Oversteken en niet geraakt worden

DRIE, VIER, doet de drummer van menig rockbandje. Volgende nummer, stokjes omhoog, van je tik tik en daar gaan we....

Zo gaat het dus niet bij Ernst Reijseger, de cellospeler en improvisator wiens excursies langs de aalgladde pistes van het ritme al menig medespeler hoorndol hebben gemaakt. 'Waar zit de één?', heet het zoekspel naar de eerste tel, dat de watervlugge Reijseger en medemusici elkaar nogal eens aandoen. Volgens Reijseger heet het ook wel 'Hoe elastisch is de drummer'. Het wordt zowel gepraktiseerd tijdens repetities als bij concerten en opnamen, 'en je gaat net zo ver door tot één collega de kluts kwijtraakt'.

Musici uit de kringen van Reijseger, Wierbos (Wolter) of Bennink (Han) zullen overigens liever hun tong afbijten dan het woord tel of metrum gebruiken, laat staan de smerige woorden ene tweeë in de mond nemen. Alan Purves, het Schotse slagwerknatuurwonder, rekt volgens Reijseger 'een basisfiguur aan alle kanten uit zonder erover na te denken'. De zangers uit Sardinië met wie Reijseger net een plaat heeft opgenomen 'weten het écht niet te benoemen' wat ze allemaal uithalen, en de Bulgaren die hij een keer tegenkwam zeiden gewoon 'nummer vier' tegen elkaar, wanneer ze besloten tot een of ander waanzinnig patroon in negen-achtste. De Zuid-Indiase meestertrommelaars die hun ritme aan de taal ontlenen 'hebben er ook niets tussen zitten wat op tellen lijkt'.

Stomverbaasd was Reijseger, toen hij de componist en improvisator Theo Loevendie een keer hoorde praten over het ritme in Turkse muziek, waarbij Loevendie, de goede nestor, de term 'onregelmatige maatsoorten' gebruikte. Reijseger schetst zijn ontgoocheling, 'maar ik bedoel dat niet oneerbiedig.'

Voor de meesterslagwerkers van het Asko en het Nieuw Ensemble zat er weinig anders op dan de partijen thuis aan de muur te plakken, er iedere vrije minuut naar te staren, de muziek tel voor tel in te prenten, haar op de ontbijttafel weg te trommelen en er een paar maanden lang mee op te staan en naar bed te gaan, toen de Nederlandse première werd voorbereid van Brian Ferneyhoughs Carceri d'Invenzione. De 'complexity' van de postseriële Brit voorziet niet alleen in gelaagde texturen van het type 'zeven nootjes in de tijd van elf en die elf in de tijd van 26 andere', maar eist er een dynamische turbo-afwisseling bij die alles te maken heeft met extremen, maar niets met de regelmaat van de mitrailleur, de plaatwalserij of de naaimachine.

Bij het Concertgebouworkest hakt ook de slagwerker Niels Le Large geregeld met het bijltje van 'patronen die de ingewikkeldheid van twee tegen drie, of drie tegen vijf toch echt wel ver te boven gaan'.

'De enige methode bij dergelijk werk is zo dichtbij mogelijk te komen door de partij voor je neer te zetten, de moeilijke noten héél langzaam te beginnen, en dan het tempo langzaam op te voeren', zegt de topslagwerker. 'Stukje voor stukje. Als het heel erg gecompliceerd wordt, lukt het alleen bij benadering. Het is vooral een kwestie van onderverdelen en langzaam het tempo opvoeren. Daarom hebben slagwerkers altijd zo de pest in als het materiaal van nieuw werk niet op tijd binnenkomt.'

Leerlingen en collega's van Le Large vormden de Nieuw Slagwerkgroep Amsterdam. Die speelde de complete Pleiades van Iannis Xenakis (tuighuizen aan slagwerk die de patronen en tegenpatronen van hoek naar hoek doen golven) na slechts een repetitie of twintig. 'Het begint met tellen, maar dan komt de fase dat je er boven staat. Dan gaat het zo goed als uit het hoofd.'

'Het is vaak niet de moeilijkheidsgraad maar de onbekendheidsgraad die spelers onzeker doet zijn', zegt Le Large. 'Muziek van Messiaen of Varèse, waar het Concertgebouworkest vroeger tegenaan hikte omdat het niet was opgegroeid met het idioom, dat gaat nu bijna vanzelf. Het orkest is nu getruct in de nieuwste muziek.'

De tijd dat Le Large in het Concertgebouworkest 'de ene week gamelan' speelde 'en de volgende week de tabla' is intussen voorbij. Hij herinnert zich de 'etnische mode', in een symfonie van Hans Werner Henze 'waar we het hele Tropenmuseum voor leeg moesten halen'. 'Vervolgens was het natuurlijk de bedoeling dat we er met uiterste precisie, maar in wezen on-ritmisch op speelden.'

Le Large: 'Een slagwerker die ritmisch speelt in een symfonieorkest, dat is ondenkbaar. Je zou de hele boel aan stukken scheuren. Het cliché van de slagwerker in een symfonieorkest, dat is dat we meestrijken met de strijkers en meeblazen met de blazers. Kortom: onritmisch spelen. Als ik een tamboerijn zou bespelen op de oorspronkelijke manier, dan zou alles uit elkaar vallen.'

Ritmische instantie is de dirigent. De slagwerker is een 'dienstverlener'. Le Large: 'Je hebt je triolen en kwintolen haarfijn uitgemeten. Dan komt het concert, en je merkt dat je direct al in de tweede tel een voetje moet bijtrekken. Een dirigent is geen metronoom.'

Geteld ritme en gevoeld ritme: de saxofonist Sean Bergin vergeleek het begrip 'timing' eens met het oversteken van een snelweg ('en dan maar zorgen dat je niet geraakt wordt'). Charlie Parker, meestertimer aller tijden, was vastbesloten, toen ze hem de uitgeschreven versie van een van zijn solo's voor zijn neus zetten: 'I can't play that stuff'. Niels Le Large: 'Die gasten timen al vanaf hun geboorte. Bij hen wordt het lichamelijk, een biologisch verschijnsel. Een logaritme.'

De Pleiades van Xenakis golfden lang niet gek door het Concertgebouw. Ferneyhoughs Carceri d'Invenzione hadden ze bij het Asko in de broekzak, en een avondje Elliott Carter met het Nieuw Ensemble vliegt tegenwoordig voorbij. Ernst Reijseger: 'De energie van de uitvoerende moet niet onderschat worden. Maar god, in zo'n resultaat zit zó veel werk. Dat kan, dacht ik, ook eenvoudiger.'

Tot de interessantste orkestpartituren ('wegens de ernstig verhoogde risico's') hoort voor Niels Le Large de Chronochromie van Olivier Messiaen. 'Met een kluit soloslagwerkers in het hart van het orkest. Je kent het uit je hoofd, maar je studeert het elke keer weer van voren af aan. Bladzijden lang zestienden en vierenzestigsten, maar dan onregelmatig. Vooral onregelmatig.' Overigens is Le Large 'van huis uit een rock 'n' roller, opgegroeid met King Crimson en Bill Bruford'.

Reijseger belt terug: tot zijn absolute idolen hoort de Duitse pianist Josef Hofmann (1876-1957), 'de grootmeester van het rubato'.

Le Large: 'De eerste tel niet kunnen vinden, dat hebben wij zo nu en dan met dirigenten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden