Overgangsvrouw

Kunstschilder Suze Robertson wordt beschouwd als de belangrijkste vrouwelijke schilder van haar tijd. Een tentoonstelling in Panorama Mesdag rukt haar uit de vergetelheid.

Wie is Suze?


Suze Robertson (1855-1922) was een Nederlandse kunstschilder en tekenaar. Haar moeder overleed toen ze 2 was, ze groeide op bij haar oom en tante. Op de kostschool in Wassenaar werd haar talent ontdek en ze begon in 1877 haar


carrière als tekenlerares. In 1883 besloot ze zich geheel te wijden aan de kunst.


Zij hoorde tot de Amsterdamse Joffers, een groep kunstenaressen die eind 19de eeuw studeerde aan de Rijksacademie in Amsterdam. Ze won een gouden medaille op de Internationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid te Londen.


Postuum werd haar werk tentoongesteld in het Stedelijk Museum Amsterdam, het Gemeentemuseum Den Haag en Museum Kempenland.


Beeldende Kunst


Suze Robertson - schilderijen & tekeningen


Panorama Mesdag, Den Haag, t/m 23/3.


Voor de tentoonstelling is er het affiche van de tentoonstelling. In het geval van de Suze Robertson-expositie in Panorama Mesdag in Den Haag toont dat affiche een meisje met een boek op schoot en de blik neergeslagen; achter haar: een stel flonkerende, gebarsten rechthoeken. Het is een prachtig werk, verstild, verfijnd; een klein meesterwerk, bescheiden monumentaal. Je kijkt ernaar en je ziet direct dat het voldoet aan de twee belangrijkste criteria waaraan een tentoonstellingsaffiche moet voldoen. Eén: het ziet er goed uit en twee: het maakt nieuwsgierig naar de rest van het werk. Daaraan zou je een derde criterium kunnen toevoegen: het maakt nieuwsgierig naar de maakster.


Welnu, die maakster was dus Suze Robertson (1855-1922), een naam die tegenwoordig niet veel meer zegt. Ze was een 19de-eeuwse schilder van landschappen en portretten, die ook bekendheid genoot vanwege haar emancipatoire rol: door toegang te forceren tot de lessen naaktmodeltekenen (een privilege dat voorheen enkel werd verleend aan mannelijke cursisten), maakte zij de weg vrij voor vrouwelijke portretschilders. Had zij nu geleefd dan had ze waarschijnlijk op de cover van de Opzij gestaan. Zij was een schilders-schilder. Eigenzinnig, compromisloos, onbemind door het grote publiek, maar zeer gewaardeerd door haar collegae. Haar interieurstukken en koppen, neergezet in stemmig bruin, dik en troebel als bonensoep, werden beloond met medailles en waren een artistiek ijkpunt voor jonge makers, van wie Jan Mankes en Charley Toorop de bekendsten zijn. Na haar dood werd ze vergeten, maar nooit helemaal; in het Haags Gemeentemuseum, bijvoorbeeld, tref je soms nog werk van haar op zaal. En een nieuwe tentoonstelling in Panorama Mesdag van ongeveer tachtig werken, schilderijen, aquarellen, tekeningen en studies, allen afkomstig uit de privéverzameling van de erven, moet haar werk verder zien te rehabiliteren.


Die expositie, het moet gezegd, heeft zijn tekortkomingen en die zitten hem vooral in de inrichting. Die lijkt niet alleen te zijn samengesteld uit objecten, maar is ook gemodelleerd naar de manier van tentoonstellen van de vroege 20ste eeuw. Anders gezegd: weinig uitleg, geen narratief. Het ene ding komt domweg na het andere. Aan de kijker om daarin een weg te vinden. Dat is geen opwekkende onderneming.


Robertson voldeed feilloos aan dat fijne 19de-eeuws archetype: de sociaal betrokken kunstenaar, de begane. Zij wilde geen 'mooie gezichies' schilderen, maar echte, lees: arme mensen. Ze vond die in de schuren en huisjes van Den Haag en Dongen, hakkend in een stuk kool of sjorrend aan de koffiemolen. De dichter Jean Pierre Rawie zei ooit dat het in Groningen altijd herfst is. In Robertsons doeken is het ook altijd herfst. Haar schilderijen worden vooral bevolkt door landarbeiders en oude vrouwtjes die, zoals Van Gogh al schreef, 'heel wat scharrelen en tobben en zich bewegen in de wereld' en die de verschrikkelijkste beproevingen moeten doorstaan. Truus heeft reuma. Sien heeft een geldprobleem. Nel heeft reuma én een geldprobleem- gelukkig heeft ze haar spinnewiel nog.


Robertson wist er raad mee, zulke treurwalsjes. Haar ernst is benauwend, maar haar techniek hapert zelden. Haar voorliefde voor oude besjes treft ons als een tikje oubollig, maar haar streek is altijd raak. Haar mensenkoppen zijn van spier en bot, niet van plastic; haar stillevens, daar kun je een vinger achter steken. Haar nocturnes zijn mooi melancholiek en hebben de juiste afwisseling van suggestie en rake details. Maar wat haar echt interessant maakt en eerder nooit zo opviel, is hoezeer ze een overgangsfiguur was. Tussen realisme en expressionisme. Tussen 19de en 20ste eeuw.


Neem dat eerder genoemde beeld van het affiche. Het toont Robertsons kindermeisje, Pietje, die in de tentoonstelling in verschillende hoedanigheden opduikt, hier haast ten voeten uit geschilderd. Had zo'n Haagse Scholer deze Pietje voor zijn ezel gehad, had hij haar geportretteerd alsof hij haar betrapt had tijdens het lezen, als iets waar hij toevallig op was gestuit.


Robertson niet. Zij zet Pietje pontificaal in beeld, gestileerd en monumentaal; de rok breder wordend naar de lijst toe; kijk door je oogharen en het is net een kerstboom. Als verzadigde 21ste-eeuwer kijk je er makkelijk overheen, maar hier werd een frisse, originele stijl van schilderen aan de dag gelegd, eentje die vooruit liep op Kruyder, Gestel, Toorop, Mankes, Permeke, Van den Berghe en De Smet, op de vroege Mondriaan.


Een stijl die het doek iets bescheiden vooruitstrevends gaf en die zich nog altijd prima leent voor een affiche.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden