Overheid moet investeren in de vraag naar kunst

Hogere kunstbudgetten hebben niet veel meer publiek opgeleverd. Tijd voor nadruk op de vraagzijde.

De Amsterdamse schouwburgdirecteur Melle Daamen heeft de kunstensector hardhandig opgeschud met een artikel in de NRC van 7 december. Daarin stelt hij dat er te veel kunstgezelschappen zijn, die te versnipperd opereren en een vrijblijvende consumptie in de hand werken. Hij roept de sector op tot zelfregulering maar dat lijkt, afgaande op de reacties, gericht aan dovemansoren. Hem wordt nestbevuiling verweten omdat hij een prominente speler is in een systeem dat hij van binnenuit zou kunnen hervormen.


Daamen heeft deze reactie voorzien maar ook over zich afgeroepen door te blijven steken in observaties en, deels ongelukkige, beleidssuggesties. Het verhaal ontbeert een analytisch fundament, de 'waarom'-vraag is niet gesteld. Zijn probleemstelling kan worden verklaard uit een nadere economische beschouwing. De kunsten onderscheiden zich van andere sectoren omdat de kunstenaar niet handelt als homo economicus. De kunstenaar werkt niet voor inkomen maar vanuit een autonome creatiedrift. Dit heeft tot gevolg dat ook bij gebrek aan inkomen uit kunst, kunstenaars doorgaan met creëren omdat het een elementaire behoefte is. Bijbanen voorzien in het levensonderhoud. Aangenomen wordt dat mondiaal 75 procent van de kunstenaars hun productie zo financiert. Dit impliceert een permanent overaanbod als kenmerk van kunst.


Voor de kunstenaar geldt dat hij de meest concurrerende werkomgeving heeft. Daar komt bij dat de vraag naar kunst nogal wat drempels kent. Kunst is geen eerste levensbehoefte en de meeste mensen voelen zich onzeker in hun smaakbepaling. Deze factoren, een permanent overaanbod en smaakonzekerheid, veroorzaken een structurele disbalans. Er is dus alle reden voor overheidsingrijpen in deze markt omdat kunst algemeen als een belangrijke waarde wordt ervaren. De vraag is hoe.


We hebben in Nederland de afgelopen decennia kunstbeleid ontwikkeld dat velen als hoogwaardig beschouwen. Maar als we kijken naar de resultaten dan dringt een andere conclusie zich op. Van 1980 tot 2012 heeft de rijksoverheid vijfmaal zo veel budget aan kunst beschikbaar gesteld, daar zijn tweeënhalf maal zo veel voorstellingen voor gegeven en daar is maar 10 procent meer publiek op afgekomen, nog minder dan de bevolkingsgroei in die periode. Dit is de probleemstelling van Daamen in een historische notedop.


De grote veroorzaker hiervan is het beleidssysteem zelf. In ons subsidie-stelsel bepaalt de overheid de hoogte van het totale subsidiebudget maar de allocatie naar instellingen wordt overgelaten aan de deskundigen van de Raad voor Cultuur. Deze taakverdeling blijkt in de praktijk contraproductief. Sinds D'Ancona in 1991 hebben alle bewindspersonen geroepen dat kunstinstellingen meer publiek en eigen inkomsten moeten genereren. Maar deze eis is trefzeker onklaar gemaakt door de deskundigen van de Raad voor Cultuur die stelselmatig prioriteit gaven aan vernieuwing en experiment. Dit is de eerste perverse prikkel van het beleidssysteem.


Minstens zo ondermijnend is de financieringsverhouding: gesubsidieerde instellingen verwerven gemiddeld maar 25 procent aan eigen inkomsten. Zolang de overheid bereid is kunstinstellingen voor driekwart in hun kosten te voorzien over meerdere jaren, is het een illusie te denken dat zij zich maximaal inspannen om meer publiek te trekken.


De werkelijke oplossing voor het probleem dat Daamen terecht heeft geagendeerd schuilt dus niet in de keuze voor of tegen instellingen. Het is de keuze voor een ander beleidssysteem. Naast het elimineren van de perverse prikkels is verschuiving naar de vraagzijde van eminent belang want louter aanbodsubsidies vergroten de disbalans.


Investeren in de vraag naar kunst betekent overheidsmiddelen inzetten om burgers in staat te stellen kunst te waarderen op eigen condities. Deze kunsteducatie wordt doorgaans aan jongeren gekoppeld maar moet in een vergrijzende samenleving ook op ouderen worden gericht.


Daarnaast moet de overheid kunstenaars de gelegenheid geven inkomen te verwerven met hun eigen kunstproducten. In een digitale omgeving is het van groot belang dat kunstenaars het eigendomsrecht op hun kunstwerken kunnen effectueren, anders zijn zij vogelvrij op het internet.


Het bewijs dat deze herijking van het kunstbeleid de juiste weg is, kan worden gevonden in het onwaarschijnlijke succes van de Nederlandse dance, met het grootste conceptontwikkelend bedrijf (ID&T), de belangrijkste businessconference (ADE), de voormalige nr. 1-dj's Tiësto en Armin van Buuren die zonder het auteursrecht hun imperium niet hadden kunnen bouwen - en de nieuwe nr. 1- dj Hardwell die zijn eerste schreden op de muziekschool in Breda heeft gezet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden