Column Sheila Sitalsing

Overspannenheid: ‘het merkwaardigste van alle Nederlandse gebruiken’

Eigenlijk, zo las ik gisteren in het Financieele Dagblad, weten we niet precies hoe het komt dat het percentage ziektemeldingen op het werk door psychische aandoeningen als overspannenheid en burn-out sinds 2013 ruim verdubbeld is.

Werkdruk, domweg meer moeten doen met minder mensen, zeggen de politieagenten, verpleegkundigen en leerkrachten die gisteren in protest de straat op gingen.

Snel moeten werken onder hoge druk (koks bijvoorbeeld, of mensen die stukjes schrijven voor de krant), vinden dat je heel veel werk hebt (artsen, juristen, managers), of emotioneel zwaar werk hebben (gespecialiseerde verpleegkundigen), zegt het CBS.

Je kostbare tijd moeten verdoen aan bizarre hoeveelheden administratie, registratie en andere pogingen van hogerhand om greep te krijgen op de werknemers in het veld, zegt iedereen die onder protocollen werkt.

Flexwerk, zegt de FNV, want nooit zeker weten wanneer je wordt opgeroepen, altijd bereikbaar moeten zijn en steeds nieuwe gezichten op het werk zijn niet bevorderlijk voor de rust.

Het gebruik van beeldschermen en smartphones thuis, ‘waardoor werknemers ’s morgens niet 100 procent fris op hun werk verschijnen’, zegt iemand van de werkgeversvereniging AWVN.

Dit las ik allemaal ’s morgens vroeg, thuis op mijn smartphone. Daarop concludeerde ik 100 procent fris dat iedereen graag een ander de schuld geeft. Werkgevers wijzen naar de vermaledijde smartphone, want zelf doen ze niets verkeerd. Werknemers naar de baas of collega’s, want aan hun capaciteiten ligt het niet. Vakbonden weten dat niet hun belangenbehartiging faalt, maar de vuige flexibele arbeidsmarkt.

Een week eerder had Simon Kuper, een Brit die in Leiden opgroeide, in datzelfde FD zijn verbazing van zich afgeschreven over overspannenheid, ‘het merkwaardigste van alle Nederlandse gebruiken’.

Het Leiden van de jaren tachtig waar hij opgroeide was volgens zijn ouders ‘een van de gezapigste plekken in de menselijke geschiedenis, en toch was er een epidemie onder mensen die het tempo blijkbaar niet aankonden.’

Later, toen hij in Londen woonde, kwam hij geregeld terug naar Nederland ‘om van de traagheid te genieten’.

Nog later, toen hij in Nederland ging werken als correspondent voor de Financial Times, kwam hij erachter dat wij het begrip werkontbijt niet kennen (ontbijten doe je thuis) en dat je na kwart over vijf ’s middags de bestuursvoorzitter van een beursgenoteerd bedrijf niet meer zomaar aan de telefoon krijgt, omdat zo’n man ook recht heeft op vrije tijd.

Nederlanders werken gemiddeld maar twintig uur per week, met parttimecultuur, papadagen en hun in cao’s verankerde snipperdagen. Dat doet geen Griek ze na. Sterker: dat doen heel weinig rijke, ontwikkelde landen ze na.

Dat 15 procent van de Nederlanders desalniettemin zegt met burn-outklachten te kampen, een percentage dat opvallend hoger ligt dan in gebieden met een genadeloze werkcultuur als Londen of Parijs: Kuper snapt er niets van.

Hij waagt zich aan iets dat op een voorzichtige conclusie lijkt: omdat het kán. Je kán je hier ziek melden, zonder meteen aanstelling en inkomen op het spel te zetten. Je wordt liefdevol behandeld zonder dat je failliet gaat aan de doktersrekening, je hebt meestal gewoon inkomen, en als het weer beter gaat, mag je vaak kalmpjes reïntegreren.

Zo bezien is dat hoge burn-outpercentage geen probleem, maar een symptoom van een zegenrijk systeem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.