Overheid gaf zichzelf niet veel ruimte

Bij de inrichting van Nederland holde de rijksoverheid de afgelopen eeuw vooral achter de feiten aan...

Minister Dekker kreeg er de handen niet voor op elkaar. De langverwachte Nota Ruimte betekent volgens critici een breuk met een lange traditie van overheidsplanning. Zij miskent daarmee de noodzaak om in een land waar zoveel mensen op zo'n klein oppervlak samenwonen, zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte. Wie alle nota's en plannen van de afgelopen halve eeuw op een rijtje zet, kan zich echter afvragen wat het effect was van de interventies in het verleden.

De Woningwet van 1901 markeert het begin van de overheidsbemoeienis met de inrichting van de openbare ruimte. De wet is primair bedoeld om verbetering te brengen in de dan soms erbarmelijke huisvesting van de arbeiders die in het spoor van de industrialisatie naar de steden trekken.

De Woningwet stelt niet alleen eisen aan woningen, maar introduceert ook het gemeentelijk uitbreidingsplan. Hierin worden de contouren van stadsuitbreidingen vastgelegd.

De invulling wordt overgelaten aan het particulier initiatief. De ambitie van de overheid reikt vooralsnog niet verder dan het tegenhouden van ongewensteontwikkelingen.

De voortgaande industrialisatie en groei van de steden geven in de jaren twintig aanleiding tot steeds meer conflicten over de bestemming van de beschikbare ruimte. Het vraagt om overheidssturing op een hoger niveau dan dat van de gemeente. In de jaren dertig wordt hiertoe het streekplan geroduceerd, dat de bestemming van de grond in een groter gebied vastlegt. De nadruk ligt opnieuw op het formuleren van randvoorwaarden voor het particulier initiatief. De grootste zwakte van het streekplan is echter dat het is gebaseerd op vrijwillige samenwerking tussen gemeenten, waar weinig van terechtkomt. De gemeentelijke autonomie is ook dan al een moeilijk te nemen hindernis. Het versterkt de roep om een grotere rol voor de provincies en de wenselijkheid van een nationaal plan als overkoepelend raamwerk voor lokale plannen.

De bevolkingsgroei en de daarmee gepaard gaande verstedelijking komen na 1945 in een stroomversnelling. Daardoor wint de opvatting terrein dat een nationaal plan voor de inrichting van Nederland een te star instrument is. Er is eerder behoefte aan een beleid om alle veranderingen in goede banen te leiden dan aan een blauwdruk die op het moment van verschijnen alweer achterhaald is.

De eerste aanzet hiertoe verschijnt in 1958 in de vorm van de nota De ontwikkeling van het westen des lands, over het nog altijd belangrijkste vraagstuk: de toekomst van de Randstad. Volgens de regering zou moeten worden voorkomen dat de afzonderlijke steden te groot worden (genoemd wordt een inwoneraantal van miljoen), maar ook dat het agrarische middengebied het Groene Hart dichtslibt. Dat betekent dat de groei van de Randstad naar buiten moet worden gericht.

Wat dat voor de rest van Nederland betekent, wordt beschreven in de twee jaar later verschijnende (eerste) Nota inzake de ruimtelijke ordeningin Nederland. Evenals de nota uit 1958 is ook dit stuk meer beschrijvend dan sturend. De regering aarzelt nog altijd in te grijpen in het vrije spel der maatschappelijke krachten. Daarin lijkt verandering te komen met de Tweede nota over de ruimtelijke ordening in Nederland (1966). Het tot dan toe ongeschokte geloof in de vooruitgang vertoont de eerste scheurtjes.

'Ons land is in een periode gekomen waarin de zorg voor het in stand houden van een goed leefmilieu de overheid en maatschappij meer dan vroeger ter harte moet gaan (. . .) Het is dan ook begrijpelijk dat men vraagt naar een richtgevende visie op de toekomst en naar een duidelijk regeringsbeleid.'

Een van de belangrijkste bedreigingen van de leefbaarheid vormt de suburbanisatie. Hoewel de bevolking blijft groeien, vlakt de groei van de steden tegelijkertijd af. De kwaliteit van de stedelijke woonomgeving heeft geen gelijke tred gehouden met de gestegen welvaart. Wie het zich kan permitteren zoekt steeds vaker zijn toevlucht in omliggende gemeenten. Als antwoord hierop introduceert de regering het concept van de 'gebundelde deconcentratie'. Dat wil zeggen dat de woningzoekenden moeten worden opgevangen in een beperkt aantal 'overloopkernen', zoals Purmerend en Hoorn.

Hoewel de nieuwe bouwlocaties aanvankelijk zeer in trek zijn, manifesteert zich al snel de keerzijde van dit beleid. De bedoeling is dat de werkgelegenheid met de bevolking mee verhuist, maar de praktijk in bijvoorbeeld Noord-Holland is dat de bedrijvigheid zich juist naar het zuiden van de provincie (Schiphol) verplaatst. Tegenover deze economische krachten staat de overheid machteloos en het resultaat is een steeds groter wordende afstand tussen wonen en werken.

Ook zonder dat zijn de overloopkernen niet bij machte ongewenste verstedelijking elders te voorkomen. Het beleid van de landelijke overheid stuit hier niet alleen af op de gemeentelijke autonomie, maar ook op wat uiteindelijk cruciaal is voor ieder ruimtelijk beleid: de grondpolitiek.

In de Derde nota over de ruimtelijke ordening uit 1977 wordt het beleid dan ook weer bijgesteld. Het accent ligt nu op de stadsvernieuwing en het bouwen in de buurt van de steden. De Vierde nota (1988) legt nog meer de nadruk op de noodzaak van een wervend woonmilieu in de grote steden, als voorwaarde voor het behoud van zowel de internationale concurrentiepositie van de Randstad als voor het behoud van de open ruimte. De aanvulling op deze nota de Vierde nota over de ruimtelijke ordening extra (Vinex) zou de naamgever worden van de bouwlocaties die in het kader van de 'compacte stad', in de Randstad zijn voorzien.

Toch zou het ook nu niet lukken echt greep te krijgen op de 'verrommeling' van het landschap. De nimmer tot uitvoering gekomen Vijfde nota van minister Pronk, representant van de maakbaarheidsgedachte bij uitstek, is de voorlopig laatste poging de ontwikkelingen om te buigen. Minister Dekker lijkt, overeenkomstig de neoliberale ideologie, die strijd niet meer aan te willen gaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden