Overpeinzingen bij overvloedig leesseizoen

'Verrassende hausse aan begin van leesseizoen' stond er op 7 september 1994 boven deze rubriek en dat klopte wel. Wat een boeken waren er meteen al!...

Ook Ave Verum Corpus van Désanne van Brederode lag toen al in de winkel. De recensies waren niet juichend. Ik las het boek en dacht: dat kan beter en verdiepte me dus in Over de liefde en andere duivels van Gabriel García Márquez; in Op Oloop van de honderdjarige Argentijnse schrijver Juan Filloy; in een vertaling van de complete Edda en in het Dagboek van een miljardair van Valery Larbaud, de Franse vriend van E. du Perron, die zich, in dit geval, verschool achter het pseudoniem A. O. Barnabooth.

Maar dat was nog niet alles. In dezelfde week zagen ook het licht: Okaka's wonderpark van Gerrit Krol; Een korte wandeling in de heuvels van Chris Keulemans; Mensenpraat van Armando; Wilde boomgaard van Huub Beurskens; Het circus der eenzaamheid van Jeroen Brouwers; Een hand op het graf van Massaro van Rien Broere; De flat van Kees van der Pijl en Donkeyville USA van Jan Donkers.

Dat was in één klap stof voor maanden, maar geen uitgever die dacht: zo kan het wel weer even. Wat er niet allemaal nog bijgekomen is! Honderden boeken. Als ik zie hoe godsallemachtig veel er alleen al in deze rubriek gesignaleerd werd, dan vraag je je af wie dat allemaal leest. Wat is er met al die boeken gebeurd? Zijn ze wel gelezen? In de boekwinkel vind je ze nauwelijks meer terug en zelfs in de openbare bibliotheek, die toch tot taak heeft het versnelde doorspoelen van zoveel hoogwaardige kwaliteit tenminste te vertragen, zoek je vergeefs. Alleen het 'modern antikwariaat' lijkt ten volle te profiteren van deze overproduktie.

Deze week zie ik, nu voor een paar weken de kraan is dichtgedraaid, alleen nog maar wat nadruppelen. Bij Ambo verschenen twee geleerde boeken die me nauwelijks tegen het dolce far niente van de zomer bestand lijken. Het ene is een nieuw handboek over De oudheid, Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis, geschreven door de historici F. G. Naerebout en H. W. Singor (¿ 69,50). Het andere is een historische verhandeling van de Gentse hoogleraar Ludo J. R. Milis over de middeleeuwse kloosters, Hemelse monniken en aardse mensen.

In dit boek, dat in 1992 in het Engels verscheen en toen door Kees Fens werd besproken, vraagt Milis zich af wat de invloed van het 'monnikendom' op het sociale, artistieke en religieuze leven tussen 500 en 1500 is geweest. In hoeverre accepteerde in al die eeuwen de buitenwereld waarden die bedoeld waren om de mens te verheffen, en gebruiken die bedoeld waren om de mens te verlossen (de biecht bijvoorbeeld)? Dat valt, anders dan je zou denken, tegen. Het ideaal van de kloosters - waarbinnen een hemelse sereniteit werd nagestreefd - was veel te hoog gegrepen (Ambo, Hadewijch, ¿ 44,50).

Met een zekere gretigheid nam ik vervolgens Opstandeling van Jules Vallès ter hand. Vallès, die leefde van 1832 tot 1885, is in Frankrijk aan een herwaarding toe sinds zijn verzameld werk in 1990 werd opgenomen in de Pléiade-reeks van Gallimard. Terecht, want niet alleen schrijft hij heel goed - je zou hem met recht een columnist avant la lettre kunnen noemen - maar hij heeft ook veel te vertellen over het revolutionaire elan in het Frankrijk van de negentiende eeuw.

Het nu verschenen Opstandeling is het derde en laatste deel in de reeks over Vallès' alter ego Jacques Vingtras, die we hebben zien opgroeien, de barricades beklimmen en die nu sadder and wiser geworden zijn revolutionaire dadendrang relativeert. Op Multatuli na kennen wij zulke schrijvers in Nederland niet en het is dan ook niet voor niets dat wij hier in het algemeen meer geïnteresseerd zijn in de (grote) literatuur van de Franse negentiende eeuw dan in het werk van Beets, Bilderdijk en andere vaderlandse negentiende-eeuwers.

Opstandeling verscheen bij De Geus, vertaald door Dick Gevers en Bart Schellekens (¿ 39,90). Deze uitgever publiceerde ook het Russische epos van Tsjingiz Ajmatov, De dag die langer duurde dan een eeuw (¿ 59,90). Hierin vertelt Ajmatov over het leven van de spoorwegarbeiders Edigej en Kazangap in de steppen van Kazachstan, terwijl boven hen, in de eeuwige ruimte van de kosmos, Russische ruimtevaarders een ontdekking doen die de mensheid op de drempel van een nieuw tijdperk brengt.

Tja, en dan was er nog een boekje van de zich noemde Pjeroo Roobjee, een Vlaamse artistiekeling - hij schrijft, hij tekent, hij zingt en hij speelt toneel - die mij vergeefs probeerde te vermaken met de avonturen van de schone jongeman Donald Servotte, die de school verlaat om een 'slijkrijk' meisje te vinden opdat hij de rest van zijn leven op z'n luie kont kan blijven liggen. De kleinzoon van de letterzetter heet deze poging tot literatuur. Het gaat nergens over; het is één langdurige Vlaamse woordbrakerij en je houdt er niets aan over, of het moesten wat melige grappen zijn (Balans, Van Halewyck, ¿ 29,90).

Het is het lot van de chroniqueur ook zulke boeken te moeten lezen; ik beklaag me niet, maar wat is het zonde van je tijd je met zulke flauwekul te moeten inlaten als je weet dat er zoveel goeds is dat zich in de loop van een jaar ophoopt en erom vraagt eindelijk eens ongestoord gelezen te worden. Al het werk van Nabokov bij voorbeeld, dat in nieuwe vertalingen bij De Bezige Bij verschijnt. Het afgelopen jaar zagen weer een paar fraaie delen het licht, terwijl Bleek vuur, in de vertaling van Peter Verstegen, en deel één van de verzamelde verhalen, Een Russische schoonheid, voor november aangekondigd staan.

Of àl het werk van Louis Couperus, waarvan de nieuwe verzameld werk-editie volgend jaar voltooid zal worden, terwijl deze zomer het prachtige epos Iskander verscheen. Of het verzameld werk van Multatuli, dat begin dit jaar werd afgerond. Of dat van Theo Thijssen, waarvan recent het tweede deel verscheen. Maar vergeet ook de galante avonturen van Casanova niet, die - in de mooie vertaling van Theo Kars - nu in zes delen beschikbaar zijn: De school van het leven; Eigen heer en meester; Henriëtte; De ontsnapping; De jacht op het geld en Een man van aanzien. En Proust, aan wiens Op zoek naar de verloren tijd de vertaalster Thérèse Cornips haar leven heeft gewijd. In augustus moet deel 6, De voortvluchtige (La fugitive) verschijnen.

Ismail Kadare, de Albanese schrijver, die zijn land verruilde voor Frankrijk, is een andere auteur van gewicht, wiens werk nu consequent in Nederland wordt uitgegeven (door Van Gennep). Het meest recente deel in dit oeuvre was Maannacht, de roman over een vrouw die door haar 'socialistische' collega's wordt gemangeld. Ik zou daar Cesare Pavese, Raymond Queneau, V. S. Naipaul, Roberto Arlt, Kenzaburo Oë, Milan Kundera en nog vele, vele belangrijke schrijvers aan toe kunnen voegen.

Zij zijn lieden die je een wereld binnenvoeren, die in haar emotionele rijkdom geen grenzen lijkt te kennen. Je dwaalt erin rond zonder ooit het gevoel te krijgen dat het nu wel genoeg geweest is.

Je blijft ze lezen in de wetenschap dat je - zoals in het geval van Nabokov - steeds weer nieuwe ontdekkingen doet op een gebied dat mij in toenemende mate hèt gebied van de literatuur lijkt te zijn: dat van de levenskunst. In Nederland hebben we daar, geloof ik, calvinistisch als we zijn, nooit goed raad mee geweten. Geen wonder dat veel van wat hier geschreven wordt verbleekt bij wat ons uit andere taalgebieden geschonken wordt. Alsof daar intenser wordt geleefd.

Ik heb het niet over allerlei flauwekul die uitgevers op grond van bestseller-geruchten uit exotische contreien menen te moeten halen; ik heb het over boeken, die je vaak door hun toets van waanzin - die kennelijk bij het leven hoort -, al of niet lachend door elkaar schudden en waarover in kringen van lezers kritisch, enthousiast en soms hartstochtelijk wordt gesproken. Het zijn boeken waarover je het kunt hèbben.

Smilla's gevoel voor sneeuw van Peter Heg was zo'n boek, hoewel mij bij het praten daarover met medelezers meer en meer duidelijk werd dat menigeen er toch vooral een thriller in zag, een boek dat met het zichtbaar worden van de plot, inclusief de ontknoping, uitgeput is.

Voor Zwart water van Kerstin Ekman, een roman waaraan ook thrillerachtige aspecten niet vreemd zijn, gaat dat niet op. Van degenen die het gelezen hebben, heb ik over dàt boek niets negatiefs gehoord. De dwaas, een tweede roman van Ekman die Prometheus uitgaf, had in mijn ogen niet het meeslepende van Zwart water, maar ook dat boek getuigt van Ekmans kracht als verteller.

Als ik mijn boekhouding van het afgelopen jaar laat voor wat die is en bij mijn herinnering te rade ga - en zie wat er van zo'n jaar lezen overblijft - dan schieten me meer titels te binnen. Ik denk dat het voor trouwe lezers voldoende is wat namen te noemen om die boeken terug te halen en ze te behoeden voor de vergeetachtigheid die ons zelfs in de wereld van het boek (scripta manent, weet u wel) bedreigt.

Het gekke is dat sommige van die boeken nauwelijks zijn gerecenseerd. Dat komt onder meer doordat bijna niemand in Nederland nog een overzicht van het geheel heeft. Bovendien zijn recensenten meestal gespecialiseerd in één taalgebied en bepalen zij zich plichtmatig tot wat hun wordt toegestuurd. Zelden 'ontdekt' een recensent iets wat verrast. Dat doen vertalers veel meer. Ik noem een boek als Diepe wildernis: de wegen, waarvan recent een herdruk verscheen. Dit meesterwerk, van Joao Guimaraes Rosa, hebben we aan de vertaler August Willemsen te danken.

Maar ook uitgevers doen hun best. Een van de meest fascinerende boeken van het afgelopen seizoen was Op Oloop van de inmiddels honderdeneenjarige Filloy. Dat boek zou zonder George Coppens (van Coppens & Frenks) in Nederland onbekend gebleven zijn. Maar mag ik ook, ter afronding van een jaar lezen, wijzen op Zwarte regen van Masuji Ibuse (over de atoombom op Hiroshima), op Orlando van Virgina Woolf, de twee vertalingen van Les fleurs du mal van Charles Baudelaire, Mensenlandschappen van de Turkse dichter Nâzim Hikmet, Angst van Graciliano Ramos, Mens of niet van Elio Vittorini, De kussenjongen van hofdame Onogoro van Alison Fell, Délie. Beeld van de allerhoogste deugd van Maurice Scève, Roes en memorie van Paul Celan, Dichter van Remco Campert, Tekens van vuur van Jorge de Sena, Barbaar in de tuin van Zbigniew Herbert, Hans Andreus van Jan van der Vegt, Apollo en de hoeren van Carlos Fuentes, Te gekke jaren van Michal Viewegh, de Verzamelde verhalen van Julio Cortázar, De wonde van André de Richaud, De prins van West End Avenue van Alan Isler, Dr Orwell & Mr Blair van David Caute, De Lüneburger variant van Paolo Maurensig, Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec, De onzichtbare roos van Jorge Luis Borges, De melancholie van Parijs van Charles Baudelaire, Jouw koude hart zwijgt van Izumi Shikibu, In lichterlaaie van Colm Tóibin, Zelfportret met vrouw van Andrzej Szczypiorski en de bloemlezing van middelnederlandse poëzie van Gerrit Komrij?

Nou ja, ik hoef vanzelf een heel jaar werk hier niet dunnetjes over te doen, op gevaar af dat ik Salman Rushdie (Oost, West), Nadine Gordimer (Niemand die mij vergezelt), Marcel Béalu (Onpersoonlijk avontuur) en Ilja Ilf en Jevgeni Petrov (De twaalf stoelen en Het gouden kalf) vergeet. ISBN is terug in september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.