht voor als een lamp van 100 watt, dan zouden we in de zomer een uv-b-lamp van 0,3 watt zien. In de winter zou de zonnelamp zijn gedimd tot ongeveer 22 watt en de uv-lamp tot 0,02 watt. Maar het schadelijke effect van uv is wel 10- tot 100 duizend keer groter dan van zichtbaar licht.


Gelukkig dringt deze kortgolvige straling niet verder door dan in de huid. Op een zonnige dag ontstaan daardoor in het dna van elke huidcel wel honderdduizend beschadigingen. Vele daarvan worden hersteld, maar niet alle. Zo'n 25 duizend mensen in Nederland krijgen huidkanker van uv-straling. Van hen overlijden er 650. In het oog is sneeuwblindheid het equivalent van zonnebrand. Dan raakt het hoornvlies om de oogbol geïrriteerd door uv. Maar de huid past zich aan en wordt na verloop van tijd dikker, zodat minder uv in het onderliggende gevoelige weefsel komt, en ze wordt bruin. Bij witte mensen beschermt huidverdikking beter dan pigmentatie.


Ik concentreer mij op de grond onder mij en weet dat zich daar een kabelsoep van elektriciteitsleidingen bevindt. Hoogspanningslijnen van 10- tot 150 duizend volt lopen naar middenstations en trafohuisjes. Gelukkig behoor ik niet tot de mensen die menen dat ze overgevoelig zijn voor elektromagnetische velden, zoals enkele honderden in Nederland. Ze lijden onder hoofdpijn, duizeligheid, slaapstoornissen en concentratieproblemen. Ze zouden de stroomkabels onder het trottoir met de ogen dicht kunnen volgen, kilometers lang. Ooit straalden transformatorhuisjes vrolijk in het rond in de buurt van scholen. Maar kinderen zouden vaker leukemie krijgen na langdurige blootstelling aan laagfrequente elektromagnetische velden, zoals van hoogspanningsleidingen en transformatoren. Niemand weet precies hoe het kan en ook de elektrogevoeligheid is niet bewezen, maar uit voorzorg worden leidingen en transformatoren nu weggehouden bij scholen en woningen.


Was mijn hoofd een radio-ontvanger, ik zou gek worden van de kakofonie van (digitale) radio- en televisiezenders en signalen van draadloze (dect) telefoons, gsm's en andere mobieltjes, draadloos internet en de communicatie van hulpdiensten en magnetrons. Vooral in het openbaar vervoer en mensenmassa's ben ik omringd door de elektromagnetische straling van mobiele telefoons. Maar meer dan mij gek maken, lijkt al die radiostraling niet te doen. Er is bijvoorbeeld geen experimenteel bewijs voor het ontstaan van hersentumoren door frequent bellen met mobieltjes. Wel kan die hoogfrequente radiostraling mij opwarmen, zoals een magnetron doet. Maar dat is te verwaarlozen. Een moderne mobiele telefoon heeft een vermogen van 0,25 watt, een magnetron van 1.000 watt. Zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden, komt een mobieltje niet verder dan een plaatselijke opwarming van mijn brein met 0,2 graad Celsius. Dat valt weg in de natuurlijke temperatuurspreiding.


Uitlaatgas

Ik kijk op en zie een bus Japanners leeglopen. In de zich langzaam verspreidende damp van de draaiende motor kijken ze, druk gebarend en met hun camera's in de aanslag om zich heen. De wolk uitlaatgas drijft mijn kant op, aldus bijdragend aan de toch al enorme hoeveelheid stofdeeltjes waarvan een deel zich met elke ademteug dieper in mijn longen nestelt. Op een gemiddelde dag op de Dam zijn dat in een kubieke meter lucht zo'n 20 miljard deeltjes. Het gevaarlijkst zijn de kleinste van minder dan een tienduizendste millimeter, die rechtstreeks uit de uitlaat komen en vrij snel samenklonteren tot grotere exemplaren. Ze verstoppen mijn longblaasjes en veroorzaken ontstekingen of komen terecht in mijn bloedbaan waar ze hart- en vaatziekten stimuleren. Ze kunnen ook longkanker veroorzaken, maar of de deeltjes dat zelf doen of de teerachtige verbindingen, zoals pak's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen), die ze oppikken, is onduidelijk. Ook houtkachels dragen in de winter bij aan het fijnstof, soms wel voor een kwart.


Nederlanders verliezen gemiddeld één jaar van hun leven door het inademen van fijnstof, dat na roken en obesitas de grootste ziektelast veroorzaakt.


Een van de Japanse toeristen gebaart met zijn fototoestel. Hij haalt een euro uit zijn zak en komt op mij af. Vlak voor mij vertrekt zijn gezicht zich plotseling tot een grimas en een forse nies stuift mijn kant op. Ik schat snel de afstand: twee meter - zijn druppeltjes snot zullen mij net niet treffen. De aerosolen met zijn bacteriën en virussen zijn al neergestort op het trottoir. Op de Dam beperkt het gevaar van besmetting met griep, verkoudheidsvirus of waterpokken zich tot het met z'n allen wachten bij de zebra. Alleen de tuberkelbacil draagt verder, maar die is zeldzaam. Zelfs de legionellabacterie komt niet ver. Anders is dat met voorwerpen. Ik voel de virussen jeuken als iemand in zijn vuist hoest en me daarna met uitgestoken hand verwelkomt. En voor geen goud pak ik de euro aan van die Japanner. Heeft het sars-virus zich in Azië niet ooit verder verspreid via een liftknopje, wie weet wat dit muntstuk met zich meedraagt?


Het is, met al die onzichtbare bedreigingen, inderdaad een wonder dat ik nog leef. Het is vooral een wonder dat het menselijk lichaam zo veel mechanismen heeft om zich te beschermen tegen de onzichtbare gevaren. Te beginnen met onze huid, darmbekleding en slijmvliezen, vol afweercellen die virussen, bacteriën en parasieten te lijf gaan. En mechanismen om stof uit onze longen te werken of het hoofd te bieden aan uv-straling. Ook cellen en organen kennen talloze systemen die door straling of chemicaliën aangebrachte dna-beschadigingen repareren of cellen beschermen tegen stress, zoals oververhitting. Systemen die even onzichtbaar zijn als de bedreigingen waaraan ze weerstand moeten bieden.


Voor dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van de kennis van prof. dr. Jaap van Dissel, LUMC; prof. dr. Maarten de Jong, Nikhef Amsterdam; dr. Eric van Rongen, Gezondheidsraad; dr. Harry Slaper, RIVM; dr. Fred Woudenberg, GGD Amsterdam.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden