Overal lopen rebellen rond met kalasjnikovs

Benghazi is het centrum van de opstand tegen de Libische leider Kadhafi. De stad was ooit een paradijselijk oord, maar van een normaal leven is al weken geen sprake meer. Daar trekt weer een stoet met een doodskist over het plein. 'Dit is onze oorlog.'

Het is vreemd hoe onschuldig steden eruit blijven zien terwijl achter de muren en op de straten de gruwelijkste dingen plaatsvinden. Damascus, Caïro, Benghazi, het waren ooit paradijselijke oorden en dat zie je er nog steeds aan af.


Benghazi staat vol palmbomen die onbekommerd schommelen op de warme wind die binnenwaait vanaf de Middellandse Zee, en in het centrum worden lange straten geflankeerd door Italiaans aandoende voetpaden en winkeltjes. Met een beetje fantasie zie je hoe net na het middaggebed, als de zon wat lager staat, groepen oude mannetjes in de portieken druk kibbelen over allerlei triviale zaken, onder het genot van een waterpijp en een schaakspel - terwijl de wereld om hen heen verder leeft.


Maar in Bengazi zijn de winkels al een maand gesloten. Het geluid van geweerschoten knalt voortdurend over de daken, en de stad hangt vol graffiti - tegen buitenlandse troepen op Libische bodem, voor democratie, tegen de dictator. Er hangt een rauwe, een beetje smerige sfeer, die verder wordt verergerd door het zich ophopende vuilnis. Overal lopen rebellen in Che Guevara-outfit rond met kalasjnikovs, en op de straten scheuren tussen het normale verkeer door pick-ups, compleet met luchtafweergeschut - er is geen politieman die ze tot kalmte maant. Benghazi is een stad in oorlog, en het is een chaos.


Bij aankomst, twee weken geleden, begon het tij voor de revolutionairen net te keren. De troepen van Kadhafi hadden de opmars van de rebellen, die tot dat moment op rolletjes liep, een halt toegebracht in het zuidelijke plaatsje Ras Lanuf. De opstandelingen werden langzaam maar zeker teruggedreven en de regeringstroepen - angstaanjagende, kwaadaardige soldaten zonder gezicht - waren onderweg naar Benghazi. Hoewel een nieuwkomer na vijf minuten al concludeerde dat het er niet goed uitzag, leek niemand in de rebellenhoofdstad zich ook maar een moment zorgen te maken.


Hoop en fatalisme

Conflicten zoals in Libië - misschien alle oorlogen wel - zijn een rare mix van overklaarbare hoop en berustend fatalisme. Nee, Kadhafi zal onze stad nooit bereiken, want wij vechten voor ons leven en God staat aan onze kant (dat roept de tegenstander ook altijd). Daarbij zit het monster in Tripoli binnenkort zonder brandstof voor zijn tanks en gooien zijn troepen massaal de handdoek in de ring. En in het onwaarschijnlijke geval dat hij toch deze kant opkomt, ach, dan zijn wij bereid om als martelaren te sterven.


En sterven deden ze. Op een van de eerste dagen na aankomst stuitte ik in de lobby van Hotel Uzu op een Duitse journaliste met ogen als schoteltjes. Ze liet een filmpje zien waarop een huiveringwekkend 'swiesh-boem!' is te horen: het einde van haar chauffeur. Ze had daarna nog acht uur lang in paniek door de woestijn gelopen, voordat rebellen haar oppikten en terugbrachten naar het hotel.


Ik was het duo de dag ervoor tegengekomen in de zuidelijke stad Ajdabiya, bij de bevelhebber van de rebellen, toen ik net als zij probeerde naar het front te komen. Mij lukte dat gelukkig niet, hun blijkbaar wel. Alleen waren zij veel te ver doorgereden, voorbij het laatste checkpoint van de rebellen, richting de tegenpartij.


De ernst van dat soort verhalen dringt wel door, maar het mannetje in je achterhoofd dat het allemaal maar spannend vindt, is moeilijk stil te krijgen. Totdat de andere journalisten beginnen weg te vallen. Een dode collega van Al-Jazeera hier. Een neergeschoten lokale journalist daar. Dan weer een opgeblazen chauffeur. Tot je een keer een bezoek brengt aan het ziekenhuis waar de slachtoffers van al dat geweld liggen. Ik zal nooit vergeten hoe een volledig verbrande man, het slachtoffer van een raketaanval, op de intensive care van een ziekenhuis in Benghazi in het Engels zei: 'Hé jij, kom eens hier, ik wil met je praten.'


Ik liep aanvankelijk door: deze meneer was een rebel en ik was op zoek naar gewonde Kadhafi-soldaten voor mijn verhaal van die dag - wat moest ik met een verbrande rebel? Bij de deur bedacht ik me en ben bij de man gaan zitten. Zijn neusgaten blijven me het meeste bij. Vol met roet, waarschijnlijk klontjes verbrande huid.


De man wilde alleen zijn verhaal kwijt, vertellen hoe slecht Kadhafi was - 'Kijk nou, door hem ben ik helemaal verbrand!' - in de hoop dat ik het op mijn beurt verder zou vertellen. Ik heb niet eens zijn naam opgeschreven.


Kleine verhalen

De hele dag loop je tegen kleine verhalen aan, maar de wrange realiteit is dat je ze niet allemaal kwijt kunt; ik had net een verhaal over slachtoffers gehad en ook over een oorlog moet je afwisselend berichten. Wat verbreding, wat verdieping, een persoonlijk verhaal, een front-verhaal.


'Dit is onze oorlog!', roepen de rebellen steevast als je ze vraagt of ze behoefte hebben aan, bijvoorbeeld, Amerikaanse troepen om ze een handje te helpen. En het is ook hun oorlog, de oorlog van de Libiërs die bevrijd willen worden van een dictator die ze al vier decennia lang terroriseert. Mensen die stuk voor stuk de kans willen hebben om vooruit te komen in hun leven, zonder voortdurend bang te moeten zijn dat de geheime dienst hen of de mensen van wie ze houden, oppakt, martelt, vermoordt, laat verdwijnen.


Heel Benghazi leeft mee met die oorlog. Het is niet alleen dat de winkels dicht zijn en de restaurants geen eten meer hebben; het is alsof al het normale leven is opgehouden. Niets kan meer verdergaan voordat de strijd is gewonnen, voordat de vijand in Tripoli is verslagen. Bedrijven functioneren niet meer en banken zijn dicht, maar toch klaagt er bijna niemand over het gebrek aan geld of werk. Het is alsof het leven van vóór de oorlog er niet meer toe doet.


Offer van de martelaar

Je voelt je dan ook verschrikkelijk klein en onbelangrijk in de Libische burgeroorlog, waar voortdurend mensen sterven die kort daarvoor vast nog een heel leven aan het plannen waren. Omdat de schutter van een tank besloot dit keer maar eens naar links te schieten, of omdat een piloot dacht: 'Nou ja, ik kan die bom net zo goed hier laten vallen.' En daar gaat weer een stoet met een kist over een plein in Benghazi, jubelend over het offer van de martelaar - dat steevast niet tevergeefs zal zijn - en de grootheid van God.


Totdat de bommen jouw kant opkomen; dan vind je jezelf ineens weer vreselijk belangrijk. Het is volstrekt surrealistisch om vanaf het dak van een hotel te kijken hoe artilleriegranaten een paar honderd meter verderop in de Middellandse Zee ploffen, terwijl de knallen steeds dichterbij komen. Maar dan pak je je koffertje - dat ingepakt en wel naast de deur staat in afwachting van Kadhafi's legers - en vertrekt. Als het rustiger is, kom je weer terug. Geen paniek, geen drama. Gewoon verder gaan waar je gebleven was.


Maar zo nu en dan zie ik hem weer voor me, die man in het ziekenhuis, terwijl hij zijn vingers opsteekt in het V-teken voor de overwinning. Hij zal nog wel een tijdje te pas en te onpas op mijn netvlies verschijnen, totdat hij plaats maakt voor een andere arme pechvogel. Voortaan vraag ik ze meteen naar hun naam.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden