Overheid bemoeit zich nog steeds te veel met scholen

Scholen ondervinden nog altijd hinder van een bemoeizuchtige overheid. Dat concludeert de Onderwijsraad in een rapport over de invloed van de commissie-Dijsselbloem (2008) op het Nederlands onderwijsbeleid. Jeroen Dijsselbloem, destijds Kamerlid voor de PvdA, drong aan op herstel van de autonomie van de scholen. In de praktijk is daar weinig van terechtgekomen, meent de Onderwijsraad.

Beeld belga

De commissie-Dijsselbloem zocht in opdracht van de Tweede Kamer uit wat zoal was misgegaan met de grote onderwijshervormingen in de jaren negentig zoals de basisvorming (veertien vakken voor alle leerlingen in de onderbouw) en de tweede fase in de bovenbouw (de bevordering van de zelfstandigheid van de leerling).

Dijsselbloem c.s. stelden, in tamelijk scherpe bewoordingen, vast dat de scholen bij die hervormingen buitenspel waren gezet. Ze waren gereduceerd tot uitvoerders van een beleid dat in Den Haag was bedacht en dat door allerlei projectorganisaties was uitgewerkt. Voor alle ingrepen was wel politiek draagvlak, maar geen draagvlak onder onderwijsgevenden. De enige gesprekspartners waren beroepsvertegenwoordigers en belangenorganisaties, maar die stonden, aldus Dijsselbloem, dichter bij de politiek dan bij de eigen achterban.

Volgens Geert ten Dam, voorzitter van de Onderwijsraad, hebben docenten de analyse van Dijsselbloem destijds als 'een vorm van erkenning' begroet. 'Eindelijk zagen ze hun onvrede treffend verwoord.' Inmiddels hebben ze echter moeten vaststellen dat de politiek haar leven niet werkelijk heeft gebeterd. Sterker: ze heeft de verkeerde conclusies verbonden aan het rapport van de commissie-Dijsselbloem. 'De term onderwijsvernieuwing leek besmet', schrijft de Onderwijsraad. 'Het werd synoniem met top-down invoeren van vernieuwingen en is daarom in de ban gedaan'. De politiek heeft, met andere woorden, de lange termijn uit het oog verloren.

Minister Jeroen Dijsselbloem. Beeld anp

Klein beleid

Intussen viel ze het onderwijs wel lastig met 'klein beleid' dat vaak slecht doordacht was. Als voorbeelden noemt Ten Dam de verplichte maatschappelijke stage voor scholieren, de mogelijke invoering van antipestprogramma's (waartegen de Onderwijsraad zich dan ook eerder heeft uitgesproken) en de inmiddels geschrapte invoering van de 1.040 uren norm (het verplicht stellen van 1.040 contact-uren). In combinatie met de verkorting van de zomervakantie voor onderwijzend personeel en de bevriezing van hun salaris hebben deze ingrepen bijgedragen aan het afkalvend vertrouwen van de onderwijssector in de politiek.

De Onderwijsraad beveelt de politiek aan nu ernst te maken met een nieuwe rolverdeling in het onderwijs: zijzelf moet zich beperken tot de hoofdlijnen, waarbij ze indien nodig stelwijzigingen niet moet schuwen, en waarbij ze beter gebruik moet maken van de inzichten van docenten en wetenschappers. Van nieuw beleid moet tevoren aannemelijk worden gemaakt dat het noodzakelijk en uitvoerbaar is, en dat de onderwijsgevenden ermee kunnen instemmen.

Met zijn aanbevelingen heeft de Onderwijsraad, net als destijds de commissie-Dijsselbloem, overwegend bijval geoogst. Met name de aanbeveling om de expertise van docenten beter te benutten is de PO-raad, de koepel voor het basisonderwijs, 'uit het hart gegrepen'. Voorzitter Rinda den Besten onderschrijft de vaststelling van de Onderwijsraad 'dat de politiek zich nog steeds intensief bemoeit met het onderwijs op scholen, maar discussies over de lange termijn uit de weg gaat'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.