Overrijpe vrouwen, onvruchtbare dochters

Vrouwen die vruchtbare dochters willen, doen er goed aan jong kinderen te krijgen. Bovendien is het gunstig als ze een flinke rustperiode in acht nemen tussen de zwangerschappen....

VROUWEN DIE geboren zijn uit moeders van veertig jaar of ouder, hebben een grotere kans op kinderloosheid, een doodgeboren kind of een meerling dan vrouwen met jongere moeders. De kans op kinderloosheid of doodgeboorte van het kind is ook groter bij vrouwen die binnen een jaar na hun broer of zus ter wereld kwamen.

Vrouwen die in de eerste zes weken van het jaar geboren zijn, of in de eerste zes weken van de tweede helft van het jaar, blijken verminderd vruchtbaar te zijn. Vrouwen die kinderloos blijven, zijn ook vaker in die periodes geboren. Vrouwen die te kampen hebben met herhaalde miskramen, blijken relatief vaak eind februari/begin maart geboren te zijn.

Die conclusies trekt de Nijmeegse epidemioloog drs. Luc Smits uit een serie unieke studies van de voortplantingshistorie van bevolkingsgroepen in Nederland en Frans-Canada uit het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw en uit een studie van vrouwen die herhaaldelijk een miskraam krijgen of menstruatiestoornissen hebben. Dinsdag promoveert hij op dit onderzoek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Smits onderzocht onder meer de gegevens van 1907 vrouwen die tussen 1873 en 1902 in Rotterdam en de buurgemeenten Kralingen, Charlois en Delfshaven werden geboren. Ook keek hij naar 1526 vrouwen uit 51 families in de Zuid-Hollandse polders Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, die tussen 1802 en 1929 in het huwelijk traden. Daarnaast beschikte hij over gegevens uit de regio Saguenay in de Canadese provincie Quebec, waar een compleet register wordt bijgehouden van alle inwoners die zich er sinds het midden van de vorige eeuw hebben gevestigd.

De voortplantingsproblemen die Smits op het spoor kwam, kunnen vrijwel allemaal verklaard worden uit één overkoepelende hypothese: de theorie van de preovulatoire overrijping van de eicel. Maar noodzakelijk is dat niet. De waargenomen verbanden tussen de leeftijd van de moeder, geboorte-intervallen of geboortemaand en de vruchtbaarheidsproblemen van de dochter kunnen ook op een andere manier, en soms nog vollediger, worden verklaard, concludeert Smits in zijn proefschrift.

Het idee dat een 'overrijpe' eicel die bevrucht wordt en waar een meisje uit geboren wordt, de oorzaak zou kunnen zijn van vruchtbaarheidsproblemen later in haar leven, werd de afgelopen dertig jaar ontwikkeld door de Limburgse kinderarts en epidemioloog dr. Piet Jongbloet. Hij baseert de gedachte onder meer op oude waarnemingen aan de bevruchting van eitjes van kikkers.

Volgens Jongbloets theorie is de kwaliteit van de eicel waaruit een meisje wordt geboren, mede bepalend voor haar biologische voortplantingsvermogen. De eierstokken, met daarin twee tot vijf miljoen primitieve eicellen, worden al kort na de bevruchting aangelegd.

Vanaf dat moment begint een proces van langzaaam afsterven van die primitieve cellen; bij de geboorte van het meisje zijn er nog twee miljoen over, op zevenjarige leeftijd nog maar driehonderdduizend. De resterende cellen ontwikkelen zich verder tot onrijpe eicellen, die vanaf de eerste menstruatie (menarche) in een maandelijks ritme één voor één uitrijpen om bevrucht te worden.

Het is denkbaar dat een overrijpe bevruchte eicel waaruit een meisje geboren wordt, een geringe afwijking heeft en dat die consequenties heeft voor het latere functioneren van haar eierstokken - ófwel voor de uitrijping van haar eicellen, ófwel voor de productie van de noodzakelijke voortplantingshormonen, of beide. Vruchtbaarheids- en voorplantingsproblemen zoals een onregelmatige cyclus, niet ovuleren of juist 'superovuleren' (met kans op een meerling), zouden hier afhankelijk van kunnen zijn, aldus Jongbloets theorie.

S MITS TOOG vier jaar geleden in Nijmegen aan het werk om de theorie van zijn 'leermeester' (en co-promotor) op een zo direct mogelijke manier te toetsen. De medische literatuur bevat weliswaar een groot aantal verspreide aanwijzingen die Jongbloets theorie ondersteunen, maar een 'levensechte' test ontbrak nog.

Smits kwam daarvoor op het idee de geschiedenis in kaart te brengen van bevolkingsgroepen die zich onder natuurlijke omstandigheden voortplanten, dat wil zeggen ongehinderd door 'moderne' uitvindingen als periodieke onthouding of de anticonceptiepil. Eind negentiende, begin twintigste eeuw leek hèt tijdperk waarover voldoende nauwkeurige demografische gegevens bestaan én waarin bewuste geboortenbeperking nog niet of nauwelijks een rol van betekenis speelde.

De gegevens van de Rotterdamse vrouwen betrok Smits van de Historische Steekproef Nederland, een database die een half procent van de Nederlandse bevolking geboren tussen 1812 en 1922 omvat. De gegevens uit de Alblasserwaard en Vijfheerenland - een streng-calvinistische regio met in die tijd een relatief hoog percentage 'moetjes' - kreeg hij van de genealoog dr. J. Verduin, die de familiegeschiedenis van meer dan vijftienhonderd gezinnen reconstrueerde. De Canadese gegevens kwamen uit de database Balsac van de demograaf prof. Gérard Bouchard van het Interuniversiteit instituut voor bevolkingsonderzoek in Chicoutimi (Quebec).

Uit de analyse van alle voortplantingsgegevens - leeftijd van de moeder bij geboorte, geboortemaand, huwelijksdatum, de tijd tot de geboorte van het eerste kind, zwangerschapsintervallen et cetera - trekt Smits enkele opvallende conclusies.

Dochters van moeders van veertig of ouder bijvoorbeeld, hebben een tweeënhalf maal grotere kans kinderloos te blijven dan dochters van moeders onder de 21. Hun kansen op een doodgeboren kind, of juist op een meerling, zijn ook tweeënhalf, respectievelijk tweemaal zo groot. En bij dochters die binnen een jaar na hun broer of zus geboren werden, was de kans op kinderloosheid zelfs zeven maal groter dan wanneer er wat meer ruimte tussen de opeenvolgende kinderen zat.

O OK HET seizoen waarin vrouwen worden geboren, speelt een rol in hun voortplantingsgeschiedenis. Dat komt enigszins overeen met Jongbloets vermoeden dat de preovulatoire overrijping van de eicel een seizoensgebonden verschijnsel is, dat zich met name manifesteert in de aanloop naar of na afloop van de traditionele conceptiepieken in het voorjaar en de late herfst.

Zo stelde Smits aan de hand van een onderzoek onder vrouwen die herhaaldelijk een miskraam krijgen, vast dat zij vaker dan verwacht in maart geboren zijn - en derhalve in de voor het overrijpen van de eicel relatief ongunstige junimaand zijn verwekt. Menstruatiestoornissen daarentegen blijken niet te maken te hebben met de geboortemaan dan wel het seizoen van conceptie.

Uit de talloze gegevens die Smits verzamelde en de vele verbanden die hij aantoonde, concludeert hij dat de hypothese van de preovulatoire overrijping van de eicel weliswaar niet wordt weerlegd, maar zeker ook niet als juist kan worden aangemerkt. Andere verklaringen zijn evenzeer mogelijk.

Behalve van preovulatoire overrijping kan er ook sprake zijn van postovulatoire overrijping - waarbij er een relatief lange tijd verloopt tussen eisprong en de bevruchting.

Daarnaast hoeft de kwaliteit van de eicellen niet per se afhankelijk te zijn van de omstandigheden in de allervroegste levensfase, kort na de conceptie. Er kan ook sprake zijn van een 'normaal' verouderingsproces van de eicellen in de eierstok; misschien heeft de natuur het zo ingericht dat na de menarche eerst de eicellen van de hoogste kwaliteit uitrijpen voor bevruchting en dat later eicellen van mindere kwaliteit aan de beurt komen.

Wat hier ook van zij, enkele praktische conclusies heeft zijn onderzoek wel opgeleverd, schrijft Smits in zijn proefschrift. Met name de duur tussen twee opeenvolgende zwangerschappen krijgt naar zijn mening nog steeds te weinig aandacht in de (preventieve) gezondheidszorg.

Op basis van Amerikaanse gegevens schat Smits dat in Nederland jaarlijks nog tussen de 3300 en 13.200 meisjes worden geboren na een zwangerschapsinterval van minder dan een half jaar - met mogelijk nadelige consequenties voor hun latere vruchtbaarheid. Verloskundigen, huisartsen en vrouwenartsen zouden daarom standaard moeten aanraden voldoende ruimte tussen twee zwangerschappen te houden.

Daarnaast zouden vrouwen die hun kinderwens uitstellen, het verband tussen leeftijd van de moeder en de vruchtbaarheid van de dochter in hun overwegingen kunnen betrekken, aldus Smits.

Gerbrand Feenstra

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden