Overleven in kamp Westerbork

Ligt het geluk in een klein hoekje? Of slaat het als een wervelwind toe? Een speurtocht naar de bronnen van het welbehagen....

Hier heb je het begin van de transporten

toen de trein nog buiten kamp Westerbork stilstond. Het kamp was al in '39 gebouwd, voor de Duits-joodse vluchtelingen die probeerden naar Palestina of Amerika te komen. Die woonden in kleine houten huisjes, zoals je ziet: met een woonkamer, een opklapbed, een keukentje, een kinderstoel. In '42 is dat prikkeldraad eromheen gekomen en hebben we zelf de spoorlijn moeten aanleggen van Hooghalen naar het kamp. Toen kwamen die massa's mensen uit Amsterdam en gingen de eerste treinen naar Auschwitz.

Dus we hebben die rails zelf aangelegd en we moesten ook nog alles zelf organiseren: we hadden een joodse commandant, een joodse administrateur, joodse artsen... In het kamp was geen één nazi. De Duitse commandant, Gemmeker woonde buiten het kamp en kwam alleen als de trein klaarstond. Even afscheid nemen, verder zag je ze niet. Alles ging volautomatisch door de joden, onder bewaking van de Koninklijke Marechaussee. Oude Duitse Landwehrmannetjes hadden de buitenbewaking, en ik heb ook nooit een Duitser zien slaan. De enige die ik ooit een jood heb zien slaan, was opperwachtmeester De Jong van de Koninklijke Marechaussee.

Ik was tekenaar en ben het kamp gaan tekenen. Terwijl ik een keer zo aan het werk was, word ik betrapt en ik krijg meteen een grote bek: 'Wat doe je daar, ben je nou helemaal gek' Ik zeg: 'Sorry, ik weet dat fotograferen verboden is, maar over tekenen...' 'Niks mee te maken, bek houden' - en hij heeft alles meegenomen. Ik denk: nou, daar ga je, dat wordt straftransport natuurlijk. Ik moest de volgende dag naar de commandant en daar zat de secretaresse-maîtresse van meneer Gemmeker, de commandant, en die vroeg vriendelijk: 'Ach herr Löwenhardt, würden sie so freundlich sein um eine Zeichnung vom Haus des hernn Kommandanten ab zu fertigen.' Ik zeg: 'Ja, natuurlijk, maar ik kan dat huis niet tekenen door het prikkeldraad heen.' 'O ja, ein Augenblick' - kreeg ik een Ausweis waarmee ik het kamp uit kon, zelfs tijdens de transporten. Dat had niemand.

Dit is het huis van de commandant

en dat is het enige wat daar nu nog staat. Dit was het Heidelager, vlak bij het kamp, waar de bewakingsmanschap woonde. Als zoon van een slager werd ik vaak geroepen om daar in te vallen in de centrale keuken en voor koffie en ontbijt te zorgen. En dit is de weg langs de boerderij, daar zat een zelfstandige boer die ál wat overbleef uit de keuken, voor zijn varkens kreeg. Hij vertelde een keer: 'Kom eens even kiek'n, de zeug het jong'n had.' Die weg ging door naar het Oranjekanaal, en dit was het eerste schip dat ik van m'n leven getekend heb. Ik kwam overal. Ik had een fiets en een Ausweis, ik kon overal naartoe.

Maar waar alles om draaide, dat was de trein. Elke dinsdag duizend, twaalfhonderd mensen in veewagons. Toen de eerste vijftig-, zestigduizend mensen weg waren hebben wij, jongelui, onder elkaar gezegd: jongens, het is niet in orde, wat is er aan de hand? Die joden zijn niet allemaal imbecielen en ze kunnen vaak nog lezen en schrijven ook, waarom krijgen we nooit eens een berichtje? Op een goede dag ben ik weer aan het bedienen nadat een trein terug was gekomen en daar zaten allemaal lui op van de Duitse Landstorm uit 1914-'18, bijna allemaal oude lullen. Ik loop daar rond in mijn witte jasje en ik zie daar eentje die me altijd blijft volgen en ik denk: wat heeft die zeikerd nou? Ineens zegt hij: 'Sie da, hören sie mal, sind Sie ein Löwenhardt?' Ik zeg ja. 'Mensch, bist du ein sohn von Adolf?' Was het een kennis van mijn vader. Dus heb ik hem 's avonds natuurlijk apart genomen en gezegd: nou moet je me toch eens zeggen, hoe zit dat met die transporten? Ja, zegt hij, 'wir wissen auch nichts, in Leipzig oder Dresden werden wir abgelöst und wir haben die Menschen noch nie gesehen.' Dus dan namen die jongens van Auschwitz de trein in ontvangst, en die zijn nooit met elkaar gaan praten. Zelfs dát hebben ze georganiseerd, zo doortrapt was het. Later pas hebben we bij het schoonmaken van de wagons tussen de reten van het hout briefjes gevonden, maar ook dat ging niet over Auschwitz. Het was altijd: we gaan nu over een brede brug met schepen en de groeten, enzovoort. Ze konden nooit iets vertellen en werden vergast zonder dat iemand het wist.

Dit is mijn schoollokaal op het gymnasium

in Dortmund. Ik ben in 1919 geboren vlak bij Dortmund, in een dorp waar mijn vader een slagerij had, en ik moest ook slager worden als opvolger van mijn vader. Met Kerstmis - want dat is in Duitsland een enorm feest - werd er een etalage gemaakt met hammen in zilverpapier en een rood lint. Dat was een enorm werk, weken van tevoren, en daar heb ik de prijskaartjes bij gemaakt. Op celluloid - want het moest afwasbaar zijn in een slagerij - met Ripolinverf. Zo ben ik begonnen; ik was toen dertien, veertien jaar.

In '33 heeft de regering-Hitler verordend dat elke jongen en elk meisje een week per jaar met vakantie mocht, betaald door het Rijk. Je ging dan naar zo'n jeugdherberg, en daar hing natuurlijk de Hitlerjugendvlag. Die heb ik op deze tekening wat laten laten zakken, want die moest er toch op. Toen begon die idioot, die Hitler, tegen de joden: 'Ohne Jud geht es gut.' Je kreeg het eerste posten voor joodse zaken, de eerste concentratiekampen, de boekverbranding en Van der Lubbe - dus daar ben ik sinds '33 mee bezig geweest, dat heb ik niet laten gaan. Toen kwam ik in '34 een keer uit het gymnasium en zie aan de overkant een kennis lopen in een zwart uniform. Dat had ik nog nooit gezien. Ik loop ernaartoe, kijk zo omhoog en zie daar die pet met die doodskop. Volgens mij heeft dat de doorslag gegeven: nou is het afgelopen, hier blijf ik niet.

Ik ben met vijftien jaar geëmigreerd, in mijn eentje. Ik heb een Hollandse moeder. Dus zat mijn hele familie moederszijds in Holland, en ik ging elk vakantie naar de familie, zoals dat vroeger was. Ik heb een tante in Enschede geschreven: ik kom naar Holland en kun je een baantje voor me vinden? Dat heeft ze gevonden bij een reclameatelier in Enschede. Mijn ouders, niemand heb ik het verteld, tot ik het kaartje had, enkele reis Gronau. Mijn vader zei: 'Du bist verrückt, du bist ein Künstler, du hast immer was besonderes.'

Ik ben gauw op een avondcursus gegaan van de ambachtschool om de Nederlandse taal te leren. Daarna heb ik tekenles gehad en toen ben ik gaan tekenen. Ik ben etaleur geweest, ik heb alles aangepakt wat met mijn vak te maken heeft. Kijk, dit was de Paas-etalage van meneer Tegelaar, een van de eerste NSB'ers in Enschede; hij heeft me zelfs nog een pakje naar Westerbork gestuurd.

Dit is het gemeentehuis van Westerbork

waar mijn tekeningen ondergedoken zijn. Ik had contact met een ambtenaar die elke ochtend op zijn fietsje naar het kamp kwam om het bevolkingsregister bij te werken. Ik heb hem gevraagd: 'Zou u zo vriendelijk willen zijn een paar van mijn tekeningen mee te nemen, je weet nooit wat er gebeurt.' Hij heeft ze op het gemeentehuis laten onderduiken en na de oorlog heb ik ze weer opgehaald.

Ik ben ook de hele oorlog in Westerbork gebleven. Een keer, toen ik dienst had in het Heidelager, ben ik in plaats van naar de keuken rechtuit gereden richting Hooghalen. Maar toen ik voorbij de tweede wachtpost was, dacht ik: Löwenhardt, waar ben je mee bezig?! 128 Km naar Enschede - want daar moest ik naartoe, daar had ik mijn relaties -, 128 km door Drenthe, met allemaal NSB'ers en Landweerstorm en rotzooi, terwijl ik hier vrij rond kan fietsen en overal naartoe kan gaan waar ik wil. Ben ik teruggefietst, en ik heb nog nooit van mijn leven zo hard gefietst. Ik was twintig minuten te laat bij het ontbijt. Heb ik op mijn lazer gehad.

Mijn niet-joodse vriendin uit Enschede is, midden in de oorlog, wel die 128 km komen fietsen. Ineens krijg ik een seintje: er staat een meisje voor jou aan de poort. Ik zeg: een meisje voor mij aan de poort? Ja, dat was mijn vriendin waar ik voor de oorlog jaren mee gescharreld heb. Die heb ik twee dagen en nachten in Westerbork gehouden, heb ik een pot jam of een stukje boter uit de keuken gejat en mocht ik 's nachts zo'n kamer gebruiken.

Op 12 april zijn we bevrijd door de Canadezen, en voor het eerst mocht ik het kamp niet uit. Van de nazi's had ik mijn Ausweis - niks mee te maken, gooi maar weg- , vijf dagen daarna had ik weer een Ausweis van de Canadese commandant. Maar na de Canadezen kwam de marechaussee, en het Militair Gezag, en die hebben ons weer opgesloten. De heren marechaussee hebben ons drie keer ondervraagd en niet zo zuinig ook. De tweede keer krijgen we een oproepbriefje: bagage meebrengen. Nu prachtig, eindelijk weg. Hebben ze iedereen alles afgenomen: mes en vork rijkseigendom, handdoek rijkseigendom, zeep rijkseigendom! Als je dan zei: 'Ik ben hier verdomme wel met een handdoek gekomen', was het: 'Bek houden, niks mee te maken.' Ze hebben ons drie maanden vastgehouden en alles afgenomen. Weet je wanneer we ontslagen zijn? 30 Juni!

Toen ben ik naar Enschede gegaan, met moeite. Ik had geloof ik 24 gulden, maar ja, ik hoefde nergens te betalen. Ik ben maar gewoon in de trein gestapt en ik zei: ik kom uit het kamp. Nou, laat maar zitten. Ik kwam in Enschede en ging naar mijn vriendin. Ik kom op haar slaapkamer, staat daar een portret van een Duitse soldaat naast haar bed, dat was haar vriend en die was aan het Oostfront gesneuveld. Daar kon ik niet meer mee slapen, echt niet, heb ik niet gedaan, en daar heb je het verhaal van iemand die Westerbork overleefd heeft.

Ik heb geluk gehad dat ik die tekenlessen had genomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden